2 oktober 2000

Op 30 januari 1948 overleed de op 2 oktober 1869 geboren Mahatma Gandhi, vermoord door een fundamentalistische Hindoe. Gandhi blijft boeien en zijn erfenis is relevant tot op de dag van vandaag. En wel om een aantal redenen: 1) zijn alternatieve model van conflictoplossing; 2) zijn onvoorstelbare zielskracht; 3) zijn wijze van leven.

Gandhi heeft de ‘kleinen’ en de armen een adequaat wapen gegeven zichzelf te bevrijden, en daarmee de potentiële kracht van de massa boven tafel gebracht. Probeerden we als mensheid de conflicten tot op heden op te lossen via de steen, het mes of andere middelen van geweld, Gandhi toonde aan dat dit heel anders kan: ethischer, maar ook effectiever.

“De Britten,” zo zei hij in 1940, “willen de strijd voeren op het niveau van de machinegeweren. Wij kunnen hen echter verslaan, als we de strijd brengen op het niveau van de wapens die wij hebben”. Hij doelde op het wapen van de geweldloosheid, op de macht van het aantal en op het verzetsmiddel van non-coöperatie, dus ‘nee’ zeggen tegen een slecht systeem en tegen onderdrukking.

Voorbeelden daarvan waren zijn zoutmars en de door hem gelanceerde khadi-beweging. Engeland had India een verbod op zoutwinning opgelegd om de Britse zoutindustrie te bevoordelen. Via de zoutmars, aan het eind waarvan Gandhi symbolisch en demonstratief zout uit zeewater won, bracht hij het Indiase volk ertoe dat verbod massaal te overtreden. Engeland kon moeilijk het hele Indiase volk in de gevangenis zetten. Ook niet toen Gandhi de Indiërs met succes aanzette het monopolie van de Britse katoenindustrie te doorbreken met een boycot van de Britse kledingexport, en voortaan eigen gewaden te spinnen en te weven.

Het was non-coöperatie, maar impliceerde tegelijk een alternatief ontwikkelingsmodel, namelijk dat van self-reliance(zelfontwikkeling). Dit laatste hield in dat men mensen op eigen benen liet staan in plaats van hen te betuttelen. Later grepen ontwikkelingsstrategen als Galtung en Schumacher daarop terug.

Gandhi leefde in de twintigste eeuw. Het was de eeuw van de gemiste vrede, van twee vreselijke wereldoorlogen, gevolgd door een Koude Oorlog van bijna vijf decennia en een massale nucleaire gijzeling, waardoor de mensheid lang aan de rand van de afgrond balanceerde. En het is de eeuw van de mede door Marx, Lenin en Trotsky geïnspireerde gewapende revolutie. ‘Veiligheid door veel wapens’ en ‘rechtvaardig geweld’ waren daarbij de slogans.

Gandhi wees ze beiden van de hand: “Ik geloof niet in een kortere, maar gewelddadige weg naar succes. Hoeveel sympathie ik ook mag koesteren voor prijzenswaardige motieven, ik ben een onverzoenlijke tegenstander van gewelddadige methoden om zelfs de nobelste doelen te bereiken. De ervaring heeft me geleerd dat het goede dat geweld uitricht slechts tijdelijk en het kwaad dat het doet, blijvend is.” Of in een andere uitspraak: “Het goede dat geweld brengt, is hooguit tijdelijk, omdat het al spoedig wordt overstemd door het kwade, dat tegelijkertijd meekomt.”

De gewapende revolutie was in de vorige eeuw lang zeer in de mode. Niet alleen in Zuid-Amerika. Ook in India had zij nogal wat aanhangers. Gandhi zei eens tegen een aantal van hen: “Jullie jongeren hebben het altijd over revolutie. Ik maak er een. Wat is er zo revolutionair aan geweld? Als jullie werkelijk van je volk houden, help me dan om hun te laten zien hoe ze het geweld de rug kunnen toekeren en hun angst kunnen overwinnen.”
Het was een prestatie van Gandhi dat hij de op carrière beluste elite de wind uit de zeilen wist te nemen, in elk geval tot aan de onafhankelijkheid. Hij slaagde erin zich te omringen met een keur van op dienst gerichte medewerkers.

Zich afwenden van geweld staat bij Gandhi overigens niet gelijk aan laf zijn: “Geweldloosheid is een actieve kracht en biedt geen plaats voor lafheid. Voor een gewelddadig mens is er de hoop dat hij op zekere dag geweldloos zal worden, maar die is er niet voor een lafaard.” Gandhi heeft een speciale visie op kracht: “Kracht komt niet voort uit fysieke vermogens. Zij komt voort uit een ontembare wil.”

Dat brengt me op het tweede dat me opvalt bij Gandhi: zijn zielskracht. Wat de mensheid intrigeert, is dat Gandhi presteerde wat ieder mens weliswaar in zich heeft, maar het moeilijk vindt daarvoor de geestkracht op te brengen. Geestkracht, dus ‘nee’ zeggen als je ‘nee’ bedoelt, noemt Gandhi de grootste kracht die er is in de wereld. Helaas slaapt volgens hem de geest bij de meeste mensen, maar als die bij een van hen ontwaakt, wordt volgens hem ‘de aarde een beetje opgetild’.

Die uitspraak is zeker van toepassing op hemzelf, maar hij blijft bescheiden: “Ik heb de mensheid niets nieuws te leren. Satya(waarheid) en ahimsa (geweldloosheid) zijn zo oud als de wereld. Het enige wat ik doe is met beide experimenteren op zo groot mogelijke schaal (…) Men heeft religieuze geschriften aangehaald om mijn standpunt aan te vallen, maar ik heb meer dan ooit vastgehouden aan het standpunt dat waarheid nooit aan wat dan ook mag worden opgeofferd. Zij die geloven in de eenvoudige waarheden, welke ik heb vastgelegd, kunnen deze alleen propageren door er naar te leven”.

Ziehier het derde punt waarom Gandhi tot de verbeelding spreekt: zijn wijze van leven. Die werd gekenmerkt door eenheid van leer en leven. De zwakte van revolutionaire leiders is vaak de tegenstelling tussen woord en daad. Dat geldt zeker voor veel politieke leiders van nu. De massa doorziet dat. Als Gandhi protesteert tegen de ongebreidelde vermenigvuldiging van behoeften, geeft hij daarentegen zelf het voorbeeld van soberheid, onder meer in kleding en voedsel. Wat opvalt bij hem is dat hij a) niet blijft steken in een analyse, maar een alternatief biedt voor wat hij aanvecht en b) zelf in de praktijk brengt wat hij predikt. Iets voor ons om over na te denken. Gandhi hield ook vast aan zijn idealen en sobere levenswijze toen hij een van de invloedrijkste mensen van India was geworden.

Dat Gandhi ook nu nog relevant is, kunnen we vooral afleiden uit de navolging die hij heeft gekregen. Deze navolging was na de Tweede Wereldoorlog het meest spectaculair in de geledingen van de burgerrechtenbeweging in de VS, onder leiding van Martin Luther King, maar was reeds een beginnend kasplantje tijdens de oorlog zelf.

Bijvoorbeeld in Denemarken, waarbij de koning het voorbeeld gaf om als Denen allen een Davidsster te dragen en dus zo de isolatie van de joden te doorbreken. En niet te vergeten in Noorwegen, door het spontane verzet van driekwart van de onderwijzers tegen het onderwijsplan van de nazi Quisling, gesteund door 150 hoogleraren en alle bisschoppen. Gewelddadig verzet is overwogen, maar liep op niets uit en ook ondergrondse activiteit haalde het niet bij deze onverholen en massale actie van non-coöperatie. Quisling moest op een gegeven moment na overleg met Hitler zijn plan intrekken.

Ik wijs hier op, omdat cynici inzake Gandhi’s model nogal eens de wereldoorlog als argument opvoeren. Ook in Zuid-Amerika en Zuid-Afrika ontbrak het geweldloze verzet niet na 1945, maar de doorbraak lijkt vooral te zijn gekomen in Azië. Daarbij denk ik aan de Filippijnen in hun strijd tegen dictator Marcos, aan de beginfase van de intifada onder de Palestijnen en aan de bewonderenswaardige strijd van geweldloosheid van Aung San Suu Kyi in Birma. Aangaande de intifada wil ik slechts melding maken van de rake verzuchting van een Israëlisch politicus enkele jaren terug: “Een leger kan een leger verslaan, maar een leger kan geen volk verslaan.”

Het laatste bleek overigens ook in Oost-Europa, waar eveneens een doorbraak van geweldloosheid viel te constateren, en wel bij het afschudden van de communistische onderdrukkingsregimes. Demonstraties, boycotacties, stakingen, menselijke kettingen: ze waren middelen van verzet in Polen, Tsjechië, Hongarije, Bulgarije, de Baltische staten en niet te vergeten Oost-Duitsland. Daar brak reeds in 1953 een grote staking uit van industriearbeiders, op wie zowel Poolse als later ook Russische troepen weigerden te schieten. De Berlijnse Muur, het symbool van de Koude Oorlog, valt in 1989, zonder dat er een schot wordt gelost. De moedige wekelijkse maandagavondbijeenkomsten, die steeds omvangrijker werden, in en rondom een kerk in Leipzig, vormden een belangrijke prelude tot de grotendeels geweldloze omwenteling in Oost-Europa.

Met andere woorden, Gandhi’s invloed lijkt een halve eeuw na zijn dood eerder toe- dan af te nemen. Er is sprake van een verbazingwekkende verspreiding van geweldloze bewegingen over de hele wereld. De mensen worden zich kennelijk bewust van de macht van hun aantal. Zo kwam men bijvoorbeeld in Belgrado in november 1996 massaal gedurende 88 dagen de straat op vanwege de niet erkende uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen, totdat Milosevic min of meer toegaf. En ook op dit moment, na afloop van de op 24 september gehouden verkiezingen in Joegoslavië, grijpt de oppositie terecht weer naar dit wapen.

Breekt er een nieuw tijdperk aan, waarbij in elk geval de door Marx en Lenin beïnvloede ideeën van gewapende revolutie enigszins op de achtergrond raken en men voor het laten overwinnen van ongerechtigheid meer en meer zijn toevlucht gaat nemen tot de methoden van Gandhi? Ik acht dat niet ondenkbaar. Ik signaleer daarbij ook geslaagde boycotinitiatieven door consumenten, zoals een enkele jaren geleden door Green Peace geïnspireerde actie in Duitsland tegen het voorgenomen dumpen in zee van de Brent Spar.
Er is echter ook een keerzijde. We zien in de wereld een toename van etnisch en religieus geweld, hetzij omdat men door haatzaaiende leiders wordt gemanipuleerd, hetzij omdat men vanuit de eigen bevrijdingsgeschiedenis, zoals in Algerije, niet anders heeft geleerd dan te grijpen naar geweldsmethoden. Daarnaast is in het individualistische Westen, ook in Nederland, het geweld niet meer weg te denken van de straat. Twintig Nobelprijswinnaars voor de Vrede, onder wie Nelson Mandela, Yasser Arafat, de Dalai Lama en Aung San Suu Kyi, hebben eind 1998 niet voor niets in een indrukwekkend appèl de regeringsleiders opgeroepen de eerste tien jaar van het derde millennium te proclameren tot het decennium van de cultuur van geweldloosheid. Alleen al dat appèl, dat vorig jaar werd overgenomen door de VN, is een indicatie van Gandhi’s relevantie in de huidige wereld, zoals trouwens ook het genoemde straat- en religieus-etnische geweld. Gandhi is niet alleen een symbool van de weg van vrede, maar ook een profeet van religieuze en etnische verdraagzaamheid.

Ik constateer binnen Europa een grote zoektocht naar religie, hoe vaag ook. Gandhi verbond echter contemplatie met actie. “Vanuit de religie vereenzelvig ik mij met de mensheid,” zegt hij, eraan toevoegend dat dat ‘niet kan zonder actie’. Het ‘doel van de geschiedenis en van ons leven’ is volgens Gandhi de ‘geestelijke ontwikkeling naar Waarheid’. Waarheid ziet hij als het goddelijke, dat ‘getoetst kan worden via ervaring in de dienst aan anderen’. Waarheid komt volgens hem tot uiting in de ongewapende strijd voor gerechtigheid, vrede en vrijheid. Gandhi een soort goeroe? Hij had een visie op het leven. Zijn kracht was echter dat hij niet bleef steken in theoretische beschouwingen, maar ze ook nog in praktijk bracht.

Advertenties