9 april 2001

Er is geen meningsverschil tussen professor Pen en mij over het feit dat de wens van mensen om waardig te willen sterven legitiem is. Iemand op eigen verzoek stervenshulp bieden in noodsituaties, zoals bij ondragelijk lijden, is – hoezeer ook een paradox gezien de taak van de arts het leven te beschermen – inderdaad meestal een daad van naastenliefde. Het is bovendien al jaren de praktijk. Maar om bij euthanasie in zijn algemeenheid te spreken van ‘solidariteit met de zwaksten’, zoals Pen doet, lijkt me niet relevant. Aan de orde is immers niet de vraag of we voor of tegen ‘euthanasie in het uiterste geval’ moeten zijn.

Nee, bij de wetswijziging die nu aan de orde is, gaat het om de vraag hoe de beste procesbewaking kan plaatsvinden bij het toepassen van euthanasie, met andere woorden: hoe juist de door Pen genoemde zwakkeren te beschermen tegen misbruik. Mijn stelling was – en is – dat de nieuwe wet onnodig is, omdat de oude regeling met een uitgewerkt systeem van gedragsvoorschriften voor noodsituaties, ontstaan door de medische praktijk en jurisprudentie, niet slecht werkt. Waarom het niet zo gelaten? En waarom ook zo’n haast met nieuwe wetgeving? Met het uitproberen van de toetsingscommissies is nauwelijks twee jaar ervaring. Het lijkt een typisch Hollandse trek om alles meteen te willen codificeren in formele wettelijke regels, terwijl politici meer zouden moeten letten op de effecten van een wet. Het leven is immers sterker dan de leer.

We lijken te vergeten dat mensen fouten maken. Ik sluit daarbij niemand uit. Ook familieleden kunnen soms oneigenlijke druk uitoefenen op de arts, omdat zij vinden dat ‘het’ te lang duurt. Dit zijn gelukkig uitzonderingen, maar dat er niettemin ook op dit punt belangen kunnen spelen in onze vercommercialiseerde maatschappij, behoeft geen betoog. Pen verwijt me ten onrechte met de stervende mensen ‘niet erg mee te leven’ (Het Parool, 5 april), maar hij zal als econoom niet ontkennen dat het denken in termen van economisch nut en haast in onze samenleving helaas ook doordringt op het terrein van de zorg. Ook de arts, die in Nederland gelukkig nog veel vertrouwen geniet, kan fouten maken. Dit gezien a) het menselijk tekort in het algemeen, b) de machtspositie van de arts en c) ook de emotionele relatie die soms ontstaat tussen arts en patiënt.

In een recent artikel onder de kop Euthanasie komt voort uit verheven zelfbeeld schrijft de Amerikaan en Nederland-kenner James Kennedy: “Veel buitenlanders begrijpen niet hoe de Nederlanders kunnen besluiten tot invoering van een gevaarlijk beleid (…) en er dan eigenlijk op vertrouwen dat artsen zichzelf aangeven.” Hij vraagt zich af of het grote vertrouwen dat Nederlanders ‘in elkaar, in hun eigen instellingen en hun goede bedoelingen’ hebben en hun veronderstelling dat in deze ‘misbruik altijd aan het licht zal komen’ niet ook gebaseerd is op ‘zelfbedrog’ (NRC-Handelsblad, 7 april). Ziehier waarom ik waarschuwde niet haastig een nieuwe wet door te drukken, terwijl de oude redelijk functioneert en er met de toetsingscommissies nog te weinig ervaring is opgedaan. Om het OM gedeeltelijk de regie over het onderzoek inzake het handelen van een arts uit handen te nemen ten gunste van regionale commissies van drie leken, is geen goed signaal naar de samenleving. In die zin, dat mensen gaan denken dat euthanasie daardoor vrij of op aanvraag is te verkrijgen. Niet dat de letter van de nieuwe wet dat aangeeft, maar euthanasie is niet slechts een kwestie van principes, rechten en regels, maar vooral ook van onbedoelde maatschappelijke gevolgen.

Het is over dat laatste dat ik me zorgen maak. Bij het uitproberen van de toetsingscommissies ten slotte, blijkt dat het aantal meldingen van euthanasie door de arts afneemt in plaats van toeneemt, terwijl het de regering juist om dat laatste was begonnen. Een verontrustend gegeven. Het lijkt me dan ook beter die commissies lokaal te decentraliseren, en in plaats van deze achteraf te laten toetsen, ze te betrekken in een toetsing vooraf, zodat de arts zijn dilemma’s in noodsituaties met de commissie open kan bespreken. Toename van (eerlijke) meldingen kunnen we anders wel vergeten.

Dit stuk verscheen tevens in een verkorte versie in dagblad Het Parool d.d. 14 april 2001, en is een reactie op een artikel van Jan Pen in dezelfde krant.