1 mei 1999

Dit is de integrale tekst van een lezing uitgesproken op de ‘1-mei-dag’ van de PvdA-afdelingen van Anna Paulowna, Harenkarspel, Schagen, Wieringen, Den Helder, Niedorp, Wieringermeer en Zijpe, gehouden in zaal Igesz te Schagen.

Ik weet niet of jullie straks figuurlijk gesproken allerlei bommen op me af gaan vuren. Misschien bevind ik me wel in het hol van de leeuw. Ook onder mijn eigen kennissen bespeur ik dat de oorlog polarisatie teweegbrengt. Mensen kiezen partij, er worden vijandbeelden gevormd en dan ‘hoort’ men vaak alleen wat bij dat beeld of bij het eenmaal ingenomen standpunt past. Oorlogen polariseren en brengen vaak aan de oppervlakte hoe we zelf zijn inzake conflicten: houwdegens, duiven of iets daartussenin. Consensus zit er dus nog niet in, denk ik. Ik ben al blij als ik mijn argumenten op tafel mag leggen, dat dan doe vanuit een zekere kennis van het gebied – ik was er meerdere malen -, vanuit betrokkenheid en ook een zekere expertise van iemand die als antropoloog studie deed naar etnische conflicten en die zich bovendien bewust tracht te zijn van de patronen van actie en reactie bij geweld.
Hoe dan ook, het militarisme is ook in het Westen nog niet weg. We waren het bijna vergeten. Het is er op het grondvlak. In de kringen van de columnisten wordt gesproken over de ‘nieuwe haviken’. Het is er echter ook aan de top. Een Engelse buurman van me, een hoogleraar taalkunde, liet weten: “De houding van Blair valt me erg tegen, zoiets kon je verwachten van Thatcher, maar van Blair?”.
Het gaat mij in mijn verhaal niet om hoe slecht het Servische regime is – dat is bekend – of hoe humanitair ons hart wel is. Dat laatste is natuurlijk belangrijk, maar zijn er in naam van het goede niet heel wat wandaden verricht? Ik moet de politici niet beoordelen op hun hart, maar of de door hen gekozen middelen wel deugen. Dus nu: of de keuze voor high-tech-bombarderen wel goed doordacht is, al of niet een slag in de lucht of een grote gok was, of mogelijk een machteloze actie van ‘we moeten iets doen’. Zei NAVO-secretaris-generaal Solana niet: “We hebben het dan tenminste geprobeerd”? En wat mij betreft, geldt tevens de vraag of er in dat beleid ook een stuk vredesvisie is te bespeuren.
Ik wil niet vooruit lopen op mijn betoog, maar de balans zou wel eens minder goed kunnen uitvallen dan we willen. Vandaag, 1 mei, schrijft Jan Bezemer in Trouw: “De NAVO-landen en hun ogen en oren in Joegoslavië weten niet goed raad met de situatie en geven schoorvoetend toe dat ze zich hebben vergist”. Dat is niet mis; een paar weken terug waren die signalen al te horen in Brussel en New York.
Maar ik begin bij Rambouillet. Grondfout van het Westen daar, was dat het in wezen dezelfde methode hanteerde als waarmee Servië en het UÇK, de ‘Bevrijdingsbeweging van Kosovo’, elkaar te lijf gaan. Wat het Westen deed, was beide niet aan dezelfde tafel maar apart zittende partijen (sic!) het mes op de keel zetten en zo proberen hen te dwingen akkoord te gaan met een dictaat. Indien men weigerde, zouden bombardementen het gevolg zijn.
Deze dreigstrategie was verwerpelijk en gevaarlijk, omdat:
a) ze één der partijen in principe de gelegenheid gaf de ander de zwartepiet toe te spelen door tactisch met het dictaat akkoord te gaan, wetend dat de ander dat (nog) niet kon;
b) men wist dat de Serviërs vanuit de gewelddadige Balkentraditie hierop wel raad wisten, in de zin van het geven van lik op stuk;
c) de NAVO ter voorkoming van gezichtsverlies moeilijk meer terug kon, indien één der partijen niet onder dat juk door wilde gaan en dus zou blijven weigeren.

Het eerste is ook gebeurd. Het UÇK weigerde eerst te tekenen. De Albanese journalist Haxhiu, die aanwezig was in Rambouillet en nu in Macedonië zit, zei op 30 april in een interview in de Volkskrant onder de titel ‘UÇK mag niet de overwinnaar worden’: “We probeerden het UÇK te overtuigen, maar tevergeefs. De Albanezen hebben in Rambouillet een historische fout gemaakt en dat hebben we grotendeels te danken aan dat stomme UÇK-leger”.
Dat Rambouillet werd verdaagd, was inderdaad een misser. Beide delegaties moesten weer terug voor overleg met het thuisfront, waardoor in de tussentijd de Serviërs, die het idee hadden gekregen dat met het UÇK niet te praten viel, konden komen met hun ‘Operatie Hoefijzer’: een operatie gericht op uitschakeling van het UÇK nog voordat er een akkoord zou zijn. Dat is later uitgelegd als een welbewust plan tot etnische zuivering, maar dat lijkt onjuist; het ging er hun om, het UÇK tijdig snel ‘kalt te stellen’.
En daarmee werd een fataal proces in gang gezet. Fataal ook voor de burgers, mede omdat het UÇK opereerde in of met gefortificeerde dorpen, die daardoor doelwit werden van Servisch geschut. Dit, terwijl de Serviërs bovendien elke Albanese man gingen zien als een potentiële UÇK-er. En fataal ook, omdat de NAVO in het proces al zo dicht naar het UÇK was opgeschoven, dat zij deze Operatie Hoefijzer verkeerd interpreteerde. De beginfout aan Albanese kant was eenmaal geschied, hoewel intern beraad onder de Albanezen het UÇK er na enkele weken, bij de tweede gelegenheid in Ramboulliet, toe had gebracht toch maar wel te tekenen. Generaal-majoor bd Couzy zei in een spreekbeurt: “De VS probeerden de partijen een akkoord door de strot te duwen dat Albanezen alleen tekenden omdat ze wisten dat Milosevic het niet zou doen” (Het Parool, 26 maart 1999). De Serviërs deden dat inderdaad toen niet meer.
Onder de Serviërs had het idee postgevat dat ze moesten kiezen tussen het accepteren van luchtaanvallen en het op termijn onafhankelijk worden van Kosovo of aansluiting bij Albanië. De Kosovaren zouden na drie jaar de autonomie mogen evalueren, waarna zij zich mogelijk sterk zouden maken voor afscheiding. Vooral ook vreesden de Serviërs dat de NAVO-vredesmacht de zijde van het UÇK zou gaan kiezen.
Ik sta hier bij stil omdat je, net als bij persoonlijke conflicten, ook moet proberen je in te leven in de angsten en visies van de tegenspeler. En omdat het duidelijk maakt dat:
a) zoals meestal bij echtscheidingen, niet één, maar alle (drie) partijen boter op hun hoofd hebben, in casu verantwoordelijk zijn voor het mislukken van Rambouillet;
b) het idee dat diplomatie niet meer mogelijk was en dat men dus niet anders kon dan bombarderen, herleid moet worden tot rechtvaardiging en propagandaretoriek door de NAVO en
c) we hier het prototype van versimpelde vijandsbeelden tegenkomen.

Alle partijen opereerden in Rambouillet vanuit het eigen versimpelde vijandsbeeld, zonder zich te verdiepen in dat van de tegenspeler. Hierbij wordt al gauw de fout gemaakt dat men de dreiging doorzet op grond van de veronderstelling dat de ander dan wel een stap terug zal doen, zonder zélf daartoe bereid dan wel nog in staat te zijn, omdat men als het ware beland is een fuik van escalatie.
Wat dat versimpelde vijandbeeld betreft: opmerkelijk is dat het Westen niet begreep hoe de NAVO, anders dan de VN, in delen van Oost-Europa nog werkt als een rode lap op een stier, en hoezeer er allerlei verhalen de ronde deden over Milosevic. Deze zou bijvoorbeeld niet gevoelig zijn voor praten, alleen voor geweld; dat was immers de taal die hij verstond. Ook zou Milosevic vlak vóór het bombarderen, of net na het vallen van de eerste bommen door de pomp gaan. Allemaal verhalen die niet klopten.
Bijna alle westerse ‘specialisten’ zijn hier ook de fout ingegaan, omdat ze de ratio voorop stelden en niet het gevoel, dat juist zo zwaar telt op de Balkan. Zelfs de ‘Balkan-expert’ Misha Glenny stelde dat enkele bombardementen genoeg zouden zijn om Milosevic te laten inbinden. Die specialisten hebben ook steevast de geweldloos opererende Kosovaarse schaduwpresident Rugova onderschat, zo niet gekleineerd. Rugova was de man die in acht jaar tijd een soort ‘Gandhiaanse’ tegenbeweging had opgezet, met allerlei schaduwinstellingen. De man ook, die de Servische geest tot in zijn tenen kent en die in 1997 aan Roel van Duyn over een gewapende opstand liet weten: “Albanees geweld leidt slechts tot de ondergang, het is het perfecte voorwendsel voor de Serviërs ons allemaal af te maken”. Een vooruitziende opmerking, naar het lijkt.
Hoe dan ook, door de genoemde ‘mes-op-de-keelmethode’ van het Westen in Rambouillet, werden de huidige NAVO-bombardementen -men kon op een gegeven moment niet meer terug- onvermijdelijk om redenen van geloofwaardigheid. Maandenlang hadden we gedreigd en gedreigd. Vooral Madeleine Albright. Haar is de laatste tijd hierover een heimelijk verwijt gemaakt. We waren er dus ingesukkeld voordat we het wisten. Na zo’n veertig dagen standhouden door Milosevic, realiseren we ons wellicht dat we er zijn ingetuind.
De bombardementen moeten worden gezien als gewelddadige strafexpedities, eigenmachtig, arrogant en onrechtmatig, zij het onder het mom van het humanitaire aspect. Bommengeweld heeft nu eenmaal een rechtvaardiging nodig, na Hiroshima (‘de Japanse militaristen nog even extra intimideren’, toen de strijd reeds in een eindfase was) en na Hanoi (‘het Vietnam-communisme een halt toeroepen’, bombardementen die de Vietnamezen nog veel verbetener maakten). Straf? Solana zei vanaf het begin dat het geen oorlog was tegen de bevolking, maar een pak slaag vanwege het feit dat het dictaat van Ramboulliet niet werd getekend. Gezien de destructie, de doden ‘per ongeluk’ – gisteren vielen er weer drie te betreuren en vandaag waren het zelfs twintig Kosovaren die op een brug het leven lieten; zij zijn het toch voor wie we het zeggen te doen – en gezien ook de grote psychische druk, zullen de mensen in Servië dit echter uiteraard anders beleven.
‘Humanitair bombarderen’ heet het thans. Hoe bedenkt men het? Toch werkt zo’n rechtvaardiging bij de basis. In het begin althans. In de Tweede Kamer ging bijna iedereen plat, zelfs de fractie van mijn eigen partij GroenLinks. Men dacht dat bombardementen de Kosovaarse burgers, die we op het tv-scherm zagen trekken naar een hoger gelegen dorpje, zouden helpen. Dat was en is bedenkelijk en naïef. Bedenkelijk, omdat het zelfs na de mislukkingen in Somalië en Libanon nog steeds getuigt van (te veel) geloof in de militaire weg bij conflictoplossing; alsof het toevoegen van geweld aan een geweldssituatie niet bijna altijd averechts en escalerend werkt. Naïef, omdat het getuigt van onbenul inzake de patronen van actie en reactie na het toepassen van (bommen)geweld. Te meer omdat herhaaldelijk is gewaarschuwd dat bombarderen verhardend werkt en in wezen functioneert als olie op het vuur. Het leidt tot haat en grotere verbetenheid bij degenen die het doelwit zijn van de bommen en ook tot het afreageren van de woede hierover op derden.
Die waarschuwingen zijn in de wind geslagen. Een vergelijking met Dresden of Vietnam zou niet opgaan, zo werd me bijvoorbeeld toegevoegd toen ik in oktober 1998 waarschuwde voor de gevolgen van bombardementen. Vreemd. Te meer omdat het mechanisme van het afreageren van ergernis op een zondebok, als je doelwit bent van geweld, een overbekend psychologisch gegeven is. Politici behoren dat te weten. Nu krokodillentranen plengen over de wraakacties van al of niet informele Servische benden in Kosovo op ongewapende burgers komt dan ook weinig geloofwaardig over. Door het sanctioneren van de bombardementen zijn politici zelf -ik zeg dat bewust, omdat zij de gevolgen van hun beslissingen tevoren moeten doordenken- medeverantwoordelijk voor het leed dat thans in hoge mate wordt toegebracht aan onschuldige Kosovaren.
Die bombardementen hadden -ook daar zijn de politici die dat sanctioneerden voor verantwoordelijk- tevens het uiterst betreurenswaardige gevolg, dat de 1400 OVSE-waarnemers Kosovo verlieten. Die ongewapende waarnemers deden het niet slecht. Ze bemiddelden vaak tussen de Serviërs en het UÇK, maar waren vooral door hun aanwezigheid als pottenkijkers functioneel. De oorlog tussen de Serviërs en het UÇK stopte niet, maar er ging van hen nochtans een preventieve en geweldsindammende invloed uit.
Pas nu dringt dat door. Ze hadden moeten blijven en met meerdere waarnemers moeten zijn aangevuld. Dat de waarnemers de Kosovaren aan hun lot hebben overgelaten, is te wijten aan de laakbare strategie van blufpoker en van ‘het mes op de keel’ in Ramboulliet, met de bombardementen als onvermijdelijk vervolg.
Ik sprak over naïef en bedenkelijk. Bedenkelijk is ook dat de NAVO een verstrekkend besluit nam zonder veel kennis van de Balkan. Je kunt niet een oorlog beginnen vanuit een abstracte mensenrechtenideologie, zonder de complexe Balkancontext en zijn geschiedenis daarin te betrekken. De Balkan is een soort Derde Wereld, waar het beschavingsvernisje dun is, waar mensenlevens bij bepaalde groepen minder tellen, zeker als de emotie over en door (tegen-)geweld gaat spelen. Bovendien vertelt de historie ons dat sinds de desintegratie van het Turks-Osmaanse Rijk in de vorige eeuw, ieder volk, ook het Griekse, aan etnisch zuiveren heeft gedaan in het kader van ‘landje pik’ (zie ook het Midden-Oosten na 1947).
Etnisch zuiveren is dus latent aanwezig op de Balkan, zeker ook bij de Serviërs. Via geweld kun je dat gemakkelijk manifest maken. De NAVO had dat moeten weten. Het UÇK natuurlijk ook, maar dat was zich ervan bewust dat zijn tegengeweld aan het adres van Servië gelijk stond aan het spelen met vuur en dat de ‘gewonde’ Servische beer – gewond door het kortwieken van de staat na twee verloren oorlogen door het uiteenvallen van Joegoslavië – zich niet lang zou laten tarten. Het UÇK nam echter dat risico, dus ook dat het etnisch zuiveren weer manifest kon worden. Mede omdat het bevrijdingsleger geweld zag als de enige manier om de NAVO in het conflict te betrekken. En daar is het Westen ingetuind. Ik hoor het Albanezen in Nederland nog zeggen: We moeten geweld gebruiken, anders komt er geen aandacht en geen militaire steun van het Westen voor onze zaak. Een zaak, die ik zelf overigens steun voor zover het de doeleinden betreft, want ik vind herstel van autonomie voor Kosovo geheel gerechtvaardigd. Een geweldsstrategie heb ik daarvoor echter altijd contraproductief en uiterst gevaarlijk genoemd.
Columnist Koen Koch zegt deze morgen in Trouw: “Politici beginnen te zien in welk moeras hun blinde vertrouwen op deze bombardementen hen heeft gezogen”. Bovendien: medewerkers van Madeleine Albright hebben verklapt dat ze Kosovo van de agenda af wenste te hebben bij het 50-jarig jubileum van de NAVO en daarom “geen diplomatieke uitstel wilde van de luchtoorlog” (De Groene, 28 april 1999). Onthullend. Een oorlog beginnen, is echter iets anders dan hem beëindigen. Daarvoor heb je de instemming nodig van de tegenspeler.
Hoe langer de NAVO-bombardementen op Servië voortduren, des te duidelijker wordt dat het gehanteerde middel erger is dan de kwaal, dat er sprake was van een onbezonnen en onbesuisd handelen, dat we kortom ons lelijk in de nesten hebben gewerkt, zodat we uit arren moede ons bijna smekend tot de Russen wenden voor een uitweg. Eerst wuifden we de Russen arrogant weg, nu hebben we ze ineens hard nodig, vooral om de NAVO te behoeden voor een politieke nederlaag. Want gezichtsverlies lijkt het allerergste te zijn in zo’n oorlog.
Gezichtsverlies is er echter al, aldus J. Goldsteijn, voorzitter van de Defensiebond van Soldaten (NRC-Handelsblad, 21 april 1999). In het licht van de rechtvaardigingen is de oorlog inderdaad reeds mislukt. Alles wat de NAVO niet wenste, heeft ze immers gekregen: grootschalige etnische zuiveringen, vluchtelingenstromen, destabilisatie in de regio, spanningen met Rusland, grote economische schade (ook in de buurlanden van Servië), opkomst van anti-westerse haatgevoelens. Tel uit je winst. Behalve in Albanië, is in alle buurlanden de bevolking in meerderheid tegen de bombardementen. De verhoudingen lijken dan ook zoek. Ik doel op het proportionaliteitsprincipe. Staat het toegepaste geweld, de negatieve effecten daarvan, en ook de risico’s die daardoor worden gelopen op korte en langere termijn wel in verhouding met de schending van de mensenrechten in Kosovo, vóórdat de NAVO overging tot bombarderen?
We zien op TV de grove schending van de mensenrechten die op dit moment plaatsvinden, en velen rechtvaardigen daarmee de luchtaanvallen. Begrijpelijk, maar onjuist, zeker als duidelijk wordt dat die een direct of indirect effect zijn van de bombardementen. Bij de proportionaliteit moet je kijken naar de situatie van de mensenrechtenschending op 23 maart en die vergelijken met gevolgen en de genomen risico’s nú.
Ik ben het nogmaals eens met Marcel van Dam, als hij de NAVO verantwoordelijk stelt “voor de omstandigheden die door de bombardementen zijn gecreëerd, waardoor de explosie van onmenselijkheid ontstond” (De Volkskrant, 15 april 1999). Ik zou niet graag in de schoenen staan van de NAVO en de politici die vaak zonder een echt debat hun goedkeuring gaven aan de bombardementen. Mient-Jan Faber zegt hierover: “Maak je geen illusie over de Nederlandse politiek, er is geen visie” (Hervormd Nederland, 17 april 1999).
De sociaal-democratie is in veel NAVO-landen aan de macht. Dat is op zichzelf goed. Bij ‘links’ zijn de doeleinden meestal prima, maar haar zwakte is dat ze zich soms zo emotioneel fixeert op die doelen, dat ze in de val trapt van het ‘all means’: het doel heiligt alle middelen, waarna al spoedig blijkt dat die het doel ondermijnen. Denken we maar aan het grote drama van het ‘reëel bestaande socialisme’, wat de geschiedenis in de betreffende landen 70 jaar heeft vertraagd en waarvan Oost-Europa nog lang de ellende zal ondervinden.
Ondanks het grote falen van het geweldsmodel van Lenin en ook de recente mislukkingen van militaire interventie, zoals in Somalië en Libanon, is er bij ‘links’ nog steeds te veel geloof dat de militaire weg bij conflictoplossing sneller werkt dan de niet-militaire. De praktijk wijst echter meestal anders uit. In Zuid-Afrika bleek het hebben van een lange adem juist een snellere weg.
De oorlog heeft haar eigen logica. Men wil winnen en dan worden automatisch grenzen verlegd. De grens tussen militaire en civiele doelen wordt dan steeds minder relevant, ook al zei de NAVO op 24 maart dat het bombarderen niet tegen het Servische volk was gericht. Bij de oorlogslogica hoort ook dat steeds de ander een eerste gebaar moet doen, terwijl juist de NAVO als groot machtsblok, en tot voor kort een buitenstaander in het conflict tussen de Serviërs en het UCK, in de positie is het prestige-element te overstijgen en via een adempauze een klimaat te helpen scheppen voor deëscalatie en onderhandelingen. Het feit dat ze dat niet doet, geeft aan dat ze partij is geworden in het conflict. Als ‘peacekeeper’ of crisisbeheerder mag dat overigens nooit. Door zelfs geen eerste gebaren te willen maken, maar juist het geweld te willen verhevigen om de ander maar murw te krijgen, is de NAVO helaas extra door de mand gevallen.

Kortom, we verkeren in een patstelling. Het zit vast. Niemand kan winnen. Ik voorspelde deze situatie in oktober 1998 in een radiodebat met Marijke Vos (GroenLinks). Vandaag schrijft NRC-Handelsblad in haar hoofdcommentaar: “Langzamerhand is het gepast om de vraag te stellen hoe de ontstane toestand zich verhoudt tot het doel dat Solana 23 maart formuleerde: a) voorkomen van meer menselijk lijden en b) voorkomen van uitbreiding van instabiliteit in de regio. De vele malen herhaalde rechtvaardiging voor de luchtaanvallen, dat ‘eens de dag zal aanbreken waarop Milosevic toegeeft’, voldoet met iedere actie minder. Het lijden van de Kosovaren is alleen maar toegenomen. De instabiliteit verbreidt zich met het uur over de rest van de regio. Een afzwaaier trof inmiddels (zelfs) de hoofstad van Bulgarije. De NAVO heeft met haar oorlog tegen Joegoslavië de proporties uit het oog verloren. Maar zij wekt de laatste dagen de indruk dat dit tot haar begint door te dringen”.
Eindelijk zou je zeggen. Er zijn echter krachten in de NAVO die zich desondanks verharden, en er niet voor terugdeinzen een uitzichtloze totale oorlog te beginnen, die in mijn visie dramatisch en bloedig zal worden, conform het Vietnam-debacle, en voorts nogal riskant voor het handhaven van de wereldvrede.
Misschien wordt het, als het nieuwe Russische initiatief ook mislukt, wel hard nodig dat er in het Westen van onderop acties komen om dat perspectief te verhinderen, acties onder de vlag van ‘Stop de bombardementen en maak ruimte voor onderhandelingen ten behoeve van een proces om het geweld van alle drie partijen te doen eindigen.’