9 mei 2001

Het was even wennen in de grote collegezaal van het Insituut Clingendael bovengenoemd citaat te horen uit de mond van oud-minister Joris Voorhoeve. Deze is vanaf 1999 voorzitter van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken (NGIZ), een vereniging van ruim duizend leden, die discussiebijeenkomsten organiseert, bijzondere leerstoelen vestigt en jaarlijks een prijs uitlooft voor de beste afstudeerscriptie over internationale betrekkingen. Omdat het buitenland een wezenlijk onderdeel van mijn werkterrein is, ben ik al jaren lid van het NGIZ. Op 20 april woonde ik een opmerkelijke uitreiking van de Genootschapsprijs bij. De jury bestaande uit Voorhoeve, H.J. Neuman en vijf hoogleraren, onder wie Bart Tromp en G. van Benthem van den Bergh, had de prijs toegekend aan de Leidenaar Bas Wiegmans.

Deze had twee jaar geleden zijn probleemstelling gekozen op het moment dat de Kosovo-oorlog uitbrak. Hij volgde maandenlang de CNN-uitzendingen en bestudeerde allerlei relevante documenten. Zo ontstond zijn scriptie, met als conclusie dat de NAVO ‘ondanks de lovenswaardige bedoelingen heeft gehandeld in strijd met het volkenrecht’. Het was vreemd dit in een voornaam gezelschap van hoofdzakelijk mannen in donkere pakken te horen verwoorden door Joris Voorhoeve. Hij zei voorts tegen Wiegmans: “U prikkelt, en uiteraard hoeft niet elk jurylid uw conclusies te onderschrijven, maar we keken naar uw argumenten en dan kunnen we niet tot anders dan oordelen dat ze goed en logisch zijn onderbouwd.”

Ook prof. Mr. C. Flinterman, hoogleraar Mensenrechten te Utrecht, kon er moeilijk omheen: “Tussen Wiegmans argumenten is geen speld te krijgen.” Toch bepleitte hij dat in een uitzonderingssituatie staten zonder VN-mandaat militair kunnen interveniëren in een ander land. Die staten moeten dan wel zelf een goede reputatie hebben, zo stelde hij. Maar welke staat heeft dat? Flinterman vergeet bovendien dat eigenmachtig interveniëren altijd leidt tot vijanddenken en tot de argwaan dat de staten die dat doen, zich door eigenbelang laten leiden. In de internationale rechtsorde geldt, behalve bij zelfverdediging, een absoluut geweldsverbod van staten jegens andere staten. Krachtens artikel 24 van het VN-handvest is het handhaven van internationale vrede en veiligheid de exclusieve verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad.

Wiegmans in zijn scriptie: “Omdat de NAVO jegens Joegoslavië niet handelde uit zelfverdediging, was voor de rechtvaardiging van het gebruik van geweld derhalve toestemming van de Veiligheidsraad vereist”. Hij onderbouwt tevens dat die toestemming ‘expliciet en ondubbelzinnig moet zijn’. De NAVO beriep zich volgens hem dan ook ten onrechte op resolutie 1199, waarin de Veiligheidsraad het geweld van Servië en het UÇK veroordeelde, de situatie kenschetste als ‘bedreigend voor de vrede en veilgheid’ en beide partijen opriep tot het staakt-het-vuren en het verbeteren van de humanitaire situatie. Het waren de VS die als eerste deze resolutie uitlegden als ‘legal ground for military action against Serbia’. Ook de Nederlandse regering deed dat in een brief van 8 oktober 1998 aan het parlement, in de zin dat het niet uitvoeren van resolutie 1199 door Servië ‘militair optreden in voldoende mate legitimeert’.

Sindsdien heerste in de publieke opinie, hoewel volstrekt in strijd met de werkelijkheid, de veronderstelling dat de Veiligheidsraad zijn fiat had gegeven voor de bombardementen in 1999. Helaas ook bij de meeste media en enkele politici, waaronder vice-premier Annemarie Jorritsma. Onthullend. Wiegmans laat voorts ook weinig heel van de humanitaire gronden voor de bombardementen. Volgens hem ontbrak zowel de volkenrechterlijke als de humanitaire basis voor de NAVO-actie. Hij vat samen: “Gezien de verwoestingen die de bombardementen aangericht hebben en de humanitaire ramp die zich mede als gevolg daarvan voltrok, is het niet vol te houden dat het NAVO-optreden voldeed aan de in de literatuur geformuleerde criteria voor humanitaire noodtoestand.”

Het Genootschap verdient lof voor de prijstoekenning. Jammer dat het de inhoud van deze scriptie niet expliciet ter kennis bracht van de media en geen uitgever ervoor interesseerde. Verbijsterend ten slotte voor het niveau van onze westerse democratie is, dat we ons lang door een mythe afkomstig van de westerse elite, als zouden de NAVO-bombardementen een duidelijke ‘volkenrechtelijke basis’ hebben gehad voor, in slaap lieten sussen.

Dit stuk verscheen tevens in het mei-nummer 2001 van het maandblad ’t Kan Anders/Vredeskoerier.