26 mei 1999

De ex-kabouter Roel van Duyn, antroposoof, voorman van de Groenen en sinds kort lid van de NAVO, wil geen havik heten (Trouw, 13 mei 1999). Zijn verhaal lezend, zie ik echter met alle respect in hem ook niet het prototype van een duif. We hebben allen wel iets van een havik in ons. Oorlog polariseert en haalt het havikachtige in ons naar boven. We zagen dat ook bij de Falklandoorlog, toen Thatcher bijna iedereen meesleurde in haar oorlogsfanatisme.

Net als in de Koude Oorlog – van Duyn weet dat nog – wordt ook vandaag een ‘derde weg’ nauwelijks getolereerd. Sinds het conflict tussen Kosovaren en Servië tot een geweldsuitbarsting kwam, is ook bij ons ‘partij worden’ het parool. Meevechten met het UÇK (Kosovo Bevrijdingsleger) of met Servië is dan het meest consequent. De NAVO doet dat echter al voor ons, namelijk tegen Servië, en dus worden we symbolisch ‘lid’ van die club. Dat alles om aan te tonen dat we partij hebben gekozen.

Van Duyn en ik hebben beide Kosovo bezocht en hebben daar ook met schaduwpresident Rugova gesproken, in de periode van ruim acht jaar dat hij zijn volk meekreeg voor zijn bewonderenswaardige strategie van geweldloosheid. Ik was er in het kader van een vredesdelegatie in 1994. Van Duyn ontving ook de Nieuwsbrief Macedonie & Kosova, die ik samen met anderen in het leven riep om Nederlanders meer bewust te laten worden van de Servische repressie in Kosovo. Ik herinner me dat hij me om extra informatie vroeg, vlak voor zijn bezoek aan Kosovo in 1997. Reden te meer waarom zijn huidige stellingname mij, en ook velen van mijn antroposofische kennissen wat pijn doet.

Met huid en haar partijkiezen voor een conflictpartij, welke middelen deze ook toepast, lijkt een marxistische erfenis. Moesten we niet ooit door dik en dun partijkiezen voor de proletariër, in de geest van right or wrong, my underdog? De proletariërs bleken echter ook jegens elkaar geen heiligen en de verdrukte van vandaag kon plotseling de onderdrukker van morgen zijn. Zie bijvoorbeeld de houding van vele Israëliërs jegens de Palestijnen. Met het door dik en dun partijkiezen voor de underdog loopt men dus vast. Gerechtigheid en vrede als een elkaar versterkende twee-eenheid, ook in de zin dat de middelen een voorafschaduwing van het doel dienen te zijn, is een adequater concept. Zo koos en kies ik inzake Kosovo niet partij voor één van beide groepen, maar voor een rechtvaardige zaak, in dit geval voor op z’n minst herstel van de in 1989 door Servië aan Kosovo afgenomen autonomie en het ongedaan maken van de apartheid aldaar. En uiteraard ook voor de vredeskrachten in beide kampen.

Communicatie is net als in Noord-Ierland essentieel in zulke bevroren samenlevingen. Het Balkan Peace Team en Pax Christi werkten daar hard aan. Er waren prima dialooggroepen, maar toen het UÇK kwam met haar guerrilla en vooral toen de NAVO begon te bombarderen, stopten ze. Het werd ‘landverraad’ daar nog verder aan mee te doen. Vrede moet overigens van onderop worden opgebouwd. Als buitenstaanders kun je vrede niet afdwingen met geweld. We kunnen hooguit de conflictpartijen helpen bij het zoeken van een oplossing.

Ik deel Van Duyns “enthousiasme voor een gemengde samenleving”. Ook die kun je echter niet met geweld opleggen, zeker niet als buitenstaander. Dat opleggen heeft Tito geprobeerd via het communisme. Van Duyn ervoer het als positief. Later schrijft hij echter dat er “geen vergelijk mogelijk” is tussen christen-orthodoxen en de “orthodoxe islam van sommige Albanezen”. Onzin. De Albanese islam is zeer op het Westen gericht. De religie vormt echter voor de groepen een dekmantel voor hun strijd om grondgebied ten behoeve van de eigen etnische groep. Zowel onder het Turks-Osmaanse Rijk als onder het Tito-communisme werd de gemengde samenleving met geweld aan de Balkanvolkeren opgelegd, maar met de desintegratie van beide bleek echter meteen dat de natuur sterker is dan de leer. Sinds de vorige eeuw is etnische zuivering latent aanwezig in de Balkangeest, alles in het kader van ‘landjepik’ voor de eigen groep. Alle volkeren hebben daaraan meegedaan, zeker de Serviërs, maar ook de Grieken en Bulgaren.

De NAVO had moeten inzien dat je iets wat sluimererend of latent aanwezig is, manifest maakt via geweld. Daarom heeft Rugova, die de Serviërs door en door kent, steeds iedere bezoeker, ook Van Duyn en mij, gewaarschuwd voor een geweldsstrategie. Albanees tegengeweld zou leiden tot zelfmoord, aldus Rugova. Toch zijn zowel het UÇK, vanaf begin 1998, als ook de NAVO, in 1999, deze weg opgegaan. De NAVO in wezen reeds vanaf oktober 1998, via haar veelvuldig dreigen met bombarderen. Goed bedoeld, maar onverstandige westerse arrogantie van de macht. Balkankenners stelden dat je met zoiets niets, of juist het tegendeel bereikt. Met de strategie van geweld en dreigen roep je op de Balkan inderdaad het slechtste van het slechte op. De Servische beer tarten met guerrilla, zoals het UÇK deed, was emotioneel wel begrijpelijk, maar ook vanwege de ongelijke krachtsverhoudingen nochtans strategisch een misser. Dat geldt a fortiori voor het bommengeweld van de NAVO.

Van Duyn hoopte op een grondoorlog en verloor een weddenschap, toen die ook na vier weken uitbleef. Er is hierdoor en ook door de blunders wel aan zijn moreel “geknaagd”, maar hij blijft hopen op een militaire doorbraak, ook al ziet hij wel in dat de zoveelste bom op een brug in de Vojvodina weinig helpt. Na bijna twee maanden bombarderen een gotspe, zou ik zeggen.

De NAVO-operatie, die volgens de Amerikaanse minister Albright in één à twee dagen voorbij zou zijn en die ondanks de waarschuwingen van de CIA is doorgezet, is een grote tragedie aan het worden, met de burgers als slachtoffer. Ook de neveneffecten zijn al dramatisch of zullen dat worden. Politici moeten niet op hun goede doel worden beoordeeld, maar vooral of ze adequate middelen inzetten. Welnu een luchtoorlog blijkt het verkeerde middel. Het levert, net als voorheen in Vietnam, verbetenheid en haat op, die men afreageert op derden. In zo’n context kon het niet anders dan dat de etnische zuivering weer manifest werd en wel op zeer grote schaal. Tel uit je winst voor de NAVO.

Als Van Duyn dan zo voor een grondoorlog is, zou ik in zijn geval geen ‘lid van de NAVO’ zijn geworden, nu deze kwam met een volstrekt contraproductief middel, zoals vanaf het begin en zeker nu onthutsend duidelijk wordt. Gezien de vele blunders zou ik nu zelfs als Kosovaar, vanwege de directe gevolgen van de NAVO-luchtaanvallen, niet nog langer in Kosovo willen blijven. De ethicus prof. dr. Johannes de Graaf zei eens: “De rechtvaardiging van geweld is erger dan het geweld zelf”. Wat men in drift soms doet, is niet goed, maar is meer te billijken dan het rechtvaardigen daarvan. De rechtvaardiging van geweld is vaak een soort ideologie om emoties en de keuze voor geweld goed te praten. Dehumanisering van de tegenspeler is dan troef. Gandhi en King wezen het sterk af.

Ik meen dat Van Duyn, met alle respect en hoe goed ook bedoeld, zich meer en meer bevindt in het kader van deze rechtvaardiging. Hij noemtRambouillet zelfs “een onverdiende toegift aan de nationalisten van Belgrado”. Afgezien van het feit dat het terugkomen van Servië op de terugtocht van troepen in november 1998 niet is los te denken van nieuwe aanvallen van het UÇK op politie en burgers, vergeet Van Duyn dat ook het Albanese nationalisme in Kosovo niet probleemloos is. Hij mag dan geestdriftig zijn over een gemengde samenleving, maar met de grote Albanese meerderheid van 90 % is Kosovo minder gemengd dan hij ons voorhoudt. Rugova begreep dit probleem en ruimde daarom in zijn schaduwparlement 10% van de zetels in voor de Servische minderheid. Door indirect het UÇK, dat daar in meerderheid anders over denkt, aan te moedigen in haar confrontatie met Servië, heeft het Westen haar eigen ideaal van pluralisme een slag toegebracht.

Van Duyn verzwijgt dit en noemt zelfs het UÇK in het geheel niet. Maar wat te denken als een ex-kabouter een conferentie als Rambouillet al ziet als een onverdiende toegift? Ik zal het maar afdoen als een emotionele slip of the pen. Heel wat oorlogen zijn immers voorkomen via dialoog en onderhandeling. Ik ben echter om heel andere redenen weinig enthousiast over Rambouillet. Er was daar nauwelijks sprake van onderhandeling – de partijen zaten zelfs apart – en het Westen legde een soort dictaat van ‘slikken of stikken’ op. Vooral het karakter van de vredestroepen na het akkoord en tevens Appendix B van het Rambouillet-document, waarin de NAVO onder meer “ongehinderde toegang tot heel Joegoslavie (..) inclusief het recht op bivak en inkwartieren” eiste, zorgden ervoor datRambouillet mislukte. Geweld komt meestal voort uit ongeduld. Wat in Bonn via de G8 wel mogelijk bleek – vredestroepen onder de VN-vlag en geen vernederende appendix – kon niet in Rambouillet, omdat vooral minister Albright haast bleek te hebben.

Servië heeft een soevereiniteitscomplex. Dat bleek reeds in 1914, toen het de toegang van een Oostenrijks onderzoeks- en arrestatieteam inzake de moord op kroonprins Ferdinand weigerde. Met zulke complexen dient men rekening te houden. Vrede sluit je immers niet met je vrienden, maar met de ‘vijand’. Rambouillet onverdiend? Ik zou het mislukken ervan, als gevolg van westers ongeduld en dreigen, eerder een schande willen noemen.

In Bonn zijn recent onoverkomelijke breekpunten van Rambouilletgladgestreken. Indien er op basis van de G8-richtlijnen in Bonn een akkoord komt via de Finse en Russische bemiddelaars, zou wel eens kunnen blijken dat de NAVO-bombardementen en in hun kielzog de massale etnische zuivering hadden kunnen worden voorkomen. En wel als het Westen in Rambouillet wat minder star had geopereerd en de partijen echt en ook langer had laten onderhandelen. In dat geval had ik me ook Van Duyn kunnen blijven herinneren als de duif van vroeger. Niet dat er een trend is van duif naar havik bij het ouder worden. Nee, maar oorlog doet iets met ons.

Advertenties