1 maart 1999

Hoe moet het verder met Kosovo? De inspanningen die de internationale gemeenschap zich heeft getroost om de strijdende partijen tot elkaar te brengen, waren wel degelijk de moeite waard, maar kwamen te laat. Bovendien hebben de Kosovo-Albanezen als onderliggende partij in ‘Rambouillet’ een kans op een voor hen gunstig akkoord laten liggen. De verwachtingen die de internationale gemeenschap van de besprekingen had, waren echter te hoog gespannen: de guerrillia van het UÇK is nog relatief pril, en ook de Serviërs lijken niet bereid al in dit stadium volledig af te zien van de gewapende strijd.

Het antwoord op de vraag hoe het in Rambouillet bereikte ‘deelakkoord’ over Kosovo geëvalueerd moet worden, hangt samen met de verwachtingen die men heeft geuit bij aanvang van de onderhandelingen. De co-voorzitters van de conferentie, de Britse minister van Buitenlandse Zaken Cook en zijn Franse ambtgenoot Védrine, dachten aanvankelijk in termen van een nieuw ‘Dayton’. Dat was weinig realistisch, zo niet naïef. Vanuit zo’n optiek is het resultaat van Rambouillet een grote tegenslag.
Een vergelijking met ‘Dayton’ gaat echter mank: in Bosnië waren de strijdende partijen kort voor de vredesonderhandelingen oorlogsmoe; ze waren als het ware ‘uitgestreden’. Dat is in Kosovo niet het geval, wat ook de gevolgen zijn voor de burgerbevolking.. Ook al ging het er medio vorig jaar wel even heet aan toe, in Kosovo is de oorlog nauwelijks begonnen. De Servische militairen en het UÇK (Het ‘bevrijdingsleger’ van Kosovo) kunnen nog steeds elkaars bloed wel drinken.

Kwam het Europese initiatief om een conferentie als in Rambouillet te organiseren dan te vroeg? Nee. Indien er hoop is om escalatie van bloedvergieten te voorkomen, is elke poging om tot een oplossing te komen van belang. Alleen, in de beginfase van een dergelijke oorlog mag men van vredesbesprekingen de verwachtingen niet té hoog stellen. Verder moeten in die fase besprekingen uit de prestigesfeer gehaald worden. Helaas gebeurde dat niet. Europa klopte zich vooraf wat op de borst; het zou gaan bewijzen wat het waard was.
‘De Europese Unie (EU) is afgegaan door toedoen van het non- of deelakkoord van Rambouillet’, zo luidt dan ook het commentaar in diverse media. Ook dat is onzin. De pedanterie van de Europeanen – dat zij het varkentje wel even zouden wassen – is wellicht enigszins afgestraft, maar een snel resultaat zou in dit stadium, en met een nog jonge guerrillabeweging als onderhandelingspartner, een wonder geweest zijn. Ook de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Albright kon met haar optreden uiteindelijk weinig of niets bereiken. De fout ligt, nogmaals, bij het te hoog opschroeven van de verwachtingen aan het begin.

De inspanningen van de EU en de VS komen te laat
De EU en de VS hadden wel iets substantieels tot stand kunnen brengen, als zij vóór (of in) 1996 een ‘Rambouillet’ hadden georganiseerd. Tot 1996 was de strategie van geweldloosheid van ‘president’ Rugova dominant in Kosovo. Die strategie bracht geen opzienbarende resultaten, maar was functioneel for the time being. Bloedbaden werden verhinderd en Rugova verwierf prestige en gezag in het Westen en daarbuiten (onlangs werd hij voor zijn vreedzame stijl van politiek bedrijven overigens nog bekroond met de Sacharov-prijs). Indien men in die tijd Servië krachtig onder druk had gezet om de autonomie in Kosovo te herstellen, of dit bijvoorbeeld had gerelateerd aan het akkoord van Dayton, zou dit door Miloševic zonder meer aanvaard zijn.

De wending kwam na de tumultueuze zomer van 1996 in Albanië, toen daar de wapendepots werden geopend en de zwarte markt zich meester maakte van de inhoud ervan. Even belangrijk is dat rond dezelfde tijd radicale Kosovo-Albanezen besloten de strategie van lijdelijk verzet van Rugova vaarwel te zeggen, en te kiezen voor de weg van de guerrilla. Daarmee was de geest uit de fles. Een jonge guerrillabeweging is sterk gemotiveerd, overschat zichzelf vaak en wil ook het eigen volk overtuigen van de juistheid van de gemaakte keuze. Kortom, ze wordt gekenmerkt door onverzoenlijkheid en een radicale opstelling. Dit in ogenschouw nemend, is het ‘bijna-akkoord’ van 23 februari, waarbij de Albanezen – zij het zonder handtekening – akkoord gingen met autonomie voor Kosovo binnen Servië gedurende minimaal drie jaar, opmerkelijk te noemen.
Hetzelfde geldt voor de concessies van de Serviërs om Kosovo een eigen president, regering, parlement, rechtspraak en politiemacht te geven. Alleen de bewaking van de grens met de buurlanden zou in handen blijven van het Servische leger. Daarmee zou aan het onderdrukkende apartheidsbewind van de Serviërs in Kosovo een eind komen. Naar mijn overtuiging hadden de Kosovaren hier zonder meer voor moeten tekenen, hoe begrijpelijk het verlangen naar onafhankelijkheid ook is. Militair gezien is hun positie echter zwak in vergelijking met die van Servië (zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht). In elk geval is de Albanese positie niet zodanig, dat men zich de onbuigzaamheid kon permitteren van het niet-tekenen van een interimakkoord van drie jaar, met bovendien het vooruitzicht dat “de wil van de bevolking wordt verdisconteerd bij een definitieve regeling”

De Albanezen hadden ‘Rambouillet’ in februari moeten tekenen
Nu is niet onmogelijk dat de Serviërs op dit alles, of op delen van het akkoord, terugkomen op 15 maart, de datum waarop het overleg in Rambouillet volgens afspraak wordt hervat. Een misser dus voor de Albanese delegatie. Te meer omdat twee praktische consequenties van het ‘akkoord’, namelijk stationering van een buitenlandse vredesmacht en het neerleggen van de wapens door het UÇK, verreweg het heetste hangijzer blijken te zijn. Voor een prille guerrillabeweging is het nu eenmaal moeilijk de wapens waaraan ze hun macht ontlenen, neer te leggen. En voor de Serviërs impliceert het toelaten van een internationale vredesmacht in wezen het opgeven van de soevereiniteit over Kosovo.

Beide punten liggen uiterst gevoelig bij de respectievelijke achterbannen. Het was dus beter geweest, wanneer men in Rambouillet hierop in laatste instantie de onderhandelingen had kunnen toespitsen. Nu is zelfs een nieuw Servisch offensief niet uitgesloten. Recente Servische troepenconcentraties in Kosovo zouden in die richting kunnen wijzen, ook al ontkent Servië zelf.

Met zo’n nieuw offensief zijn we overigens terug bij af. De emoties zullen meteen oplaaien en hervatting van het vredesoverleg op 15 maart kan men dan wel vergeten. Anders gezegd: was het gezien dit risico wel zo slim dat de Albanese Kosovaren, evenals de organisatoren van de conferentie, de Servische delegatie hebben laten weggaan met een ongetekend akkoord? Ze nu weer terughalen naar Frankrijk zou wel eens een hele toer kunnen zijn.
Een lichtpunt is echter dat de Albanese Kosovaren op 25 februari een nieuwe schaduwregering hebben gevormd, onder leiding van een UÇK-politicus. Een soort ondergrondse regering, waarin nagenoeg alle groeperingen, ook de democratische beweging van Rugova, vertegenwoordigd zijn. Het UÇK een belangrijke plaats geven in de Kosovaarse politiek is van betekenis. Het zal daardoor voor het bevrijdingsleger gemakkelijker worden de wapens neer te leggen, als daartoe medio maart in Rambouillet wordt besloten.

Zover is het echter nog lang niet. Ik voorzie vertraging door het toestaan van overleg met de achterban tijdens of halverwege een vredesconferentie. Onderhandelaars dienen een mandaat tot het nemen van besluiten te hebben, anders dienen zij niet te participeren in de besprekingen. Het argument eerst met de achterban te willen overleggen, alvorens het bereikte akkoord te ondertekenen, was een zwaktebod. Zijn de twee conflictpartijen dan toch, zoals eerder gesuggereerd, nog te weinig strijdensmoe? Voor het niet of half slagen van de besprekingen in Rambouillet dragen ze overigens beiden evenveel schuld. Een zwarte piet kan in deze niet worden uitgedeeld. Op zich een winstpunt. Voor de voorstanders van de ‘houwdeegbenadering’ vanuit het Westen is dat echter een nadeel. Niemand kan zo immers ‘tot vrede worden gebombardeerd’, nog afgezien van de vraag of zoiets ooit mogelijk is. Beter gezegd: veeleer hebben bombardementen een effect dat haaks staat op het bereiken van vrede. Het drama op de zuidelijke Balkan is hoe dan ook nog niet ten einde.