15 juni 2001

Vervreemding van de politiek neemt de laatste tijd ernstige vormen aan. Anderzijds rukt bij veel (middel)grote steden een daarop haaks staand grootschaligheidsdenken op. Bekend is hoe dat reeds enige tijd speelde in Enschede, Den Haag, Eindhoven en Helmond. Het paarse kabinet honoreerde onlangs ten dele de verlangens van deze steden, ten koste van de buurgemeenten. Dit succesje werkt aanstekelijk. Ook elders beginnen steden zich nu sterk te maken voor constructies van grootschaligheid. Men heeft het idee dat grootschaligheid de bestuurskracht van deze steden vergroot, hun meer ruimte geeft voor woningbouw – vooral meer grond voor omstreden grote bouwlocaties – en de (economische) groei in de regio stimuleert. Het is de vraag of het wenselijk is grote bouwlocaties te vestigen buiten de stedelijke kernen en daarvoor te mikken op ruimte van buurgemeenten, en, althans in de Randstad, de groei extra te stimuleren, tot boven het niveau van de bestaande behoeften.

En hangt bestuurskracht van steden af van hun omvang en van het feit dat omliggende kleinere gemeenten bij de stad zijn gevoegd? Ik denk het niet. In elk geval hangt bestuurskracht van meerder factoren af. Nu idealiseer ik voorts de huidige regionale samenwerkingsverbanden geenszins, maar ze hebben in elk geval het voordeel dat alle betrokken regio’s via hun vertegenwoordigers op basis van gelijkwaardigheid participeren in de besluitvorming. De vertegenwoordigers moeten vooraf goed en intensief ruggespraak plegen met hun regio of achterban. Als ze zich committeren aan iets waarin de regio zich niet kan vinden, komt hun positie algauw in gevaar. Democratisch wellicht niet optimaal, maar nochtans werkbaar. Dat geldt te meer doordat de kleinere gemeenten bij het alternatief (opgaan in de grote stad) democratisch meer aan het kortste eind trekken: zij zullen dan vaak worden ‘overruled’ in hun belangen door de belangen van de stad. Dit omdat het inwoners- respectievelijk kiezersaantal van de steden nu eenmaal meestal een veelvoud is van dat van de omliggende plattelandsgemeenten.

De politici en ambtenaren van die gemeenten zijn vooral hierom tegenstanders van opgaan in de nabije stad. (Niet allen overigens, omdat sommige ambtenaren, die een te sterke positie hebben om te kunnen worden afgevloeid als gevolg van schaalvergroting, zich aangetrokken kunnen voelen door het feit dat de salarissen van een grotere stadsgemeente hoger uitvallen.) De grootste tegenstand komt echter van de burgers van de plattelandsgemeenten. Zij voelen zich verbonden met hun dorp of hun gemeente en willen niet opgaan in een groter geheel, dat hun vreemd is. Deze identiteitskwestie is niet onbelangrijk. Ik was tot medio 1999 statenlid van Zuid-Holland en herinner me hoe sterk in de voorsteden van Den Haag het gevoel leeft Rijswijkenaar of Voorburgenaar te zijn. Ook al komt men om economische of andere redenen regelmatig in het aangrenzende Den Haag, men heeft nochtans geen band met deze stad en voelt zich beslist geen Hagenees.

Wat ook het ‘goede doel’ mag zijn, politici dienen met dit gegeven rekening te houden, zeker in een tijd dat de burgers zich afkeren van politiek of althans daarvan zich meer en meer vervreemd gaan voelen. Ook door de betreffende grotere dorpen te bombarderen tot deelgemeenten van het nieuwe geheel, los je dat niet op. Men zal zich immers hoe dan ook voor het hoofdbeleid moeten richten op de buurstad. Dat zal niet gaan, doordat ze die ervaren als de imperialistische schrokop die een einde maakt(e) aan de zelfstandigheid van hun gemeente.

Ik zou progressieve partijen dan ook aanraden zeer voorzichtig te zijn met zich sterk te maken voor bestuurlijke grootschaligheid. Dat geldt a fortiori voor de politici uit de (middel)grote steden, omdat die uiteraard onder de verdenking staan uit stedelijk eigenbelang te handelen als ze idealistische argumenten op tafel leggen. Het is overigens zonder meer een verleiding om je eigen stad te willen zien uitbreiden. Het zal wellicht ook enkele bestuurlijke voordelen geven. De keerzijde van grootschaligheid is dat deze tegelijkertijd problemen – hoe groter de stad, hoe meer onveiligheid of criminaliteit bijvoorbeeld – aantrekt. Ook zullen natuur en milieu er niet mee gebaat zijn. Dorpen zullen immers zelfstandig hun ‘groen’ beter kunnen verdedigen dan wanneer ze zijn opgegaan in een bouwlocaties wensende buurstad.

Maar het hoofdnadeel is dat ruimtelijke expansie van de (middel)grote stad altijd ten koste gaat van de kleinere buurgemeente. Dit onvrijwillig te doen, geeft lange tijd onrust en is dus vanuit de optiek van zowel stabiliteit als vrede ongewenst. Aangezien progressieve partijen zeggen zich door solidariteit te laten inspireren en zich te willen inzetten voor het kleinere en het zwakkere, ligt het ook vanuit de geloofwaardigheid mijns inziens niet op hun weg om zich sterk te maken voor bestuurlijke grootschaligheid, hoe verleidelijk dat ook mag zijn. Ik weet dat er in deze (machts)belangen in het spel zijn en verwacht dat rechtse partijen zich op den duur op dit terrein niet onbetuigd zullen laten. Bij links (evenals CDA en ChristenUnie?) gaat het echter meer om de mens – ook de mens van de kleinere buurgemeente –dan om het bestuurlijke aspect. En links richt zich bovendien behalve op de mens ook meer en meer op het milieu. Dus, zo houd ik mijn progressieve vrienden voor, doe alstublieft bij voorkeur niet mee aan het grootschaligheidsdenken, omdat dat mens en milieu eerder benadeelt dan ten goede komt.

Dit artikel verscheen in het juninummer 2001 van de Leidse Linkse, onder de titel ‘Niet meedoen met het bestuurlijke grootschaligheidsdenken’.