20 mei 2001

Het middagje had beter in de herfst van vorig jaar kunnen plaatsvinden, dus voorafgaand aan de beslissing van de Tweede Kamer over de nieuwe euthanasiewet. Maar niemand had voorzien dat deze wet in christelijk Nederland en ook in Europa zoveel commotie zou oproepen. Waarschijnlijk mede daardoor waren er bij de fractie van GroenLinks vragen binnengekomen. Zo wilde weten waarom de zij als enige oppositionele fractie had ingestemd met het paarse wetsvoorstel. En zo werd in de fractie het idee geboren om samen met de Linker Wang een publieksdebat over de wet te houden.

Dit debat werd op 16 maart in de sfeervolle Utrechtse Gertrudekapel na een korte inleiding van Cor Ofman vooral een dialoog tussen Femke Halsema en de moraaltheologen Frans Vosman en Gerrit de Kruijf, onder leiding van Ab Harrewijn. Het bleek overigens niet helemaal mosterd na de maaltijd, al was het alleen maar omdat Diana de Wolff, de GroenLinks-woordvoerder op dit punt in de Eerste Kamer, ook de bijeenkomst bijwoonde. Bovendien was het voor alle aanwezigen geen gekke voorbereiding op de discussie van ruim drie weken later tijdens en na de besluitvorming in de Eerste Kamer. Mij gaf het in elk geval een stukje extra bewustwording over een thema waar ik niet in eerste instantie mee bezig ben, behalve dan enige tijd tijdens mijn Zuid-Hollandse statenlidmaatschap.

Op voorstel van Ab werd eerst gepraat over de vraag of euthanasie op zich ethisch legitiem is. Professor Vosman verwierp vanuit de katholieke traditie de gedachte dat je het leven dat je ten geschenke krijgt van God, ook weer terug mag geven. Hij benadrukte ‘de plicht van de maatschappij er op gericht te zijn een ieder binnen de samenleving te houden’ en wees voorts op de paradox dat een arts soms een te respecteren, levensbeëindigende handeling pleegt, maar dat ‘niettemin euthanasie moreel niet te verdedigen is’. De Leidse hoogleraar De Kruijf schetste de spanning tussen enerzijds ‘God, de heer van het leven, waarvan je af moet blijven’ en anderzijds dat “beëindiging van het leven soms ook een zegen kan zijn”. Zelf koos hij uiteindelijk voor het laatste, ook al is er voor hem tegelijk ‘huiver’, omdat je daarmee raakt ‘aan het mysterie van het leven’.

Het tweede discussiedeel ging over de nieuwe wet. Femke stelde dat de wet codificeert wat de laatste jaren groeide en in wezen de praktijk was. Er verandert volgens haar weinig, behalve dat de positie van het Openbaar Ministerie wordt teruggedrongen ten gunste van een soort ‘lekenrechtspraak’ en dat het niet-melden enhet niet-consulteren van een tweede arts strafbaarder wordt. Ook de wilsverklaring krijgt nu een ‘wettelijke status’. Er wordt weliswaar alom gesproken over legalisatie van euthanasie, maar dat is in haar visie onjuist: de ‘potentiële strafbaarheid van de arts blijft aanwezig in de wet’.

Hoogleraar De Kruijf reageerde voor ‘goede euthanasieregels’ te zijn, maar zei tevens dat er al een wet is, waaronder goede regels zijn ontstaan en waarin onder meer de meldingsplicht is geregeld. Hij pleitte daarom voor ‘pas op de plaats’ en tegen het alles ‘te veel in de sfeer van de wet’ halen. Op de interruptie van voorzitter Ab dat de overheid ‘zaken toch wettelijk moet regelen’, antwoordde hij: “Nee, de aard van dit probleem is zodanig, dat je nooit tot een goede wetgeving kunt komen. Het is een zaak van waakzaam zijn, controleren, toetsen en gedogen. We moeten geen wettelijke duidelijkheid willen, dit ter wille van de veiligheid van de mensen.” Ten slotte meent hij dat het melden van euthanasie, ook al is dit voor het kabinet een van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe wet, ‘niet zal toenemen’. Recente onderzoeken zouden dat aantonen, maar Femke acht dat ‘onbewezen’ en wijst tevens de suggestie van het glijdend vlak als risico van deze wet van de hand.

Op de vraag vanuit de zaal of de nieuwe wet psychologisch wel een goed signaal is naar de samenleving en of het hierbij niet louter gaat om artsenbelangen, terwijl euthanasie toch een bredere dimensie heeft, wijst zij er op dat het ook een goed signaal is ‘dat mensen nu officieel het recht krijgen om een verzoek tot euthanasie te doen’. Dat de verandering via de wet wordt opgevat als een overgang van ‘nee, tenzij’ naar ‘ja, mits’, noemde zij echter een misverstand. En wat de artsen betreft: de nieuwe wet is er inderdaad ‘ten dele wel’ omwille van hen, omdat zij de druk van het OM ‘onprettig vonden’, aldus Femke.

Vosman verwees daarentegen naar de conflicterende plichten van de arts bij het toepassen van euthanasie en meende dat mede daarom de ‘oude wet beter’ is dan de nieuwe. In de oude zou volgens hem de paradox van het-mag-eigenlijk-niet ‘veel meer zichtbaar zijn’ dan in de nieuwe. En dat is wat hij gewenst acht, ook al zal hij een arts die in nood iemand stervenshulp verleent, niet veroordelen. De Kruijf noemde als paradox die van twee ‘tegengestelde principes bij euthanasie: de bescherming van het leven en het autonomiebeginsel’, een spanning die volgens hem in de nieuwe wet iets is opgeschoven ‘ten gunste van het autonomiebeginsel’. Wordt, zo vroeg men zich af, hier niet een toegeving gedaan aan het liberalisme?

Femke: “Liberalisme is niet altijd een vloek, maar het enige wat de wet doet, is rechten verschaffen en plichten geven. Misschien is de wet wel een uitdrukking van het paarse levensgevoel, maar wij stemden vóór om inhoudelijke redenen. Aan paars triomfalisme hebben we als fractie geen behoefte.” Ze ziet in de wet geen nieuwe ontwikkeling. Alles komt volgens haar voort uit de huidige praktijk, en daarom ergert ze zich nogmaals aan ‘de redeneringen van het hellend vlak’. Als het gaat om de vraag hoe te handelen jegens minderheden, stelde Femke ten slotte dat gewetensbezwaren van artsen tegen het toepassen van euthanasie moeten worden gerespecteerd, maar dat deze dan wel de plicht hebben, zo niet gedwongen moeten worden de patiënt door te verwijzen naar een andere arts. Tweede Kamerlid Corrie Hermans wilde voorts ook de zelfdoding in de discussie betrekken, omdat daarin volgens haar ook sprake kan zijn van een noodsituatie, maar dat stond Ab niet toe: “Het is zonder dat al complex genoeg”. Maar achteraf kreeg zij wel enigszins gelijk, gezien de discussie over de uitspraak van minster Borst ten gunste van de ‘pil van Drion’.

In de zaal zaten zowel voor- als tegenstanders van de nieuwe wet. Een vertegenwoordiger van de Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie liet weten de wet niet ver genoeg te vinden gaan, terwijl Ab bij interruptie de klacht uitte zich ‘gepakt’ te voelen door de reactie van de kerken, maar voor het overige waren de debaters als het ware in een rondje aan het draaien. Het leek alsof zij redeneerden vanuit uiteenlopende diepere noties of waardensystemen: de een wil alles in wettelijke regels gieten, dus ook de bestaande seponeringspraktijk door het OM van stervenshulp in nood. Dit alles in de trant van ‘als het maar goed vastligt in wetten’. Terwijl de ander die genoemde praktijk voor lief wil nemen, als maar vooral het gebod ‘gij zult niet doden’ inzake euthanasie recht overeind blijft staan in de wet. Kortom, dat de zaak de iure niet uit het strafrecht gaat. Dit mede ook uit angst dat anders in de praktijk van alledag het oneigenlijk toepassen van euthanasie algauw zal toenemen. Diverse denklijnen dus, waardoor het niet mogelijk is tot elkaar te komen. Dat vast te stellen, is op zich al waardevol. Het was hoe dan ook een leerzaam discussiëren.

Dit stuk verscheen in het juninummer 2001 van Linker Wang