7 april 1999

De Servische repressie in Kosovo is bekend. Ik was er in 1994 in het kader van een vredesdelegatie, sprak met Rugova en functionarissen van zijn schaduwregering en voelde overal de druk van apartheid. De situatie was echter heilig vergeleken met nu, na ruim een jaar guerrilla van het UÇK (het ‘Kosovo Bevrijdingsleger’) en na ruim twee weken NAVO-bombardementen, welke een drastische toename van het Servisch geweld tot gevolg hadden.

Merkwaardig is dat velen, ook de NAVO, de wisselwerking van dat actie- en reactiepatroon ontkennen. Alles wat er nu gebeurt, was van tevoren gepland, heet het. Zelfs Eurocommissaris Hans van den Broek heeft dat in een tv-uitzending betoogd. Zouden de CIA en andere inlichtingendiensten dat dan niet geweten hebben op het moment dat men besloot tot bombarderen? Zo ja, dan draagt het Westen een zware verantwoordelijkheid. De genoemde wisselwerking van actie en reactie in een geweldsconflict negeren, staat haaks op elke elementaire vredesvisie. Onomwonden partij kiezen tegen één der conflictpartijen, deze dehumaniseren en vervolgens ‘uitdrijven’, wordt dan al gauw de enige optie. Ik stel daarom voor dat men zich niet primair richt op de vraag hoe slecht het regime wel is, maar dat men zich concentreert op de strategie hoe te komen tot meer gerechtigheid en vrede in de regio.

Dit te meer, omdat de twijfel toeneemt inzake de huidige strategie. Zowel in Brussel als de VS zette men onlangs vraagtekens bij het eindresultaat van het bombarderen. Was men niet te kort door de bocht gegaan en had men met de luchtaanvallen niet een enorme gok genomen, die men nooit had mogen nemen?

We zagen hetzelfde in november 1998, toen de NAVO ter wille van de 50.000 vluchtelingen in de bergen van Kosovo Servië dreigde met luchtaanvallen, terwijl eenieder kon zien, dat deze juist daardoor van de regen in de drup kwamen: hulpverleningsorganisaties trokken weg en ook toen al werden represailles verwacht. Het schijnt erg moeilijk te zijn lering te trekken uit dit soort situaties. Dat bleek ook na het fiasco in Somalië. Het is nu pas dat hoge NAVO-militairen “erkennen dat ze belangrijke aanwijzingen over het hoofd hebben gezien” (NRC-Handelsblad, 2 april 1999). President Clinton blijkt enkele weken terug zelfs een waarschuwing van de CIA – dat je Milosevic niet tot de onderhandelingstafel kunt bombarderen – bewust in de wind te hebben geslagen. Was dat overschatting van de eigen Amerikaanse macht?

De westerse ‘specialisten’ zijn zwaar in de fout gegaan, omdat ze de ratio op de eerste plaats hebben gezet, en niet het op de Balkan zwaar meetellende gevoel. Het is onthullend dat zelfs ‘Balkan-expert’ Misha Glenny stelde dat “enkele bombardementen genoeg” waren om Milosevic te laten inbinden (de Volkskrant, 2 april 1999). Die specialisten hebben ook steevast de Kosovaarse schaduwpresident Rugova onderschat, zo niet gekleineerd; de man die de Servische geest tot in zijn tenen kent en daarom medio ’97 Roel van Duijn over een mogelijke gewapende opstand liet weten: “Albanees geweld leidt alleen tot de ondergang, het is het perfecte voorwendsel voor de Serviërs ons allemaal af te maken” (Trouw, 31 maart 1999).

Sommige columnisten doorzien gelukkig ook de wisselwerking van actie en reactie bij geweld. Marcel van Dam: “Een kind kon voorspellen dat de bombardementen de humanitaire catastrofe zouden verergeren” en hoe kon, zo voegt hij er aan toe, het Westen ooit zo stom zijn in Rambouillet een dictaat op te leggen van slikken of stikken, terwijl (in mijn termen) dat mes op de keel militaire acties impliceerden die “niet afdoende zijn om het beoogde resultaat te bereiken” (de Volkskrant, 1 april 1999).

Henry Kissinger veegt ook de vloer aan met ‘Rambouillet’, omdat het slechts gebaseerd was op het dreigen met luchtacties. Er werden zozeer zaken door de strot geduwd, dat het UÇK uiteindelijk “onder grote druk tekende, opdat de NAVO dan de gehate Serviërs zou aanvallen”. Hetgeen, zo voegt hij er aan toe, “Milosevic kan hebben verleid tot het opvoeren van de strijd tegen het UÇK voordat de eerste bommen vielen” (de Volkskrant, 3 april 1999). Ook Kissinger signaleert dus het patroon van actie en reactie.

Trouwens, mensen als MientJan Faber (“een bloedbad van grote omvang kondigt zich aan” (de Volkskrant, 22 maart 1999)), Michael Stein (Serviërs zullen luchtaanvallen gebruiken “als alibi” voor wraak op de Kosovaren (NRC-Handelsblad, 25 maart 1999)) en columnist Koen Koch (luchtaanvallen worden “onderdeel van het probleem”, omdat er na deze aanvallen “een orgie van geweld zal plaats vinden” (Trouw, 13 maart 1999)) hebben allen tevoren gewaarschuwd voor de gevolgen. Dick Verkerk spreekt over bombardementen als “het verkeerde middel” en generaal-majoor b.d. J. Schaberg over een “onjuist besluit”, waardoor de haat tussen Serviërs en Albanezen “sterk is aangewakkerd” en “we in een grotere wanorde en in een gevaarlijker situatie eindigen dan vóór de luchtoorlog” (Algemeen Dagblad, 2 april 1999).

De relatie tussen de luchtaanvallen en de humanitaire tragedie zal echter blijvend opgeld doen, als de NAVO nu kiest voor het opvoeren van de luchtaanvallen en het stellen van de hardst mogelijke voorwaarden aan Servië. Op zo’n manier kan het heel lang duren voor het geweld ophoudt en men tot elkaar komt, zoals ook in Noord-Ierland het geval was. Als partijen niet bereid zijn tot concessies, omdat eerst de ander geheel op de knieën moet, is een uitzichtloze en totale oorlog het voorland.

Ik bepleit dat juist de NAVO een eerste gebaar maakt. Ik heb daar vier argumenten voor.

1) De boven gesignaleerde wisselwerking geldt ook omgekeerd. Zoals elke afgevuurde raket olie op het vuur gooit en de humanitaire ramp in Kosovo verhevigt, heeft het (tijdelijk) daarmee stoppen een tegenovergesteld effect. Het alibi voor wraakneming bij de Serviërs valt dan weg.

2) De NAVO kan dat gebaar maken, omdat zij tot voor kort in het conflict tussen Serviërs en Kosovaren een buitenstaander was en als zodanig, ook al draagt Servië voor het Kosovo-conflict de hoofdschuld, formeel de aanval op Servië begon. De Servische wraak op de Kosovaren, leidend tot een massale uittocht, is buiten proporties, maar mag geen alibi zijn voor de NAVO géén adempauze in te lassen.

3) Strafexpedities, waar het huidige NAVO-optreden op neer komt, kunnen gemakkelijker worden opgeschort of gestopt dan een echte oorlog tussen twee partijen, zoals die tussen Servië en het UÇK. Als de VS of de NAVO zo graag een soort politieagent van de wereld willen zijn, laten zij dan ook als zodanig fungeren, nu zij in een fuik beland zijn. De politie probeert als twee mensen elkaar te lijf gaan, ze van elkaar te scheiden zonder zelf partij te worden en zal, als dat per ongeluk wel gebeurt, zeker meteen stoppen als de sterkere van de twee ophoudt met vechten. Anders is de politie immers zelf aan het oorlogvoeren. Hetzelfde kan gezegd worden van de NAVO, als deze nu van geen ophouden weet en ook elk signaal van Servië negeert.

4) Er zal ooit met Milosevic een deal moeten worden gesloten. Te meer omdat het enige alternatief een veel soldatenlevens kostende en langdurige grondoorlog is, die voor het Westen bovendien kan eindigen in een soort Vietnamdebacle.

Voor vredesmensen is bemiddeling hoe dan ook de enige uitweg. Een staakt-het-vuren is daarbij van belang, omdat bemiddelaars als VN-secretaris-generaal Kofi Annan, de Israëlische oud-premier Peres of een Russische staatsman dan pas echt zinvol aan de slag kunnen gaan.