29 mei 2000

Het recente evaluatiedebat in de Tweede Kamer over de Kosovo-oorlog is door de media algemeen gekenschetst als ‘mat’. De Nederlandse inspraak was te gering geweest, Den Haag was verrast dat plotseling ook burgerdoelen in Servië werden aangevallen en premier Kok moest bekennen tot op vandaag niet te weten wat Milosevic heeft bewogen indertijd de handschoen in de ring te gooien. Ziedaar enkele krenten uit wat een inhoudsvolle gedachtewisseling had kunnen worden.

Dat dit niet gebeurde, is te meer vreemd, omdat het AmerikaanseNewsweek Magazine een paar dagen voor het debat bekend maakte dat de bewering van de NAVO dat 120 tanks, 220 pantserwagens en 450 kanonnen in Servië waren vernietigd, niet klopte. Het waren er volgens de bevindingen van het blad respectievelijk 14, 18 en 20.

Columnist William Pfaff vroeg zich in de Los Angeles Times dan ook af: “Zijn over de Kosovo-oorlog wellicht nog meer leugens verteld? Begon bijvoorbeeld de etnische zuivering binnen Kosovo ècht al voor de NAVO-aanvallen een aanvang namen? En hebben de VS de onderhandelingen in Rambouillet dan toch bewust gesaboteerd om een luchtcampagne uit te lokken, zoals wel is beweerd?”

Hans Achterhuis stelt in een artikel een week na het Kamerdebat bovendien dat elk bewijs voor het bestaan van het geheime Servische plan ‘Operatie Hoefijzer’, dat een grote rol speelde in de NAVO-propaganda, ontbreekt (De Volkskrant, 25 mei).

Uit dit alles en ook uit de eerste verhoren van de Commissie-Bakker over Srebrenica, komt een beeld naar voren dat haaks lijkt te staan op het beeld dat Pieter Hilhorst en Hans Wansink schetsen van politici als mensen “die permanent moeten omkijken naar de mogelijke averechtse effecten van hun beleid” en verder van de burger “die zelf politicus is geworden” (De Volkskrant, 20 mei).

De burger is inderdaad langzaam verworden tot een soort hyperindividu. Maar, zo reageert NRC-columnist Hofland terecht: “Wil hij werkelijk wat hij zegt te willen?” En, zo voeg ik toe, overziet hij ook de gevolgen van wat hij wil?

VVD-leider Hans Dijkstal zette onlangs de aanval in op ‘het onbeheersbare proces van de hype’ in de televisiedemocratie, waarin media en politici elkaar in ‘een steeds moordender tempo’ opjagen. Dijkstal heeft hier een punt. Genoemd onderzoek naar het Srebrenica-drama maakt ook duidelijk hoe politiek opportunisme troef is onder de huidige generatie politici. Deze wil graag meedoen en op korte termijn kunnen scoren, zonder dat ze bereid is goed na te denken over de gevolgen van de gekozen middelen van het beleid dat ze voorstaat.

Geldt dit alles dan niet evenzeer voor de burger ‘als politicus’? Ik denk het wel. Ik vind democratie een groot goed, maar moet erkennen hier te stuiten op een van de nadelen van de democratie. Er is bij ons sprake van veel modedenken. Op een universiteit merk je dat zelfs de wetenschap daarvan niet is gevrijwaard. Historicus Alexis de Tocqueville, nog levend in een tijd zonder televisie, waarschuwde er al voor. Democratieën zijn, zo zei hij, “geneigd aan een impuls in plaats van aan voorzichtigheid gehoor te geven en een weloverwogen beleid te laten varen voor de bevrediging van een tijdelijke hartstocht.”

Of je het nu een ‘hype’ noemt dan wel de impulspolitiek van een tijdelijke hartstocht: hier ligt een probleem. Zeker in een televisiedemocratie, waarbij mensen periodiek met de vreselijkste beelden worden geconfronteerd, zonder dat ze daarvan de achtergronden of implicaties kunnen overzien. Emoties krijgen al snel de overhand, net als de neiging militair partij te kiezen voor de zwakste onder twee of meer strijdende partijen.

Dit laatste is begrijpelijk, maar men doorziet vaak niet dat de krachtsverhoudingen op het slagveld, zoals in 1994 in Bosnië, van de ene op de andere dag kunnen wijzigen of dat de verdrukte van vandaag vaak de onderdrukker van morgen is. Laat staan dat men onderkent dat militair geweld van derden in een conflict eveneens een eigen dynamiek heeft, bijna altijd ook tot excessen leidt en in elk geval nagenoeg zonder uitzondering het conflict doet escaleren.

De emotie aan de basis mist haar effect op politici niet. Niet alleen omdat ze willen scoren, maar omdat ze zelf ook die druk voelen en zich geen imago willen aanmeten van ‘werkloos toezien’. “We doen tenminste iets”, zo rechtvaardigde een Kamerlid tegenover mij zijn instemming met de NAVO-bombardementen op Servië in maart 1999. Dat het niet bij drie dagen bleef, maar een maandenlange exercitie zou worden, en dat Milosevic reageerde met een massaal verdrijven van Kosovaren, had hij niet voorzien. Van een politicus verwacht je dat hij eerst nadenkt, hoe groot de druk ook is om ‘iets te doen’.

Dus ook dat hij, in het geval van Srebrenica, nadenkt of het concept ‘safe haven’ tijdens een burgeroorlog wel adequaat is. Zeker als je deze niet louter ziet als toevluchtsoord voor vrouwen en kinderen, maar zelfs toelaat dat een deel van de mannen als soldaten de ‘safe haven’ gebruikt als uitvalsbasis. Militairen en vredesmensen wisten meteen dat je zo een aanval kunt verwachten van de andere partij, die de ‘safe haven’ in zo’n geval niet langer serieus neemt, maar louter ziet als een dekmantel voor oorlog of partijkiezen.

Logisch dat militairen dan ook spraken van een ‘mission impossible’. De doorsneeburger juichte de ‘safe haven’ echter toe. Wie wil niet een soort neutraal VN-‘compound’, waar onschuldige slachtoffers bescherming vinden? Maar dat Srebrenica een ‘moslimstad’ was, waar soldaten onder het toeziend oog van Dutchbat uitvallen deden naar de omliggende Servische dorpen, drong door het falen van de media in deze kwestie niet door.

De verantwoordelijke politicus wist dit echter wel en had daar zijn consequenties aan moeten verbinden, ook nadat hij reeds waarschuwingen van militairen in de wind had geslagen. Maar dan blijkt de prestigefactor dat te verhinderen: niemand is bereid zijn ongelijk te bekennen. En zo werden mensen in Srebrenica slachtoffer van een illusiepolitiek. Zal straks blijken dat dit ook in het geval van Kosovo zo is geweest? In elk geval hadden de moslimmannen van Srebrenica zonder het ingrijpen van Dutchbat meer kansen gehad dan nu.

Wat de burger vaak ook niet meteen doorziet, is dat hij of zij onderhevig is aan vijanddenken, zondebokuitdrijving, het beter of anders denken te zijn en graag te willen bevoogden. Ook dat we militair ingrijpen in eigen gebied nooit zouden tolereren, maar het wel graag bij anderen doen. De Amerikanen hebben dat vanuit hun cultureel imperialisme en machtsoverwegingen sterker dan wij, maar het is ook bij ons aanwezig. Vijandbeelden liggen in zo’n situatie erg voor de hand. Ze komen voort uit ons zelfbeeld. Ons westerse zelfbeeld is er een van democratie, ontwikkelingshulp, humanitaire interventie en dat soort nobele zaken.

‘Schurken’ of ‘schurkenstaten’ komen ons daarbij erg van pas, omdat ze ons zelfbeeld versterken. Manipulatie van de beeldvorming door de VS of de NAVO – of door andere grootmachten zoals Rusland – via een proces van demonisering van de tegenspeler, gaat er dan ook in als koek. Zo’n tegenspeler vervolgens besmet verklaren en isoleren, roept daarom weinig verzet op. Bovendien ontstaat zo een proces dat de tegenspeler ook echt een ‘demon’ wordt. Hoe meer je een machthebber immers in het nauw brengt, hoe repressiever hij wordt. We zien dat nu in Servië. Zo wordt het volk daar van de boycot dubbel de dupe.

Dat de mensen aan de basis dit alles niet meteen doorzien, is hun niet kwalijk te nemen, maar van een politicus mag je verwachten dat hij deze mechanismen blootlegt en niet meedoet aan een riskante impulspolitiek. We missen echter, zo lijken ook de eerste verhoren van de commissie-Bakker te bevestigen, politici met karakter die zich durven onttrekken aan het modedenken in een televisiedemocratie. CDA-er Ton de Kok kwalificeerde zichzelf en zijn vroegere collega-kamerleden zelfs onthullend als ‘stemvee’ van de partijtop, dat handelde uit angst voor carrièreverlies.Met zulke politici is impulspolitiek des te dubieuzer, ook gezien de grote geopolitieke risico’s. Zeker als het Westen elders in conflicten graag bevoogdend met wapens wil interveniëren en daarvoor bereid is het wijze besluit van 1945 om in internationale betrekkingen het geweldsmonopolie bij de VN te leggen, te ondergraven.