9 mei 2000

Door: Hans Feddema, Bram van der Lek, Jan Schaake

Tien maanden na de komst van KFOR zijn haat en geweld in Kosovo aan de orde van de dag. Geweld, niet alleen tussen de verschillende etnische partijen, maar vooral ook tussen de Albanezen onderling. De recente moord op Besim Mala, een prominente UÇK-commandant die in de Drenica-regio de guerrilla begon, maakt dat nog weer eens duidelijk. Maar er is meer. Het Duitse weekblad Der Spiegel meldde onlangs dat de VN-politie een onderzoek doet naar misdaden van het voormalige ‘Kosovo Bevrijdingsleger’ UÇK. Hoge UÇK-functionarissen worden verdacht van foltering, afpersing en de vorming van executiepelotons. Zelfs KFOR-troepen zijn zo nu en dan doelwit van aanslagen door radicale Albanezen. James Rubin, voormalig woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken en onlangs op bezoek in het gebied, stelde dat “we moeten erkennen dat er een probleem is in Kosovo”.

Het lijdt geen twijfel dat Kosovo gebukt gaat onder een golf van anarchie en dat daarmee een ernstig veiligheidsprobleem is gecreëerd. Kosovo ligt, in de woorden van Samuel Huntington, op een breuklijn tussen twee cultuurzones, waarvan het Westen de diepte te veel heeft genegeerd. Tegelijkertijd is het Westen volop betrokken geraakt in de aloude strijd tussen de rivaliserende partijen om territorium. Tekenend is dat met de intocht van KFOR ruim tweehonderdduizend Albanezen uit Noord-Albanië Kosovo illegaal binnengetrokken zijn. Zij hebben in de vruchtbare streek tussen Pec en Prizren het land van gevluchte of verjaagde Servische boeren in bezit genomen; KFOR ziet hierbij tot op heden werkeloos toe. Verder hebben de recente NAVO-bombardementen en de Servische vergelding daarvan richting Albanese Kosovaren bijgedragen aan de huidige verstarde verhoudingen en een multi-etnisch samenleven vrijwel onmogelijk gemaakt.

Een belangrijke bron van onveiligheid vormt momenteel de onzekerheid over de toekomstige status van Kosovo. In een opzienbarend interview met het Duitse tijdschrift Der Spiegelwaarschuwde de gematigde Kosovaarse leider Ibrahim Rugova, nog steeds zeer invloedrijk, zelfs in felle bewoordingen voor een Albanese oorlog tegen KFOR als niets wordt gedaan aan die onzekerheid. De NAVO geraakt door dit alles in een steeds lastiger parket. De VN geeft Kosovo conform het vredesakkoord met Milosevic van juni 1999 vergaande autonomie binnen Joegoslavië, terwijl de Albanezen koersen op onafhankelijkheid. Dit laatste staat haaks op resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad, maar de NAVO meent haar vroegere vriendjes van tijdens de oorlog enigszins te moeten ontzien.

Reeds tijdens de onderhandelingen in Rambouillet hadden de NAVO en het UÇK zich aan elkaar verplicht. Dagenlang bleek UÇK-leider Hashim Thaci namelijk onvermurwbaar voor de druk van Madeleine Albright, maar uiteindelijk tekende hij toch het akkoord. Aangezien dit onaanvaardbaar was voor de Serviërs, gaf de handtekening van Thaci de NAVO groen licht om over te gaan tot bombarderen. Dit kwam ook duidelijk naar voren in een recente BBC-documentaire. Dat de NAVO-eenheden in Kosovo de radicale Albanezen momenteel niet al te hard aanvallen, heeft als gevolg dat de positie van de minderheden in het gebied zeer beroerd is. In de wijk Mahala in de noordelijke stad Mitrovica bijvoorbeeld, werden door UÇK-ers meer dan duizend huizen van Roma verbrand. Ook voor de Serviërs in Kosovo is de situatie precair. De Amerikanen staan een hervestiging van Serviërs voor, maar stuiten daarbij op ernstige bezwaren van de VN, die menen niet voor de veiligheid van de Serviërs te kunnen instaan. Zelfs in Bosnië blijken etnische minderheden, eenmaal gevlucht of verjaagd, nog steeds moeilijk te kunnen terugkeren naar hun dorpen.

Daarbij komt dat de Amerikanen van de overige NAVO-leden niet al te veel steun krijgen voor hun beleid van isolatie van Belgrado. Bijna alle grote Europese landen hebben daar nu vertegenwoordigers op niveau, alleen de VS hebben er geen diplomaten. Het is zaak een eind te maken aan het weinig consistente beleid van de westerse regeringen en vooral aan de onzekerheid over de status van Kosovo. Splintergroeperingen binnen het voormalig UÇK zijn nu bezig op Servisch grondgebied -vooral rond Presevo, Medvedja en Bujanovac – de Serviërs uit te dagen tot het leveren van gevechten. Bovendien is uitbreiding van het conflict naar Montenegro en Macedonië verre van denkbeeldig. Het is dan ook buitengewoon gevaarlijk om op een culturele breuklijn met eeuwenoude rivaliteiten minderheidsnaties te lang in het ongewisse te laten over hun positie en rechten.

Ook het Servische volk heeft er belang bij dat er spoedig een definitieve regeling komt. Het is niet betrokken bij het Stabiliteitspact van de EU en ondervindt bovendien de gevolgen van de nog steeds van kracht zijnde boycot. Dit plaatst het Servische volk op een vuilnisbelt aan de rand van West-Europa, zonder perspectief op economisch herstel en wederopbouw. Ook voor het Westen is het vooruitzicht van een langdurige bezetting van Kosovo als een eiland van haat verre van rooskleurig. Op 10 juni loopt bovendien de termijn af voor de internationale aanwezigheid in Kosovo, krachtens artikel 19 van de eerder aangehaalde resolutie 1244 van de Veiligheidsraad.

Kortom, redenen te over om op korte termijn te werken aan een tweede ronde van vredesbesprekingen over Kosovo, waarbij geen van de conflictpartijen wordt buitengesloten. Of dat eventueel zal leiden tot een opdeling van het gebied, waarbij het (uiterste) noorden – inclusief de helft van Mitrovica – naar Servië gaat, dan wel tot het ontstaan van een autonome republiek Kosovo binnen de Joegoslavische Federatie, is op zich niet het belangrijkste. Wij staan alleen niet direct te springen voor een onafhankelijk Kosovo, zoals recent nog bepleit door de Amerikaanse oud-ambassadeur bij de NAVO William H.Taft IV, of een opgaan van Kosovo in Albanië: dit kan een domino-effect veroorzaken met zware gevolgen voor de andere landen in de regio. Ook voor Servië is onafhankelijkheid trouwens een onaanvaardbare optie.

Wezenlijk is echter dat er bij de bespreking van de toekomstige status van Kosovo geen sprake mag zijn van een dictaat van het Westen, zoals in Rambouillet het geval was. Het zijn de betrokken partijen zelf die in overleg moeten beslissen over de toekomst van Kosovo. Hierbij kan men niet om Servië heen: wegens de historische banden die het land met Kosovo heeft, maar vooral vanwege Rambouillet en het bereikte vredesakkoord van juni 1999, waarin werd overeengekomen dat Kosovo onderdeel van Servië blijft. Servië isoleren en besmet verklaren is dan ook slecht beleid. Niet alleen voor Servië zelf – de bevolking lijdt er onder en het versterkt de positie van Milosevic – maar ook voor Kosovo. Al dan niet verborgen agenda’s om in Servië de oppositie aan de macht te brengen of om Montenegro met of zonder bloedvergieten van Joegoslavië te scheiden, zullen ineffectief blijken en bovendien schadelijk voor Kosovo. Hoe langer daar de onzekerheid voortduurt, hoe explosiever de situatie wordt, ook in de buurlanden.

Een wisseling van de wacht in Servië is wenselijk, maar een zaak van het land zelf, en kan bovendien nog jaren op zich laten wachten. Essentieel is dat de kwestie-Kosovo zo snel mogelijk definitief wordt geregeld en dat op korte termijn wordt begonnen aan onderhandelingen, met of zonder Milosevic aan de macht in Joegoslavië. Deze onderhandelingen vinden liefst plaats in VN-verband, ook al zullen de EU, de VS en Rusland daarbij een bemiddelende rol moeten spelen. Wellicht kan de Tweede Kamer daartoe een voorstel doen, als ze het regeringsrapport over de Kosovo-oorlog gaat bespreken.

Het Westen voert een eigenmachtig beleid ten overstaan van Servië, waarbij de VN geen rol van betekenis spelen. Als het handhaven van deze confrontatiepolitiek en de boycot een politieke oplossing en de vrede in de regio in de weg staan en ook in Servië zelf tot meer repressie leidt, moeten deze worden herzien. Hoe kwalijk het regime in Belgrado ook mag zijn, het is wettig verkozen en heeft zowel in Dayton bij de onderhandelingen over Bosnië als in juni 1999 getoond dat het bereid was tot een vrede op basis van compromissen. Het is gezien de crisis in Kosovo de hoogste tijd dat een dergelijke weg naar het bereiken van vrede nogmaals wordt bewandeld. De aanklacht van oorlogsdaden tegen Milosevic hoeft daarbij niet onoverkomelijk te zijn, zoals ook bleek in juni 1999, bij het toen in Belgrado overeengekomen vredesakkoord.

Aan het voortmodderen van nu moet een eind komen. Eenzijdig Kosovo onafhankelijkheid geven, is echter niet de weg. Dat zal de vlam in de pan doen slaan. Rambouillet leerde dat op de Balkan ‘dictaat-politiek’ tot oorlog leidt. Vrede dient gedragen te worden door alle conflictpartijen en dan zijn onderhandelingen het geijkte middel.
____________

De auteurs zijn actief binnen de vredesbeweging en GroenLinks.

Dr. J.P. Feddema is publicist en antropoloog;
Dr. B. van der Lek is bioloog;
Ir. J. Schaake is informaticaspecialist.

Dit artikel verscheen op donderdag 11 mei reeds (in licht gewijzigde vorm) in dagblad Trouw, onder de titel ‘Servië moet volwaardig kunnen meepraten over Kosovo’.

Advertenties