23 maart 1999

De NAVO staat op het punt luchtaanvallen uit te voeren op Joegoslavië. Het Westen maakt zich echter schuldig aan selectieve verontwaardiging. Bovendien ontbreekt voor zulke luchtacties een internationale rechtsbasis en dreigt verdere escalatie van het conflict, met veel onschuldige slachtoffers als gevolg. Ook het sturen van grondtroepen biedt geen uitweg: conflicten in het verleden hebben bewezen dat interventie in een burgeroorlog eerder een averechts effect heeft. Servië moet bij voorkeur via ver(der)gaande sancties op de knieën gedwongen worden.

Het ziet er niet goed uit voor Kosovo. Sinds de OVSE-waarnemers, die het niet slecht deden, zijn vertrokken, lijkt de beer weer los. Servië gaat kennelijk de confrontatie met de NAVO niet uit de weg. Zoals de westerse bemiddelaars opereren met het mes op de keel, laten ook de Serviërs deze methode niet onbeproefd. Het is namelijk een methode die de Serviërs vanuit een communistische traditie en gewelddadig Balkanverleden zelf ook met verve weten te hanteren. Lik op stuk geven, heet dat. De Servische reactie is verwerpelijk, maar kon het Westen met zijn geweldsstrategie iets anders verwachten?

‘Nieuwe Wereldorde’
De vraag is of wij niet precies hetzelfde doen als de Serviërs. Er is voortdurend gedreigd met NAVO-luchtaanvallen, ook in Rambouillet. Bovendien stemden de 1400 OVSE-waarnemers door hun vertrek uit Kosovo in wezen in met bombardementen. Ze hadden karakter getoond, als ze zouden zijn gebleven. Hoe bedenkt men het om in deze situatie de Kosovaren geheel aan hun lot over te laten? Deze laakbare strategie van blufpoker, waarbij het doel alle middelen lijkt te heiligen, moest wel vastlopen. Een strategie, die inherent is aan de omstreden ‘nieuwe wereldorde’, welke erop neerkomt dat zonder rechtsbasis en naar willekeur met harde strafexpedities gedreigd wordt, om deze vervolgens toe te passen als het nodig geacht wordt. Willekeur in die zin, dat de praktijk uitwijst dat niet álle tegenspelers of schenders van mensenrechten dit geweldsjuk moeten ondergaan, op het moment ze niet willen luisteren. Op z’n minst zijn ‘bevriende’ landen als Turkije en Israël hiervan gevrijwaard. Alleen dat al maakt duidelijk dat we met deze koers een heilloze weg zijn ingeslagen.
Positief was, dat Europa en de VS zich eindelijk écht gingen bemoeien met de kwestie-Kosovo, en de conflictpartijen in Rambouillet bij elkaar brachten. Het is van belang dat de twintigduizend vredestroepen in Kosovo worden toegelaten. Die zijn absoluut nodig om het (bijna-)akkoord via ‘peacekeeping’ te bewaken. Echter, het wreekt zich nu dat we de laatste jaren de positie van de VN hebben laten verzwakken. NAVO-troepen zijn in Oost-Europa nu eenmaal omstreden. Het Westen veronachtzaamt dit, want het wil in dezen helaas niets liever dan de VN buiten spel zetten. Dat de Amerikaanse president Bush zich bij de operatie Desert Stormnog uitdrukkelijk beriep op resoluties van de VN-veiligheidsraad, was vooral om het verzet tegen militair ingrijpen van het toen nog door de Democraten beheerste Congres te breken. Het is onthullend dat vele Amerikanen de door Roosevelt zo gepropageerde internationale rechtsorde, meer en meer als ‘onzin’ zijn gaan beschouwen.

Arrogantie
De NAVO kan hoe dan ook een land als Joegoslavië niet dwingen tot het toelaten van vredestroepen, zeker niet zonder een internationale rechtsbasis. Het getuigt van onze westerse arrogantie als men beweert dat dit wél kan. Dwingt men een land echter toch, dan is er sprake van het veroorzaken van oorlog. In Kosovo kan men bovendien niet volstaan met het sturen twintigduizend soldaten, maar zal het Westen – Rusland zal hier nooit aan mee doen – minstens het tienvoudige van dat aantal moeten ophoesten. Er zal, anders dan nu in Bosnië geval is, écht moeten worden gevochten. Soldaten hebben daar, zonder een vijandbeeld en zonder het gevoel bedreigd te zijn, de motivatie noch de wil voor.
Het is begrijpelijk dat minister Van Aartsen in de Tweede Kamer steeds volhoudt dat dwangmatige militaire interventie in Servië niet aan de orde is. Het zou louter om luchtaanvallen gaan. Een land ‘bombarderen tot vrede’ is echter een paradox; bommen hebben juist een tegenovergesteld effect. Ze roepen haat en wraak op en werken zeer verhardend, zoals we zagen in Vietnam. De Serviërs zullen als één man (en vrouw) achter hun leider gaan staan, en aan hun frustratie over zoveel luchtgeweld uiting geven via represailles aan het adres van (Kosovaarse) burgers en hulpverleners.
Columnist Koen Koch voorspelde terecht een “orgie van geweld”. Volgens hem zou deze ontstaan “in de te lange periode tussen luchtaanvallen en de komst van NAVO-grondtroepen”. Hij meent dat daardoor “luchtaanvallen (…) geen oplossing (…), maar deel van het probleem” worden (Trouw, 13 maart 1999). Ik zie dat ook zo. Koch verwacht, anders dan minister Van Aartsen, de stationering van grondtroepen na een bombardement. En inderdaad, als men kiest voor bombarderen, vormen troepen uiteindelijk een noodzakelijk vervolg daarop. Bommen op Servië zullen zeker schade toebrengen en doden veroorzaken, maar leiden volgens generaal-majoor b.d. Schaberg in het verdere verloop slechts “tot een patstelling, waarin niemand kan winnen” (Het Parool, 3 november 1998). Gezien de Servische volksmentaliteit is dit niet ondenkbaar. Zo’n patstelling zal gezichtsverlies bij de NAVO tot gevolg hebben, waardoor voor het bondgenootschap militaire interventie ín, en dus totale oorlog mét Servië onvermijdelijk wordt.

Leergeld
In de tussentijd zullen, zoals gezegd, door represailles van Servische zijde vele onschuldige burgers het slachtoffer zijn. Vanuit die optiek verdient een directe militaire interventie de voorkeur boven luchtaanvallen. Nochtans is ook militaire interventie in Servië, al of niet als follow-up van luchtaanvallen, af te raden. Hebben we met Somalië en Libanon niet genoeg leergeld betaald? Ik geef vier redenen waarom militaire interventie in burgeroorlogen meestal gedoemd is te falen.
1) Soldaten zijn opgeleid voor een frontsituatie. Burgeroorlogen kennen echter geen duidelijke frontlijn.
2) Extern geweld toevoegen in een burgeroorlog heeft, zoals onderzoekers aantonen, bijna altijd een escalerend effect. Zeker in de eerste, hete fase van de oorlog, waarin men nog niet is moegestreden. (Anders dan nu in Kosovo was dat laatste uiteindelijk wel het geval in Bosnië vlak voor ‘Dayton’.)
3) Militaire interventie neemt de oorzaken van het conflict niet weg, maar veroorzaakt nieuwe haat en wraakgevoelens.
4) Bij militaire interventie wordt men als buitenstaander zélf partij in het conflict. Men wordt dan onderdeel van een ‘kluwen’, zoals in Somalië, of, in het geval van Kosovo, ‘de gewapende arm’ van het UÇK, het Kosovo Bevrijdingsleger. Het tegendeel van een ‘vredesoperatie’ dus.

Kortom, er is ten aanzien van de kwestie Kosovo onder politici: a) te weinig kennis van de patronen van actie en reactie bij het toepassen van ‘geweld voor vrede’ en b) te veel geloof in de effectiviteit van de militaire weg. Als Nederland zich niet uitspreekt tegen NAVO-bombardementen op Servië, zijn we mede verantwoordelijk voor een catastrofe die daarvan het gevolg zal zijn. In plaats van de riskante, zogenaamde ‘snelle militaire weg’, zullen we alternatieve wegen moeten zoeken om Servië in het gareel te krijgen. Is Servië bijvoorbeeld niet afhankelijk van de gastoevoer uit Rusland? Servië is militair vrij sterk, maar economisch zeer kwetsbaar. Brachten harde sancties Miloševic in 1993 er niet toe het vredespad in te slaan, wat in 1995 tot ‘Dayton’ leidde? Het betrof een totale handels- en olieboycot, die Servië in drie jaar tijd voor honderd miljard gulden schade toebracht. Het instellen van dergelijke boycotten biedt vele malen méér kansen dan het uitvoeren van luchtaanvallen.

Advertenties