17 december 1999

De militarisering van de mensenrechten, ofwel het voeren van een humanitaire oorlog staat op gespannen voet met zowel de veiligheid in de wereld als de internationale rechtsorde. Kort samengevat is dit de analyse die Paul Scheffer onlangs gaf van tien jaar westers militair interventionisme (NRC-Handelsblad, 11 december 1999). Bezorgd als ik was over de internationale gevolgen van de NAVO-bombardementen op Servië, heb ik dit voorjaar een analoge visie verwoord. Een oorlog als die in Kosovo, hoezeer ook humanitair gemotiveerd, heeft immers een geopolitieke dimensie. Zeker als daarbij eigenmachtig wordt geopereerd, dat wil zeggen: zonder mandaat van de Veiligheidsraad. Het is bijzonder vreemd dat het Westen, toen het Servië eind maart begon te bombarderen, geheel aan die geopolitieke dimensie voorbij is gegaan.

Behalve aan een dramatische miscalculatie – men dacht dat Milosevic na twee of drie dagen alle eisen zou inwilligen – is deze nalatigheid toe te schrijven aan machtsarrogantie van met name de Verenigde Staten. Sinds de bipolaire situatie van supermachten na de val van de Muur overging in een unipolaire, steekt die arrogantie steeds vaker de kop op. Toegegeven, voor de enig overgebleven supermacht is de verleiding daartoe niet gering. Te meer omdat veel Amerikanen het idee hebben een ‘uitverkoren volk’ te zijn.

Grootheidswaan werkt echter bijna altijd ontwrichtend in de wereld. Het wekt irritatie en voedt wantrouwen, zeker bij de vroegere tegenspelers. Men speelde met vuur door buiten de internationale rechtsorde om en binnen de Russische invloedssfeer ‘humanitaire’ strafacties tegen een soeverein en klein land te beginnen. Pas nu realiseert men zich de gevolgen van de bombardementen voor de relatie van het Westen met Rusland, China en de overige (groot)machten in de niet-westerse wereld.

De betrekkingen tussen de VS en Rusland zijn momenteel slechter dan ooit. De militaire doctrine die Rusland onlangs vaststelde, waarbij de NAVO wordt gezien als ‘de vijand’, maakt dat ten overvloede duidelijk. Zij die in 1995 waarschuwden tegen de militair volstrekt onnodige expansieplannen van de NAVO richting Russische grens, hadden het gelijk aan hun kant. Het was in hoge mate tegen het zere been van Rusland, dat immers bepaald niet ongeschonden te voorschijn was gekomen uit de Koude Oorlog. Het land heeft heel wat territoriale veren moeten laten. De recente opname van drie landen in de NAVO, die voorheen onderdeel waren van het Warschaupact, heeft het Russisch zelfbewustzijn dan ook behoorlijk aangetast. Men ervaart de NAVO-expansie in Midden-Europa als een vernederende trap na. 
De NAVO heeft met die expansie dan ook een onvergeeflijke fout gemaakt. In politiek-psychologisch opzicht, maar ook in het licht van conflictpreventie ten overstaan van een kernmogendheid. Het was onnodig en aanmatigend. Het pleit niet voor de Europese NAVO-lidstaten dat zij de Amerikanen hiervan niet hebben kunnen weerhouden. De expansie medio jaren ’90 vormt in wezen het begin van de omslag in de relatie met Rusland. Het ‘partnership for peace’-concept was dan ook weinig meer dan een doekje voor het bloeden, om de Russen met deze expansie te verzoenen. Het Kosovo-avontuur van de NAVO, waarbij op een gegeven moment ook het grondgebied van het nieuwe lid Hongarije werd ingeschakeld, maakte de Russen pas goed duidelijk hoe de kaarten liggen en het bevestigde hen in hun wantrouwen. In die zin vormt het militaire optreden van de alliantie tegen Servië de definitieve omslag in de relatie met Rusland.

Daarnaast wordt in de westerse media helaas maar al te vaak voorbij gegaan aan het negatieve effect van het tijdens de Kosovo-oorlog gedemonstreerde overwicht van de conventionele raketten van de NAVO. Negatief, in de zin dat het leidt tot een toename van de niet-conventionele wapenwedloop. Regionale grootmachten die over nucleaire en/of chemisch/biologische wapens beschikken, realiseerden zich tijdens de Kosovo-crisis dat ze via gewone wapensystemen en raketten bij lange na niet opgewassen zijn tegen de NAVO. Als uitweg zien zij daarom versterking van hun nucleaire en/of chemisch-biologische capaciteit.

Een ander gevolg van de NAVO-luchtacties, is de indirecte verzwakking van het gezag en de positie van de VN. Niet alleen opereerde het bondgenootschap zonder machtiging van de Veiligheidsraad, het is via het ondernemen van deze ‘humanitaire’ strafexpeditie op de stoel van de internationale rechtsorde gaan zitten.

Het gaat mij hier niet om de vraag of de NAVO in Kosovo zèlf met haar luchtoorlog al of niet het tegendeel bereikte van wat zij beoogde; ik heb het hier over de onbedoelde geopolitieke gevolgen, die met een klein beetje inzicht hadden kunnen worden voorzien, maar die bewust of onbewust niet zijn ingecalculeerd. Hetzelfde geldt voor het feit dat de NAVO in mei dit jaar besloot tot haar nieuwe ‘out of area’-strategie. De NAVO is formeel een organisatie van collectieve zelfverdediging, die volgens artikel 5 van haar handvest alleen in geval van een aanval op één der leden tot bijstand verplicht is. Sinds mei dit jaar kan de NAVO echter, indien nodig, ook aanvallend optreden buiten haar verdragsgebied in geval van conflicten ‘out of area’, waarbij zoals het heet ‘vitale bondgenootschappelijke belangen’ in het geding zijn.
Een indirect gevolg van de ‘nieuwe’ NAVO is, dat ze bedreigender overkomt dan de ‘oude’. Het maakt vele landen buiten het Westen extra kopschuw, ook omdat de nieuwe strategie samenvalt met de opkomende militarisering van de mensenrechten door het Westen. Ook al omdat iedereen weet dat de mensenrechten meestal maar de helft van het verhaal uitmaken. Dat er met andere woorden steeds ook verborgen (machts)agenda’s meespelen. Ons militaire interventionisme lijkt kortom te gaan leiden tot een soort nieuw antagonisme tussen Oost en West, zij het dit keer meer langs culturele dan ideologische breuklijnen. Het is de keerzijde van wat historicus Michael Ignatieff ons ‘moreel imperialisme’ noemt, er aan toevoegend dat dat imperialisme vaak “net zo brutaal en versluierend is als het imperialisme van vroegere tijden”.

Hoe dit ook zij, het is goed om stil te staan bij de keerzijden van ons, op zich goed bedoelde, militaire-dwangmoralisme, een moralisme waarbij niet echt wordt nagedacht over de praktische gevolgen ervan. Het is niet in de laatste plaats de Tweede Kamer die lijdt aan dit euvel. Gezien de oplaaiende emoties en de aanwezigheid van een publieke opinie is dat op zich niet onbegrijpelijk, maar niettemin vol risico’s. 
Srebrenica is daarvan een goed voorbeeld. Militairen en ook het Ministerie van Defensie uitten destijds grote bedenkingen bij het sturen van een kleine en licht bewapende eenheid blauwhelmen. Er was immers geen sprake van een vredesakkoord. Integendeel, er was toen nog volop een burgeroorlog gaande. Op deze wijze een geïsoleerde stad als Srebrenica ook nog tot een ‘safe haven’ uitroepen, waarin bovendien Moslimsoldaten werd toegestaan periodiek wrede uitvallen te doen naar de omliggende Servische dorpen, was gewoonweg dwaze en gevaarlijke illusiepolitiek. Toch heeft juist de Tweede Kamer vrijwel unaniem krachtig aangedrongen op het zenden van zo’n eenheid, geheel voorbijgaand aan de genoemde fundamentele bezwaren van militaire zijde.

Op dezelfde wijze heeft de Kamer geopereerd inzake Kosovo. Men was uitermate volgzaam richting kabinet, liet zich leiden door de emotie van het moment en stelde niet of nauwelijks vragen over de mogelijkheid van onbedoelde negatieve gevolgen. Zo stelde resolutie 1199 van de Veiligheidsraad wel eisen aan Joegoslavië, maar legitimeerde ze niet het gebruik van geweld tegen dat land. Toen minister Van Aartsen desondanks ten onrechte verklaarde dat de resolutie het bombarderen van Servië zou rechtvaardigen, slikte de overgrote meerderheid van de Kamer dat voor zoete koek. Dat laatste zelfs zonder dat de tekst van de resolutie beschikbaar was. Het is kortom een signaal hoe slecht de democratie in de cruciale uren van emotie vóór en tijdens een oorlog functioneert. De westerse regeringsleiders waren door hun militante dreigstrategie aan het adres van Servië als het ware in een fuik beland, waaruit ze niet of nauwelijks meer konden ontsnappen, of meenden te kunnen ontsnappen. Het is kennelijk in zo’n situatie te veel gevraagd voor parlementariërs om blijk te geven van een vorm van ruggengraat en de regering terug te fluiten. Ze hadden haar moeten wijzen op de onbedoelde gevolgen van de ingeslagen weg voor de internationale veiligheid.

Trouwens ook in andere zin is er weinig verschil tussen gewone en humanitaire oorlogen. Paul Scheffer drukte het als volgt uit: “Militaire macht die zich wil vereenzelvigen met een morele missie blijft militaire macht en heeft zo zijn eigen wetten. Eigengereid geweld in naam van de menselijkheid kan gemakkelijk leiden tot een wereld die onveiliger en rechtelozer is”. Een belangrijke les van vooral de Kosovo-oorlog. Wellicht is het ook beter dat we minder geloven in de militaire weg, althans veel minder snel daarvoor kiezen, en dat we ons werpen op het creatief ontwikkelen van niet-militaire drukmiddelen ten behoeve van de menselijkheid.