Dit is een inleiding verzorgd  op de themamiddag ‘Nieuwe Ideeën voor de Vredebeweging’, georganiseerd door de vereniging PAIS en het Humanistisch Vredesberaad op 28 november 1998.

28 november 1998

Conflicthaarden zijn gebieden waar etnische en/of religieus-etnische conflicten, al of niet samenhangend met sociaal-economische tegenstellingen, op uitbarsten staan of reeds zijn geëscaleerd. En voorts landen waar een dictatuur op zijn einde loopt. Mensenrechtenschendingen zijn in die gebieden schering en inslag, maar dreigen bij een explosie onbeheersbare vormen aan te nemen. Oorlog haalt nu eenmaal het slechtste van het slechtste in de mens naar boven.

Hoe hierin vanuit het ‘democratische’ Westen en als internationale gemeenschap te handelen? Eén van de grote dilemma’s van deze tijd.

Het militaire denken
Een onderdeel van onze cultuur is helaas nog steeds het militaire denken, dus de visie dat problemen slechts militair kunnen worden opgelost. Logisch dat in het Westen velen al gauw soldaten eropuit willen sturen. Overigens vaak zonder te weten waar ze het over hebben, omdat ze nooit in een oorlog hebben gevochten. Zij die zich – dat is opmerkelijk – vroeger uitspraken tegen het leger en de kruisraketten, blijken vaak “nu het krijgszuchtigst” (Maarten Huygen, NRC-Handelsblad, 6 november 1998). Het zou een aanwijzing kunnen zijn dat het vredesdenken bij ons niet te diep zit. Of op z’n minst wat op de achtergrond raakt, als de emoties over schrijnende televisiebeelden ons in de greep krijgen, inclusief de drang om van bovenaf te willen ingrijpen. Op zich een menselijke reactie, maar nochtans zeer risicovol, zoals altijd als men zich louter door emoties laat leiden.
Laat ik het duidelijk maken met een recent voorbeeld. 
Er zitten 50.000 vluchtelingen in de bergen van Kosovo en de winter is in aantocht. Vanuit het militaire denken zijn er twee opties: a) het sturen van grondtroepen en b) een bommenregen laten vallen op het land van de onderdrukkende machthebber. 

Het sturen van grondtroepen is onhaalbaar omdat:

  1. zoiets minstens 300.000 militairen vergt;
  2. het een totale oorlog wordt;
  3. er weinig landen zijn die er voor voelen daarvoor soldaten te leveren;
  4. soldaten zonder vijandbeeld en zonder het gevoel bedreigd te zijn, de motivatie noch de wil hebben voor een dergelijke missie langdurig in oorlogshandelingen betrokken te zijn. Temeer als het terrein onbekend en bergachtig is.

Dus wordt gekozen voor de bommenregen, echter zonder dat men zich afvraagt wat daarvan de effecten zijn in het kader van de wisselwerking van actie en reactie. Volgens generaal-majoor b.d. Schaberg zou er in dat geval schade worden toegebracht en zouden er doden vallen, maar zou het ook leiden tot een patstelling, waarbij niemand kon winnen. Bovendien zou het leiden tot een brand die over zou slaan naar de buurlanden (Het Parool, 3 november 1998). Van de Vietnam-oorlog weten we dat bombardementen hun doel voorbij schieten. Ze leiden – denk ook aan Dresden tijdens de Tweede Wereldoorlog – tot verharding en polarisatie. De tegenspeler graaft zich in, het volk zoekt een zondebok op wie het de woede over de bombardementen kan afreageren. Zo ontstaan wraakreacties op minderheidsnaties, zeker als men het gevoel heeft dat de bommen mede zijn gegooid ter wille van hen. Kortom: chaos en ellende, en een politieke oplossing is verder weg dan ooit.

De vluchtelingen
En de vluchtelingen dan? Die worden meteen verlaten door humanitaire organisaties als Artsen zonder Grenzen, omdat die als geen ander de negatieve psycho-socale effecten van luchtaanvallen kennen, zoals het uitoefenen van represailles. Tel uit je winst. En dat terwijl de ontheemden juist het hoofdargument vormen voor de progressieven onder de voorstanders van bombardementen. Voor betrokkenen in de besluitvorming inzake het bombarderen ligt dat meestal wat anders. De eigen geloofwaardigheid (“we kunnen niet meer terug”) en het mores leren van de tegenstrever zijn voor hen een belangrijkere overweging. Het feit dat niemand vandaag meer over de ontheemden praat, doet columnist Koen Koch “vermoeden dat de door de politici zo benadrukte zorg om de vluchtelingen in de bergen slechts een alibi was in hun confrontatie” met de tegenspeler (Trouw, 21 november 1998). Anderzijds was er het risico dat men ging fungeren als de luchtmacht van de guerrilla, die naar verluid druk uitoefende op de nog overgebleven ontheemden in tenten – de meeste waren al teruggekeerd naar hun dorpen – om te blijven teneinde zo bombardementen uit te lokken.

Is dit een soort patroon aan het worden? Waarom ging ik hier wat dieper op in?

  1. Omdat we na de val van de Muur bij de VS een nieuw gegeven constateren, namelijk de drang om op eigen houtje steeds eerder geweld te gebruiken. Ik onderschrijf de stelling van Marcel van Dam, dat deze Amerikaanse houding van “de vijand nu maar eens een lesje te leren (…) in de internationale politiek steeds grotere problemen kan opleveren” (De Volkskrant, 19 november 1998).
  2. Om duidelijk te maken hoe gauw goedwillende mensen die om humanitaire redenen kiezen voor de militaire weg, speelbal kunnen worden van een tricky machtsspel van de conflictpartijen, ook omdat de betreffende regio vaak ver weg is en men dus afhankelijk is van de informatie van derden.
  3. Om te illustreren hoe sterk de invloed is van de door de media opgewekte sensatie, van het modedenken en ook van het machtige Amerika. Als je vervolgens de argumenten analyseert van hen die om humanitaire redenen toch maar hun steun geven aan het bombarderen, dan blijken die flinterdun.

(On)partijdigheid
Wat zegt dit de vredesbeweging? Het plaatst haar voor de uitdaging om steeds weer geduldig de argumenten van voorstanders van ingrijpen te proberen te weerleggen, te laten zien dat militaire interventie niet echt werkt en om ten slotte alternatieven op tafel te leggen.

Ik doe maar alvast een poging. Waarom werkt militaire interventie met grondtroepen niet of nauwelijks? Ik noem vier punten.

  1. Soldaten zijn opgeleid voor en hebben discipline in een frontsituatie. Die situatie ontbreekt echter in de meeste conflicthaarden. Bij burgeroorlogen is er geen duidelijke frontlijn. Somalië – zowel de mislukking als het wangedrag van Canadese, Belgische en Italiaanse VN-soldaten – en verder Angola en Srebrenica vormen in deze een leerschool.
  2. Extern geweld toevoegen in een burgeroorlog heeft, zoals onderzoekers aantoonden, bijna altijd een escalerend effect, zeker indien dat gebeurt in de hete fase van die oorlog.
  3. Militaire interventie neemt de oorzaken van het conflict niet weg en brengt evenmin een oplossing. Wél veroorzaakt ze haat en wraakgevoelens. De nederlaag wordt zelden echt aanvaard.
  4. Men wordt als buitenstaander partij in het conflict. Dit aspect is denk ik het belangrijkst.

Op dat laatste ga ik dan ook nog even kort in. Terecht noemt Paul Scheffer de zogenaamde humanitaire interventie een “tegenstrijdige gedachte”. En wel omdat je met militaire interventie partij kiest en humanitaire hulp “juist bestaat bij de gratie van neutraliteit” (NRC-Handelsblad, 6 december 1997). Ook de Britse strateeg Charles Dobbe noemt naast instemming van de bevolking en minimaal geweld ‘onpartijdigheid’ als uiterst belangrijke derde voorwaarde voor het werk van VN-blauwhelmen. Als je die voorwaarde niet in acht neemt, word je partij en gaat het mis. Zie Somalië. In een interview in De Groene Amsterdammer (12 juli 1995) vertelde de Somaliër Abdi Mohammed Kheiyre, dat het fout ging “na mei 1992”, toen plotseling de licht bewapende VN-troepen werden vervangen door zwaar bewapende, de VN hun onpartijdigheid opgaven en “de kant kozen van Ali Mahdi, omdat die de gewapende aanwezigheid van de VN wel aanvaardde”. Partij worden in een conflict blijkt helemaal fataal, als er in de betreffende conflicthaard sprake is van een onontwarbare kluwen van facties en strijdgroepen.
Ik kom nog terug op het verschil tussen blauwhelmen en burgervredesteams, maar wil nu reeds kwijt dat voor de laatsten, behalve instemming van de bevolking, onpartijdigheid uiteraard ook een belangrijke voorwaarde is.
We dienen ons echter te realiseren, dat zulks bij het publiek niet gemakkelijk te verkopen is. Er ontstaat in de beeldvorming over een conflict al gauw de indruk van de ‘good guy’ en de schurk, al of niet gevoed door de media. Mensen willen graag partij kiezen, bijvoorbeeld voor degenen die aan de verliezende hand of zwakker zijn. Overigens totdat zij merken daarmee vast te lopen, bijvoorbeeld omdat de situatie in het slagveld zich van de een op de andere dag kan wijzigen. We zagen dat in de herfst van 1995, toen ineens de onoverwinnelijk lijkende Serviërs in de Krajina het onderspit dolven tegen door de Amerikanen getrainde Kroaten, en kort daarna ook in West-Bosnië tegen Kroaten en Moslims samen. (De omkeer in het Bosnië-drama is overigens – behalve dat de partijen gevechtsmoe waren – niet in de laatste plaats hieraan te danken; inclusief het feit dat ze over Amerikaanse wapens beschikten, die met toestemming van Clinton door de officiële blokkade van de Joegoslavische kust heengeloodst waren.)
Hier zien we ook hoe bepalend vaak de rol van de grootmachten is. Linda Polman wijst in haar boek “‘k Zag twee beren… de achterkant van VN-vredesmissies” ook op hun machtsbelang als factor. Zo moesten er VN-militairen komen in Rwanda, omdat Frankrijk het wilde, en in Haïti, omdat de VS het wilden. Amerikaanse militairen zouden ook het Rwandese leger hebben getraind “en assistentie [hebben] verleend bij aanvallen op Hutu-vluchtelingen op Congolees grondgebied”, aldus Human Rights Watch-Africa in een rapport van eind vorig jaar over de massamoorden in Oost-Congo (Trouw, 10 oktober 1997). Linda Polman maakte als journalist vele VN-operaties mee en haar stelling is: “In een oorlogsgebied kan alleen vrede worden bereikt als partijen dat zelf willen.” Zij laat ook weten dat het met agressieve wapens schieten op schuldige soldaten in een land als Rwanda vaak niet mogelijk bleek, omdat je dan soms dwars door honderden of duizenden burgers heen moest schieten. 
Kortom: de realiteit ter plaatse lijkt heel wat anders dan die op de bureaus van vele politici. Wat we, denk ik, vooral zouden moeten meenemen, is het vereiste van onpartijdigheid. Het is daarom dat militaire interventies niet lukken. Dwangmatig interveniëren kan niet onpartijdig; het valt of staat immers met het ‘vriend-vijand’-idee. Bovendien kunnen, algemeen gesproken, politieke stabiliteit en democratische verhoudingen niet met een geweer worden opgelegd. En dan laat ik nog buiten beschouwing wat geweld met mensen doet, zowel met hen die het ondergaan als met hen die het (moeten) toepassen. De laatsten soms ook, omdat ze in het doden of martelen niet voor elkaar onder willen doen vanwege de angst buiten het eigen groepsverband te vallen.
Hoe dan ook, er lijkt alleszins reden grote vraagtekens te zetten bij de (door Paul Scheffer als “ondeugdelijk” gekwalificeerde) ‘humanitaire interventie’. Als we dat niet doen, begeven we ons meer en meer op het hellend vlak van aanpassing aan het heersende machtsspel, aan het idee van ‘vrede door oorlog’ als het “nieuwe toverwoord voor het militarisme” (Wendela de Vries, in: ’t Kan Anders, september 1996) en aan het geven van een alibi aan de krijgsmacht, die in een legitimiteitscrisis verkeert.

Alternatieven
Er zijn in deze vier aspecten of fasen te onderscheiden:

  1. Conflictpreventie of preventieve vredesopbouw;
  2. ‘Peace-making’ (vrede tot stand brengen);
  3. ‘Peace-keeping’ (vrede handhaven) en
  4. ‘Postconflict peace-building’ (verzoeningswerk).

Van het laatste is het waarheids- en verzoeningsproces in Zuid-Afrika, met Tutu en Mandela als hoofdrolspelers, een goed voorbeeld. Vredesmensen en andere NGO’s kunnen een rol spelen in alle vier fasen. Het sterkst bij de eerste en de laatste en wellicht het minst in de ‘peace-keeping’ (fase 3), dus het handhaven van een bestand of vredesverdrag. Dat is iets wat meestal door VN-blauwhelmen gebeurt, een soort politiemacht met louter wapens ter eigen verdediging. Geheel onbewapende burgervredesteams zouden dat echter ook kunnen, (op politieniveau) analoog aan de ‘bobbies’ in Engeland. Tevens denkend aan het gezegde van ‘hoe meer wapens, hoe meer geweld’.
Op Cyprus, waar een VN-vredesmacht van 1200 man al sinds 1964 een bufferzone in stand moeten houden, leggen die blauwhelmen nogal eens hun wapens af. Voor de ‘trustbuilding’ is dat vaak ook beter, te meer omdat Cyprus één van de meest gemilitariseerde gebieden ter wereld is, waar de Turks-Cyprioten snel zo’n “35.000 en de Grieks-Cyprioten zo’n 10.000 militairen op de been kunnen brengen” (Trouw, 30 april 1998). Als de doorgang weer eens versperd wordt met olievaten, is provoceren voor 1200 blauwhelmen dan ook geen optie. Er op staan dat de versperring weg moet, is dan wel hun parool, maar tevens fair en vriendelijk blijven en openstaan voor gesprek. Opmerkelijk is dat in de praktijk hun geheel ongewapend opereren functioneel bleek. Het is te weinig bekend en wellicht zou de vredesbeweging, die nu bezig is burgervredesteams op te leiden, hieraan eens een onderzoek kunnen wijden.
Wat de conflictpreventie (fase 1) betreft, we stuiten daarmee op een breed begrip. Actieve bevordering van gerechtigheid valt er onder, inclusief preventieve diplomatie, maar ook ‘early warning’, een systeem of plan van actie gericht op het al vroeg potentiële conflicten signaleren. Gerechtigheidbevordering kan via actieve drukuitoefening door de politiek, inclusief het zonodig opleggen van sancties. Bijvoorbeeld als staten hun minderheidsnaties collectieve rechten onthouden. Dit is minstens even belangrijk als ontwikkelingssamenwerking, zo niet belangrijker. In een geweldssamenleving landen ontwikkelingsprojecten niet of nauwelijks meer. De politiek zal zich sterker moeten richten op het bevorderen van een vreedzame samenleving in conflicthaarden. Misschien moet dat wel primair. Daarbij dienen niet de handelsrelaties maar de mensenrechten, inclusief het recht doen aan de vaak onderdrukte minderheidsnaties, centraal te staan. Omdat dat veel te weinig gebeurt, vervallen zelfs progressieve politici in de valkuil van symptoombestrijding door bombardementen.
Andere onderdelen van conflictpreventie zoals preventieve diplomatie en ‘early warning’ impliceren maatregelen om in conflicthaarden rivaliserende partijen met elkaar te laten praten om zo de spanningen beheersbaar te helpen houden of door bij een dictatuur die op z’n einde loopt constructieve krachten te mobiliseren en zo chaos te helpen voorkomen. In andere woorden intensieve contacten aangaan met alle facties, vertrouwen opbouwen en proberen te voorkomen dat de partijen verworden tot legertjes met een ‘warlord’. En niet te vergeten er als buitenstaanders op toe te zien dat de communicatiekanalen open blijven om te “voorkomen dat de mensen in een waanwereld van geruchten gaan leven, waarin elke tegenstander een monster wordt” (Speciale VN-afgezant voor Burundi Ahmedou Ould-Abdallah in VK 11-10-’96).
Behalve voor de VN ligt hier een taak voor de EU en voor elke staat afzonderlijk, maar ook voor de vredesbeweging. Het betekent tevens zich aansluiten bij de democratische, de humanitaire en de vredeskrachten in het veld en proberen die te versterken. Niet alleen met geld, maar vooral ook met vrijwilligers van hieruit. De bekende VN-expert Mahbub Haq bepleitte na het debacle in Somalië voor het zenden van vredeskorpsen naar conflicthaarden, bestaande uit deskundigen op diverse terreinen, die de locale mensen kunnen adviseren en trainen. Hij noemt dat de ‘stroomopwaartsbenadering’ in plaats van ‘het rapen van brokken stroomafwaarts’. Ik zou het de interventie van onderop of de civiele interventie willen noemen. Zelfs wijkagenten zouden getraind kunnen worden, zoals thans bijvoorbeeld in Albanië gebeurt, ook door Nederlandse politiemensen. De vredesburgerteams kunnen op al deze terreinen werkzaam zijn. Ik geef aan hen, mits goed ontwikkeld, de voorkeur boven een politiemacht (VN-blauwhelmen), maar zou daarin niet dogmatisch willen zijn, omdat politie anders dan een leger nooit is gericht op het bewust doden. Hoe belangrijk preventie is, wordt vooral ook duidelijk door Rwanda. Er was geen systeem van ‘early warning’ noch een actief preventiebeleid; er waren geen intensieve contacten opgebouwd met leidende figuren om te voorkomen wat stond te gebeuren of wat door velen werd aangevoeld als wat stond te gebeuren. Rwanda is vooral een aanklacht omdat niet of nauwelijks iets is gedaan aan preventie.
Nu nog even over ‘peace-making'(fase 2). Daarvoor kunnen, zoals in Noord-Ierland of in het Midden-Oosten, vredesmensen veel voorbereidend werk doen, maar in zulke moeilijke probleemgebieden zullen (vooraanstaande) politici het uiteindelijk dienen over te nemen. De vredesbeweging moet met andere woorden enerzijds duidelijk afstand nemen van de politiek als het gaat om haar te gauw kiezen voor symptoombestrijding met militaire middelen, maar anderzijds de politici wel actief proberen in te schakelen in haar preventieve, ‘peace-making’ en verzoenende ‘post-conflict peace-building’ activiteiten. Trouwens ook de media zijn een belangrijke potentiele hulp voor vredeswerk, zeker indirect.
Burgerslachtoffers en ook locale mensenrechten- en vredesactivisten zijn kwetsbaar door hun isolement. Vredesburgerteams en/of VN-blauwhelmen met in hun kielzog de internationale pers en tv kunnen dat isolement helpen doorbreken. Door het Srebrenica-drama vergeten we vaak dat de VN-blauwhelmen, vredesmensen en humanitaire organisaties in Bosnië, ook al kwamen ze te laat om de grote slachtpartijen te verhinderen, nochtans tienduizenden mensenlevens hebben gered via voedseltransporten en het doorbreken van het isolement der burgers. Het aanwezig zijn van buitenlandse vredeswerkers heeft in conflicthaarden vaak op zich al een geweldsindammende invloed.
Hoe dan ook, de materie mag dan complex zijn, we kunnen er niet om heen. Het is nogmaals een van de grote uitdagingen van nu. Misschien moeten de jongeren zich wel voorbereiden op een nieuw beroep nl dat van professionele vredeswerkers en het als zodanig uitgezonden worden in internationale en nationale vredeskorpsen. Intussen zal uiteraard behalve tegen het militaire denken, zoals ik dat signaleerde in het begin, ook hard stelling moeten worden genomen tegen de verfoeilijke wapenhandel naar de conflicthaarden. Bezit van wapens doet, zoals gezegd, het geweld toenemen.

Ik citeerde Lynda Polmans uitspraak, dat in een oorlogsgebied slechts vrede kan worden bereikt als de partijen dat zelf willen. Daarbij min of meer aansluitend zou ik willen eindigen met de opmerking dat vredesactiviteiten van burgervredesteams en/of van blauwhelmen geen onmiddellijke politieke oplossing garanderen. Ze creëren echter voorwaarden voor een vredesproces, waarin de bevolking ter plaatse zelf de oplossing kan zoeken. Uiteindelijk zullen de mensen, dat blijkt ook in Noord-Ierland, het zelf moeten doen.

Advertisements