17 oktober 2000

Militaire interventie staat dezer dagen door de hoorzitting en het debat in de Tweede Kamer over de uitzending van mariniers naar Eritrea en Ethiopië extra in de belangstelling. Het betreft hier een normale peace-keeping-missie van de VN na een bestand, waar alleen al met het oog op de internationale rechtsorde niemand tegen kan zijn. Anders is het, als het gaat om peace-enforcing (militair ingrijpen door derden).

Het IKV schreef er een rapport over, dat begin deze maand uitkwam onder de titel ‘Humanitaire interventie’. Daarin staat bescherming van slachtoffers centraal. Dit bleek ook het geval bij IKV-secretaris Mient Jan Faber tijdens een conferentie van het Instituut Defensie Leergangen op 2 oktober, waarbij deze de degens kruiste met Rob de Wijk. Ik zit meer op de lijn van De Wijk, die inzake peace enforcing grote terughoudendheid bepleit. Ten eerste om geopolitieke redenen, ten tweede omdat er in deze nog geen duidelijke strategie voorhanden is en ten derde omdat ingrijpen vaak olie op het vuur betekent, dus de crisis erger maakt.

Ik deel De Wijks realistische inschatting dat je weinig kunt doen als de geest eenmaal uit de fles is. Bovendien maak je door in te grijpen al gauw zelf deel uit van het conflict, met als gevolg partijdigheid, oorlog en vijanddenken. Dat is het resultaat als je niet de strategie, maar het ‘goede doel’ voorop stelt. Hans Achterhuis veroordeelt dat in zijn recente boek Politiek van de goede bedoelingen als ‘moralisering van de politiek’, waaraan volgens hem vooral links zich bezondigt. We zitten inzake militaire interventie kortom nog in de greep van de ‘maakbaarheids-mythe’, als zou de oplossing van bovenaf en uit de loop van een geweer komen. Maar de non-combattanten dan, dus vrouwen, kinderen en bejaarde mannen? In de praktijk zijn het nu vooral buurlanden die hen in tenten of anderszins onderdak verlenen.

Faber, die de NAVO-bombardementen op Servië (1999) terecht afwijst als zijnde ‘haaks op het beschermen’, vindt dat je ook ‘ter plekke aanwezig moet zijn’. Ik ben dat met hem eens, zij het dan echter ongewapend, dus in de vorm van waarnemers dan wel verificateurs en burgervredesteams. Die kunnen door hun presentie een matigende invloed hebben op de strijdende partijen. Dat bleek ook het geval met de 1400 OVSE-waarnemers in Kosovo (1998/1999). Het IKV wil echter meer, namelijk het instellen van door militairen beschermde safe havens. Moedig om dit idee na het Srebrenica-drama weer te lanceren. Het safe haven-experiment in Bosnië was immers verre van een succes.

Safe havens stuiten op drie bijna onoverkomelijke bezwaren:

1) Ze behoeven de toestemming van de strijdende partijen en zeker van de betreffende regering; anders kom je het land niet in;

2) De praktijk leert dat safe havens een casus belli worden, omdat al gauw naast non-combattanten ook strijders van de onderliggende partij worden binnengelaten;

3) De safe havens met wapens verdedigen impliceert dat men in het uiterste geval ook de ‘beschermers’ wil beschermen, zodat een militaire interventie wordt ingebouwd.

ad 1) De toestemmingseis maakt de safe haven utopisch. Bosnië was in deze immers niet maatgevend, omdat de zwakste partij (Moslims) formeel de dienst uitmaakte in de regering. De tegenpartij had zich toen echter niet akkoord verklaard. Dit was des te ernstiger, omdat de safe havens niet op ‘braak’ terrein werden gelokaliseerd, maar rondom bestaande steden, die voor beide partijen politiek van belang waren. Een dodelijke fout, zoals bleek in Srebrenica.

ad 2) De miskleun van Dutchbat was dat het bewapende Moslimstrijders in de safe havens toeliet en hun geen strobreed in de weg legde toen ze vanuit Srebrenica regelmatig uitvallen deden naar de omliggende Servische dorpen en daar de nodige wreedheden begingen. Bij de tegenpartij verloor zo de safe haven en ook Dutchbats onpartijdigheid alle geloofwaardigheid. Dat de Tweede Kamer dit alles niet voorzag, illustreert dat zij, om met PvdA-kamerlid Koenders te spreken, ‘weinig aandacht had voor de politiek- en militair technische praktijk’.

Bij het IKV lijkt dat nu ook het geval. Het stelt althans hierover geen voorwaarden, laat staan dat ze duidelijk maakt hoe te voorkomen valt dat soldaten eveneens hun heil vinden in de safe haven. Toch is een waterdichte formule nodig, wil de safe haven ooit werken. Moeilijk overigens, omdat solidair willen zijn met de onderliggende partij ons in het bloed zit.

ad 3) Het safe haven-idee zal echt neutraal dienen te zijn en consequent alleen gericht op de slachtoffers, wil het ooit functioneren. Het vreemde is echter dat het IKV-rapport, hoezeer ook in het algemeen stellend dat er ‘geen militaire oplossing voor burgeroorlogen bestaat’ (p. 88), inzake ‘humanitaire bescherming’ spreekt over een ‘continuüm van preventie naar interventie’ als stappen op een ‘escalatieladder’ (p.82). Faber stelde op de genoemde conferentie: “Militaire interventie is het sluitstuk.” Duidelijker kan het niet. Hoe denkt hij dat regeringen, laat staan alle strijdende partijen, zo ooit akkoord zullen gaan met safe havens? De dreiging van militaire interventie als sluitstuk, maakt zoiets een illusie.

Het IKV haalt bovendien vrede en solidariteit door elkaar. Mensen zijn graag solidair met de onderliggende conflictgroep. Het is een soort underdog-denken. Hiermee loopt men echter vast, omdat de situatie in het slagveld zich van de ene op de andere dag kan wijzigen en de underdog van vandaag de onderdrukker van morgen kan zijn. Het leidt tevens tot vijanddenken jegens de andere partij. Solidariteit als partijkiezen staat kortom haaks op vrede. Vredestichten (peace-making) is er immers op gericht partijen (weer) tot elkaar te brengen of te verzoenen. Partijkiezen is dan taboe, want anders verliest men het vertrouwen van partijen. Preventie hoort bij peace-making, maar dat te zien als in een continuüm met interventie, is ongerijmd. Interventie verwordt immers tot partijkiezen.

Indien peace-making het doel is, dient men zich daartoe te beperken. Het helpen van slachtoffers moet door anderen ter hand worden genomen. Het zijn diverse rollen, die door verschillende actoren moeten worden vervuld. Hetzelfde geldt voor enerzijds peace-keeping en anderszijds peace-enforcing. Het CDA lijkt die twee rollen door elkaar te halen, omdat het zijn afwijzing van het zenden van Nederlandse mariniers naar Eritrea vooral rechtvaardigt met het argument dat deze ‘te licht bewapend’ zouden zijn. Peace-keepers zijn echter per definitie niet te zwaar bewapend. Als ze het wel zijn, is dat vragen om moeilijkheden. Het kan al gauw worden ervaren als bedreigend. Gevaarlijk is ook dat de peace-keepers dan zelf denken bij crises echt te kunnen gaan (mee)vechten. Peace-keepers moeten juist niet de pretentie hebben echt oorlog te kunnen voeren, maar zich beperken tot akkoordbewaking.

Militair geweld en ook vrede kennen nu eenmaal heel eigen wetten en patronen. Ook het IKV blijkt dat niet te onderkennen. Bij het IKV verschilt ‘humanitaire interventie’ uiteindelijk weinig van gewoon militair ingrijpen, met welke mooie termen het ook is opgetuigd. Het safe haven-idee is sympathiek, maar (nog) niet realistisch, zeker als militaire interventie wordt ingebouwd als sluitstuk. Ongewapende waarnemers en vredesteams zijn minder provocerend en minder pretentieus dan zwaarbewapende militairen. Ze kunnen daardoor zeker functioneel zijn in het redden van non-combattanten. Trouwens ook voor het bewaken van een bestand, zoals tussen Eritrea en Ethiopië. De VN kozen echter voor peace-keepers (blauwhelmen). Op zich prima, mits ook deze peace-keepers zich hoeden voor de valkuil van partijkiezen en afzien van het gebruiken van geweld anders dan voor eigen verdediging in een noodgeval.

Deze tekst vormt de weergave van een lezing die werd verzorgd voor het intern vredesberaad, georganiseerd door het LBVO.Het artikel verscheen op 18 oktober in licht gewijzigde vorm in Het Parool, onder de titel ‘Weinig benul van realiteit bij IKV’.