5 maart 2001

De zaak van huisarts Van Oyen, die een in coma liggende vrouw alloferine toediende, overstemde onlangs even het nieuws over de nieuwe euthanasieregeling. De rechter keurde Van Oyens daad af, maar legde geen straf op. De vrouw lag in haar ontlasting en de dochters konden haar lijden niet langer aanzien. Er was sprake van een terminale fase, maar Van Oyen verzuimde een tweede arts te raadplegen, mogelijk omdat een wilsbeschikking ontbrak – ze had voorheen laten weten geen euthanasie te willen – en omdat in een comasituatie ondragelijk lijden niet kan worden vastgesteld. De arts werd bestraft voor het feit dat hij een natuurlijke doodsoorzaak opgaf.

Al met al een illustratie van de huidige regeling: euthanasie is onderdeel van het strafrecht, maar in de praktijk wordt de zaak geseponeerd indien aan de (meeste) criteria is voldaan. De artsen ervaren het niettemin als een druk na het inschakelen van de lijkschouwing steeds zes weken te moeten wachten op de beslissing van de officier van justitie. Zoals bekend komt in de nieuwe wet de laatste er niet meer aan te pas, tenzij een toetsingscommissie, bestaande uit een jurist, een medicus en een ethicus, oordeelt dat er incorrect is gehandeld. Het streven stress onder artsen te verminderen, is begrijpelijk, maar het is de vraag of hier de juiste weg is gekozen.

De nieuwe wet geeft commotie. Er is een parallel met ‘humanitaire interventie’. In beide gevallen is er sprake van ‘een politiek van goede bedoelingen’ (Achterhuis). In de vroege Middeleeuwen ontwikkelde de christenheid de theorie van de rechtvaardige oorlog, die overtreding van de ‘gij-zult-niet-doden-wet’ (net als nu bij euthanasie) aan voorwaarden verbond. In de praktijk werkte deze overigens nauwelijks, gezien de rechtvaardigingsretoriek bij oorlogen. In het huidige oorlogsrecht zijn criteria van die theorie terug te vinden. Tevens is het beginnen van een oorlog gebonden aan goedkeuring door de VN-Veiligheidsraad. In die zin is er sprake van een ‘nee, tenzij’. Door die goedkeuring soms terzijde te schuiven, zoals in 1999 inzake Kosovo, is er een tendens naar een ‘ja, mits’.

Bij euthanasie zien we een zelfde ontwikkeling: eveneens veel rechtvaardiging achteraf bij het overtreden van de regels, en thans een nieuwe wet, waarin het nee- tenzij overgaat in een ja-mits. Beide regelingen zijn overigens vatbaar voor misbruik. Zij die, zoals het CDA, aan het totstandkomen van de oude wet actief meewerkten, maar nu een hetze op touw zetten in Europa tegen de nieuwe, komen dan ook minder overtuigend over. De praktijk zal uitwijzen welke regeling aanleiding geeft tot het hoogste percentage ‘niet aangeven’ van euthanasie. Door het laatste wordt controle illusoir. De angst van de arts betrapt te worden niet conform de regels te hebben gehandeld en de euthanasie daarom maar te verzwijgen, zoals Van Oyen deed, lijkt bij de oude regeling groter dan bij de nieuwe. Maar zeker is het niet, omdat ook bij de nieuwe regeling de toetsingscommissie de zaak bij de officier van justitie kan aankaarten. Valsheid in geschrifte door artsen lijkt niettemin mogelijk wat te zullen afnemen bij de nieuwe wet. Van de visie dat iedere oudere de ‘pil van Drion’ in huis moet hebben om bij ontluistering het eigen leven te kunnen beëindigen, is gelukkig niets terug te vinden in de ontwerpwet. Het leven is voor mij geen, of niet volledig, privé-bezit. We delen het leven met anderen, zoals de arts, die de daad moet verrichten, en gezinsleden/vrienden. Zij lopen soms een trauma op na een zelfdoding in hun kring.

Ondanks de positieve kanten van de wet, wens ik dat ze straks in de Eerste Kamer zal stranden. Belangen van artsen mogen zeker meespelen, maar euthanasie heeft een te brede dimensie om zich daardoor alleen te laten bepalen. Zijn de ethisch-maatschappelijke consequenties van de wet wel goed doordacht? Van Hans Achterhuis kunnen we leren dat ‘de politiek van goede bedoelingen’ algauw in haar tegendeel kan verkeren, indien te weinig is stilgestaan bij de gevolgen. Ook al is er een achterdeur via de toetsingscommissie, toch zal de vervanging van de officier van justitie door deze commissie in de samenleving overkomen als het uit het strafrecht halen van euthanasie. Dat in het wetsontwerp het ‘nee, tenzij’ is vervangen door een ja-mits, heeft gevolgen. Euthanasie wordt psychologisch zo bij de mensen algauw een recht. Het nood-breekt-wet-karakter van euthanasie krijgt hoe dan ook in de oude regeling beter gestalte dan in de nieuwe. Dat is niet zonder betekenis.

Er is sprake van een toenemend consumentisme of claimcultuur, ook in de zorgsector. De druk van zijde van de officier van justitie op de arts zou wel eens kunnen plaatsmaken voor een sterke druk van de kant van de consument. Artsen zeggen mij bang te zijn die druk niet altijd te kunnen weerstaan, mede gezien de emotionele band die er tussen patiënt en arts kan bestaan. Mensen worden mondiger en kunnen vaak via internet al vaststellen wat bij ziekte hun levenskansen zijn. Het gevaar dat door de nieuwe wet van ‘ja, mits’ euthanasie vaker zal worden opgeëist zonder dat (al) sprake is van ondragelijk lijden, is dus meer dan denkbeeldig. Kortom, als de nood-breekt-wet-regeling van nu min of meer overgaat in een recht, althans psychologisch, wordt aan de samenleving een verkeerd signaal afgegeven. Te meer als het juist is dat er een verband bestaat tussen de verwaarlozing van ouderenzorg en verzoeken om euthanasie. Euthanasie in het strafrecht houden, verdient dan ook de voorkeur, met de huidige praktijk van het uitblijven van vervolging als er sprake is van a) ondragelijk lijden, b) een terminale fase en c) een derde is geraadpleegd.

Euthanasie is net als oorlog en vrede een zaak van leven en dood, waardoor extra gewetensvolle zorgvuldigheid is geboden. In de Tweede Kamer steunde GroenLinks uiteindelijk het wetsontwerp, anders dan CDA, CU en SP. Ik respecteer dat, maar hoop niettemin dat mijn partij en andere progressieven in de Eerste Kamer straks vasthouden aan het ‘nee, tenzij’. Het wetsontwerp is goedbedoeld maar zal op den duur verregaande, ongewilde consequenties hebben, niet in de laatste plaats omdat in een ja-mits-regeling het nood-breekt-wet-karakter van euthanasie wordt uitgehold en onvoldoende herkenbaar is.

Dit stuk verscheen tevens in dagblad Het Parool d.d. 28 maart 2001, onder de kop ‘Euthanasie is geen recht’.