24 september 2000

‘Solidariteit’ (voor christenen: barmhartigheid) is in de vorm van mededogen met of het helpen van slachtoffers bij burgeroorlogen uiteraard zeer positief. Maar niet indien dit begrip wordt verward met peace-making (vredestichten), dat beoogt conflictpartijen van het vechten af te houden en hen via het aandragen van compromissen (weer) tot elkaar te brengen.

‘Solidariteit’ is een emotie en geen politiek concept, ook al kreeg het in en via het marxisme een politiek-ideologische geladenheid. We moesten immers door dik en dun en by all means solidair zijn. Dit denken is na de val van de Muur niet verdwenen. ‘Solidariteit’ heeft, hoezeer ook een vage notie, in onze cultuur ook zonder het marxisme een goede bijklank. Door het al dan niet betonen van solidariteit leer je in tijden van crises je vrienden kennen, heet het. We vergeten daarbij gemakshalve dat solidariteit kan doorslaan naar nepotisme: in een machtspositie familieleden en vrienden baantjes toespelen. In sommige landen is dat zelfs een plicht. Je deugt niet als (familie)mens, indien je aan dit nepotisme niet meedoet. Als antropoloog kom ik dat nogal eens tegen in Afrika en Azië. Ook in het Westen zijn er echter residuen. Bij de toewijzing van betrekkingen speelt daar vaak ook vriendjespolitiek een rol, ook al is er formeel sprake van een open sollicitatie.

Vriendjespolitiek wordt niet altijd scherp veroordeeld, maar als een vriend derden groot onrecht doet, een moord begaat of mensen ophitst tot oorlog, vervalt dan niet de plicht tot solidariteit? Solidair zijn met een persoon of groep is met andere woorden gebonden aan grenzen. Wat mij betreft aan de grenzen van ethiek en aan de eisen van recht en vrede. Winston Churchills houding van ‘my country, right or wrong’ (‘goed of kwaad, slechts mijn natie telt’) is dan ook aanvechtbaar. Fascistoïde regimes beroepen zich ook op solidariteit met de natie.

Even aanvechtbaar is echter het door het marxisme geïnspireerde idee van ‘my underdog, right or wrong’. Bij ‘socialistisch’ links waren proletariërs de ‘underdog’. Ten bate van hen was alles geoorloofd, welk geweld ze onderling of tegen andere klassen ook toepasten. Deze vorm van ‘solidariteit met huid en haar’ impliceerde een geweldsmodel, namelijk dat het doel alle middelen heiligt. Het riep polarisatie en een enorme tegenreactie van rechts op. Jarenlang stond de mensheid daardoor aan de rand van de afgrond, ook omdat een en ander een wapenwedloop met zich meebracht. Bovendien heeft Lenins geweldsmodel ten behoeve van het goede doel miljoenen niet-proletariërs de dood ingejaagd. Het was eenvoudig de consequentie van ‘my underdog, right or wrong’ of van wat Hans Achterhuis ‘moralisering van de politiek’ noemt: het centraal stellen van ‘goede bedoelingen’.

Maar goede bedoelingen zijn niet waar het om draait. Ze zijn vaak niet meer dan rechtvaardigingsretoriek. Waar de publieke opinie naar moet kijken en de politiek op beoordelen, zijn de toegepaste middelen. En die waren in het ‘reëel bestaande socialisme’, zeker tijdens Lenin en Stalin, afschuwelijk.

Mensen lijken echter nauwelijks te leren van de geschiedenis. Velen verkeerden in grote verwarring toen ze merkten dat hun eeuwenlang gediscrimineerde ‘underdog’ zich na het terugdraaien van twintig eeuwen geschiedenis via de stichting van de staat Israël in een overwegend Palestijns gebied, op zijn beurt ontwikkelde tot onderdrukker. Dezelfde verwarring is er bij voorstanders van de NAVO-bombardementen op Servië, nu ze merken dat Kosovo-Albanezen zich momenteel ook schuldig maken aan etnische zuivering jegens Serviërs, Roma en joden in Kosovo.

Die verwarring is er ook bij mensen die solidair waren met Clinton en Blair inzake Kosovo – ze geloofden in beider oprechte humanitaire zorg voor de Kosovaren – toen Lord Gilbert, de Britse staatssecretaris van defensie ten aanzien van de Kosovo-oorlog openlijk stelde dat ‘de NAVO Milosevic tot oorlog dwong door in Rambouillet opzettelijk onaanvaardbare eisen te stellen’ (Leidsch Dagblad, 21 juli 2000).

Ook het Nederlandse Srebrenica-besluit vloeide voort uit underdog-denken en goede bedoelingen. We stonden te trappelen om mee te werken aan het safe haven-concept, zonder voorwaarden te stellen en zonder de consequenties te doordenken. Geen enkel ander land wilde naar Srebrenica en als Nederland zich niet zo gewillig had aangeboden, was het safe haven-experiment niet doorgegaan, waardoor de Moslimmannen in Srebrenica veel beter af waren geweest. Ze hadden dan tijdig kunnen vluchten. Nu is er slechts aan rampzalige illusiepolitiek gedaan. Er is kortom – de verdrukte van vandaag kan nogmaals de onderdrukker van morgen zijn – sprake van een volledig failliet van het underdog-denken.

Het leidt ook tot verlenging van de strijd. Hans Achterhuis wijst in zijn boek Politiek van de goede bedoelingen op de westerse hulp in 1970 aan Biafra, die ‘op allerlei wijze mogelijk [maakte] een oorlog te verlengen die militair gezien eigelijk al verloren was’. Rebellenleider Ojukwu was alleen in nachtvluchten voor humanitaire hulpverlening geïnteresseerd, omdat hij deze kon afwisselen met wapentransporten, waardoor ze in het donker ‘de kans boden de strijd te rekken’.

Men loopt kortom vast met solidariteitsdenken, terwijl dit bij burgeroorlogen bovendien haaks staat op peace-making, omdat het leidt tot oneigenlijk partijkiezen. Oneigenlijk ook, omdat het slagveld zich van de ene op de andere dag kan wijzigen, zoals in 1995 in Bosnië bleek. Bovendien kunnen machthebbers met de solidariteitsemotie manipuleren. Het was mede hierdoor dat tijdens de Kosovo-oorlog ‘links in de morele gevoelens, in de beleefde solidariteit met de Albanese Kosovaren sprong’, aldus Achterhuis, eraan toevoegend dat dit ‘nauwelijks een serieuze oplossing was van de politieke leegte van links’.

Links zou volgens hem te weinig weten wat politiek is. Bij politiek gaat het voor de joodse wetenschapper Hannah Arendt om ‘het behoud en de inrichting van de wereld’ en niet om moraal of om goede bedoelingen, laat staan om partijkiezen voor een conflictgroep. Ook geweld hoort volgens haar niet thuis in het publieke handelen, het ondermijnt veeleer de politiek. Anders dan Lenin wijst zij het doel-middel-schema, waarop ook de Kosovo-oorlog van de NAVO was gebaseerd, af. Net als Mahatma Gandhi stelt zij dat het doel de middelen niet heiligt. Gandhi ziet het zelfs als onmogelijk te werken aan een samenleving van ‘broederschap’ met middelen die strijdig zijn met broederschap. Hij stelt dan ook de strategie centraal.

Inzake het vluchten van links (en anderen) in solidariteit en goede bedoelingen bij burgeroorlogen is er bovendien sprake van een tweeledige paradox:

a) Via de tv-beelden kunnen mensen gemakkelijk gebracht worden tot solidariteitsemoties en partijkiezen voor een onderliggende groep, maar anderzijds is de solidariteit voor zo’n groep nu ook weer niet van dien aard dat men bereid is hiervoor eigen soldaten te laten sterven.

b) Solidariteit impliceert bijna altijd partijkiezen voor een van de conflictgroepen; dat is vloeken in de kerk bij peace-making, omdat je dan het vertrouwen van de andere groep verliest en al gauw in vijanddenken belandt.

Het probleem is echter dat de militaire interventionisten dit partijkiezen meestal versluieren en net blijven doen alsof het om ‘peace-making’ gaat, waardoor ze het vertrouwen van links (en anderen) blijven behouden. Alleen als de interventie zeer lang duurt, zoals in Vietnam, wordt men wakker. De democratische krachten dienen dat wakker worden te versnellen en verder de machtsdimensie aan de orde te stellen.

Kritisch zijn ten aanzien van macht lijkt de nieuwe uitdaging. Het was tien of twintig jaar terug nog een essentieel onderdeel van progressieve politiek. Macht corrumpeert immers, en waarom zouden de VS, nu zij na de val van de Muur als enige supermacht zijn overgebleven, daarvan zijn gevrijwaard? Er is recent veeleer sprake van machtsarrogantie bij de VS, die meer en meer kwaad bloed zet bij Rusland en China. Ook binnen de EU is er verontrusting over bijvoorbeeld de ideeën van het Amerikaanse raketschild en het pas door Clinton gelanceerde Plan Columbia. Het drama van de Russische onderzeer Koersk heeft ons duidelijk gemaakt dat onderzee de Koude Oorlog gewoon doorwoedt via het elkaar besluipen van Amerikaanse en Russische onderzeeërs. Frankrijk verwijt de VS zelfs ‘unilaterisme’: het ‘onnodig achten’ om te onderhandelen met anderen, of dat nu vrienden of vijanden zijn, en ‘het gebruiken van de G8 om de Veiligheidsraad van de VN te omzeilen’.

Het is kortom zaak dat democratisch Nederland (en Europa):

a) weer gaat inspelen op de internationale machtsdimensie en de oplevende big power-rivaliteit, en de mensen daarvan bewust maakt;

b) bij (dreigende) burgeroorlogen erop hamert dat het slaan van bruggen tussen partijen de strategie dient te zijn, en niet het eenzijdig partijkiezen op basis van ‘solidariteit’, omdat dat slechts leidt tot escalatie, vijanddenken en het als buitenstaander verwikkeld raken in een wespennest. Een voorbeeld daarvan is de paternalistische interventie in Somalië, welke een echec werd en tevens, nu de Somaliërs recent met succes zelf orde op zaken hebben gesteld, een toonbeeld van westers ongeduld en achterhaald maakbaarheidsgeloof blijkt;

c) inziet dat peace-making indirect de zwakste partij het meest effectief helpt, maar dat anderzijds peace-making en het helpen van slachtoffers verschillende rollen zijn, die door onderscheiden actoren moeten worden vervuld, en verder dat men bij het redden (in het geval van dreigende genocide) en het beschermen van slachtoffers zich uitdrukkelijk – dus anders dan wat Dutchbat deed in Srebrenica – beperkt tot non-combatanten.