2 november 2000

1) Militaire interventie door derden heet vriendelijker uitgedrukt ook wel ‘peace-enforcing’. Welnu, ik bepleit bij burgeroorlogen daarin net als Rob de Wijk grote terughoudendheid, omdat, zoals onderzoeken aantonen, dit meestal werkt als olie op het vuur, dus de crisis erger maakt. Als de geest eenmaal uit de fles is kun je weinig doen, zeggen militairen. Ik ben te meer terughoudend omdat je door ingrijpen al gauw zelf deel van het conflict wordt, met als gevolg partijdigheid, vijandenken en escalatie. Dat is het resultaat, als je het ‘goede doel’ en niet de strategie centraal stelt. Hans Achterhuis veroordeelt dat in zijn boek ‘Politiek van de goede bedoelingen’ als ‘moralisering van de politiek’, waaraan volgens hem vooral links zich bezondigt. Omdat militaire interventie (‘peace-enforcing’) meestal functioneert als olie op het vuur, moet ze duidelijk worden onderscheiden van ‘peace-making’ en ‘peace-keeping’, die ik beide als zeer positief beoordeel.

‘Peace-making’ houdt in conflictpartijen weer tot elkaar proberen te brengen dan wel te verzoenen. Daarin is/zijn de strategie of de middelen van levensbelang. De dialooglijnen moeten dan naar beide partijen open zijn en blijven. De grote drawback van militaire interventie is immers dat die daardoor stuk gaan, althans met een der conflictpartijen. ‘Peace-keeping’ is het bewaken van een bestand of akkoord. Dat kan door ongewapende waarnemers, verificateurs of vredesteams, maar ook door lichtbewapende blauwhelmen, die afzien van geweld anders dan voor eigen verdediging in noodgeval. Een soort politie dus.

2) Helaas worden die drie begrippen behalve onderling ook verward met ‘slachtoffers helpen’. Als ‘peace-making’ of ‘peace-keeping’ het doel is, dient men zich daartoe te beperken. ‘Slachtoffers helpen’ moet dan door anderen ter hand worden genomen. Het zijn verschillende rollen, die vervuld moeten worden door te onderscheiden actoren. Beide rollen worden nochtans maar al te vaak door elkaar gehaald. Ook door de gemiddelde burger, als hij of zij verscheurende beelden op het tv-scherm ziet.

3) Slachtoffers van burgeroorlogen helpen en opvangen is een humanitaire verantwoordelijkheid van de buurlanden, internationale organisaties als de VN en ook van het rijke Westen. Indien men zich bij dat helpen en opvangen niet beperkt tot onschuldige vrouwen, kinderen en andere non-combatanten, begaat men een ernstige fout, die meestal leidt tot grote moeilijkheden. De tegenpartij zal het dan niet meer kwalificeren als ‘helpen van slachtoffers’. Srebrenica, waar moslimsoldaten onder het toeziend oog van Dutchbat periodiek uitvallen deden naar omliggende Servische dorpen en daarbij ook wreedheden begingen, is hiervan een voorbeeld. De grote uitdaging is steeds, ook in genocideachtige situaties, hoe slachtoffers en non-combatanten te redden – dus echt gericht op redden –, zonder zelf partij te worden in het conflict. Kleine neutrale safe havens creëren in crisisgebieden, waar vrouwen, kinderen en ouderen hun toevlucht kunnen zoeken, lijkt daarvoor op het eerste gezicht een formule. Ze stuiten echter op drie bijna onoverkomelijke bezwaren.

a) Ze behoeven de toestemming van de strijdende partijen en van de betreffende regering, anders kom je het land niet in;

b) De praktijk leert dat safe havens een casus belli worden, omdat al gauw behalve non-combattanten ook strijders van de onderliggende partij worden binnengelaten. Vergelijk Srebrenica;

c) Er wordt, zoals ook bij het IKV zeer duidelijk is, een militaire interventie ingebouwd, omdat men in het uiterste geval ook de beschermers wil beschermen.

Door dit alles lijkt dit idee helaas een utopie. Zeker als militaire interventie niet wordt uitgesloten, zal geen land ooit akkoord gaan met safe havens.

4) ‘Peace-making’ is indirect trouwens eveneens een humanitaire verantwoordelijkheid. Het gaat daarbij om het voorkomen en indammen van geweld en bloedvergieten. Goedwillende individuen en organisaties binnen of buiten het betreffende land kunnen dat ter hand nemen. Regeringen van voorhoedelanden overigens ook. Zie de rol van Noorwegen bij het totstandkomen van het thans omstreden Oslo-akkoord tussen Israël en de Palestijnen.

5) ‘Peace-makers’ reiken compromissen aan en bemiddelen. Ze hebben wel een visie op het conflict, zien ook vaak wel wie van de partijen het meest in hun recht staat, maar ze kiezen nooit openlijk zwart-wit partij op een vijandige manier. Doen ze dat wel, dan hebben ze niet meer het vertrouwen van beide partijen, waarmee hun rol als ‘peace-maker’ is uitgespeeld. Grootmachten kiezen echter vanuit hun machtsbelangen meestal per definitie partij in een conflict. Soms in het verborgene of niet al te openlijk. Het lijkt de strategie van de VS in Midden-Afrika, net als in Kosovo en voorheen ook in Bosnië via het heimelijk bewapenen en militair trainen van de Bosnische Kroaten. Als de internationale publieke opinie hiervan niet al te manifest op de hoogte is, kan de suggestie worden gewekt dat ‘peace-making’ nog steeds het doel is. Dat vergemakkelijkt het overgaan tot een (openlijke) militaire interventie, indien zoals inzake Kosovo het partijkiezen voor en/of bewapenen van een der conflictpartijen vastloopt respectievelijk averechts werkt.

6) Partijkiezen voor de een en het ontwikkelen van vijanddenken jegens de ander gebeurt, althans in het begin, vaak versluierd. Versluierd of niet, het is niet te combineren met ‘peace-making’. Doet men dat wel, dus dat men partijkiest maar blijft doen alsof ‘peace-making’ aan de orde is, is er sprake van een paradox. Die paradox is het grote probleem van militaire interventies. Mensen doorzien, zeker in een tv-democratie, die paradox meestal niet. Of eerst na verloop van tijd, zoals bij de langdurige Amerikaanse militaire interventie in Vietnam.

7) Ik noem een aantal redenen voor dat te laat onderkennen van deze paradox:

a) Grootmachten verbloemen of versluieren hun partijkiezen.

b) Mensen hebben de neiging sympathie te tonen voor de onderliggende partij, het zogenaamde ‘underdog’-denken.

c) Mensen zijn minder met politiek bezig dan wordt gedacht en zijn zich over het algemeen vaak niet al te helder bewust van de achtergronden van het conflict, waardoor het ‘underdog’-denken meer kansen krijgt.

d) Het laatste is zeker het geval in een tv-democratie, waardoor mensen zich al te gemakkelijk meer laten leiden door de solidariteitsemotie dan door het vredesconcept

e) Partijkiezen voor de ‘underdog’ mag ondoordacht zijn, omdat de krachtsverhoudingen op het slagveld, zoals eind 1995 in Bosnië, van de een op de andere dag kunnen wijzigen, het lijkt echter wel een onderdeel van ons westerse ‘nobele’ zelfbeeld.

f) In Nederland wordt dat ‘nobele’, en dus moreel wat zelfgenoegzame zelfbeeld versterkt door het zijn van een kleine natie. Het zou volgens columnisten leiden tot ‘onze behoefte aan overcompensatie’ (Heldring) of zelfs tot ‘uitwassen van puberale geldingsdrang’ (Noordervliet).

g) Er is thans anders dan tijdens of vlak na de interventie van de Amerikanen in Vietnam of die van de Russen in Afghanistan bij de mensen minder het besef van de machtsdimensie of de verborgen machtspolitieke agenda’s bij militaire interventie. De ‘big-power’-rivaliteit, zoals tussen de VS en Rusland of tussen de VS en China, welke nog steeds of opnieuw een rol speelt, is bij ons ideologisch out, dat wil zeggen: geen thema meer.

8] Wat de progressieve beweging in haar houding tegenover het militarisme parten speelt, is kortom de ‘solidariteitsval’ en het niet of nauwelijks kritisch (meer) zijn jegens macht.

9) Solidariteit is als mededogen een gevoel. Op zich prima, maar het is geen politiek concept. Solidair? Ja, maar het gaat om het hoe, dus hoe die emotie politiek te vertalen. Bij Marx was dat jegens de proletariërs ‘solidair met huid en haar’, dus met alle middelen, inclusief geweld. Het bleek een gevaarlijke vorm van solidariteit, omdat het bij de tegenpartij polarisatie en geweld uitlokt. In elk geval is bij deze vorm het vredesaspect zoek. Het wordt dan immers right or wrong, my underdog. Men wordt daarmee tevens verantwoordelijk voor de middelen, die de ‘underdogs’ onderling en naar buiten hanteren. De ‘arme’ proletariër bleek, zoals historici aantoonden, vaak verre van heilig. De voorstanders van de NAVO-bombardementen op Joegoslavië bespeurden tot hun schrik hetzelfde inzake het UCK in Kosovo, gezien het omstreden gedrag van deze organisatie na het vertrek van het Servische leger en politie. (De Albanezen doorzagen dat kennelijk zelf ook, gezien de grote overwinning van de partij van Rugova bij de lokale verkiezingen eind oktober in Kosovo.)

Met dit ‘underdog’-denken loopt men kortom vast, omdat de verdrukte van vandaag de onderdrukker van morgen kan zijn. Het is mede aan dit denken te wijten, dat we vele jaren niets deden aan het Israëlische onrecht jegens de Palestijnen. Onze steun voor de staatsvorming van Israël was, behalve vanuit schuldgevoel, ook begrijpelijk vanuit de solidariteitsemotie, maar onjuist vanuit de gerechtigheids- en vredesvisie, ook gezien de ellende waartoe die staatsvorming leidde en het militariserende effect daarvan in de wereld.

Het ‘underdog’-denken zaait hoe dan ook verwarring. Mensen zijn graag solidair met een conflictgroep, maar merken op een gegeven moment dat zij in de greep komen van vijanddenken jegens de tegenspelers van die groep. We zagen dat in sterke mate tijdens de Koude Oorlog – alleen de ‘Derde Weg’ en later mensen als Palme en Brandt probeerden dat te doorbreken – en tot voor kort zagen we dat ook, zij het in mindere mate, jegens de Serviërs. Bij vrede door gerechtigheid en vice versa – anders dan solidariteit geen gevoel maar een politiek concept – is er echter niet of nauwelijks sprake van vijanddenken, maar is men gericht op beide conflictpartijen. Logisch, omdat in die optiek het er om gaat ze tot elkaar te brengen en dus geen van hen af te schrijven. Een sterke strategie, ook al wordt dat niet meteen gezien, omdat men zo de vrede bevordert en tevens indirect de zwakkere partij het meest effectief helpt.

10) Macht en economische belangen spelen vandaag een grote rol in de wereld. Strijd om (uitbreiding of behoud van) invloedsfeer is nog steeds kenmerkend voor de grootmachten. Zeker als het gaat om strategisch belangrijke of olierijke gebieden. Macht corrumpeert. Alleen al daarom is het zaak kritisch te zijn jegens macht. Al of niet bewust is er in het Westen na de val van de Muur een gevoel van ‘overwinning’. Vooral bij de VS vertaalt zich dat in machtsarrogantie, nu zij na de instorting van de Sovjet-Unie min of meer als enige echte supermacht zijn overgebleven. Die arrogantie is besmettelijk, in die zin dat ze ook meer en meer overslaat naar ons in West-Europa. Ook bij ons zijn paternalisme en morele zelfvoldaanheid troef. De crises in Afrika en Oost-Europa geven ons een soort cultureel superioriteitsgevoel. De ellende is immers steeds ‘elders’. En streelt het gevoel van bij voortduring te kunnen inspringen en aldus de rol van weldoener te vervullen niet ons ego?

Kritisch zijn ten aanzien van macht lijkt, hoe wenselijk ook, voor ons te veel gevraagd. Niet alleen de VS, maar ook wijzelf behoren immers via de EU en NAVO en door onze grote welvaart tot het machtscentrum van de wereld. Begrijpelijk dat we nog nauwelijks (meer) besef hebben van de verborgen agenda’s van de grootmachten en van machtsdoelen en -implicaties bij militaire interventie ten behoeve van ‘het goede doel’. En zo lijkt in plaats van vredestichten militaire interventie ondanks echecs als Somalië en Srebrenica helaas sluipenderwijs een deel van ons westers zelfbeeld te worden, zonder dat we ons afvragen of dit middel wel werkt, respectievelijk niet erger is dan de kwaal. Het is zozeer een onderdeel van ons westerse zelfbeeld geworden, dat we daarvoor desnoods de internationale rechtsorde even op zij zetten, zoals in 1999 via de NAVO inzake Kosovo. We voelen ons gezien onze grote militaire en economische macht immers meer en meer zelf de ‘politieagent’ van de wereld.

Dit alles is tevens niet los te denken van het feit dat de mythe van het ‘bevrijdende geweld’ uit vroegere tijden ondanks het christendom en de Verlichting ook in het ‘beschaafde’ Westen nog volop leeft en functioneert. Het is de hardnekkige mythe dat scheppen een daad van geweld is, dat geweld redt, dat oorlog vrede brengt en macht recht herstelt. Het lijkt me een uitdaging voor ons om eindelijk eens deze oude mythe te weerstaan en te weerleggen. De redding komt niet van bovenaf of uit de loop van het geweer.

Deze tekst vormt de weergave van een lezing die werd verzorgd voor de FNV-werkgroep Vrede.