11 oktober 2001

Door Hans Feddema en Wim Robben

In een interview zegt het door ons zeer gerespecteerde GroenLinks-kamerlid Farah Karimi: “Misschien heb ik te veel in de wereld gezien. Je gebruikt geweld om erger te voorkomen.” (Trouw, 10 oktober) Maar is dat laatste niet juist de mythe die het gebruik van geweld steeds moet rechtvaardigen?

Ook mensen als Bin Laden stellen dat ze geweld gebruiken om erger te voorkomen. Het is altijd hetzelfde argument. Bij de Russische revolutie van 1917 of bij de atoombom op Hiroshima deed het eveneens opgeld. In de hele geschiedenis zien we steeds dezelfde rechtvaardiging voor gevoerde oorlogen. Maar klopt het? In de wereldgeschiedenis zie je een aaneenschakeling van het kiezen voor geweld met dat motief. Maar oorlogen hebben hooguit een tijdelijk effect, ze leggen bijna altijd de basis voor een andere of volgende oorlog. Denk maar aan de Eerste Wereldoorlog, die door een voor de tegenpartij zeer vernederende Vrede van Versailles de basis legde voor de Tweede Wereldoorlog. We willen niet zien dat na geweld vaak een groter geweld volgt. Zie ook de wraakactie van Timothy McVeigh voor wat volgens hem zijn overheid militair had misdaan in Waco.

Ooit begonnen met bijlen en speren, bedreigen we elkaar nu met nucleaire en biologische wapens en nog steeds denken we dat je met ‘een heviger geweld’ moet antwoorden. Wat er thans tussen Sharon en de Palestijnen gebeurt, is in wezen in ‘het klein’ wat er in ‘het groot’ met de huidige ‘oorlog tegen terreur’ (en tevens zonder juridische autorisatie een oorlog tegen een soevereine staat, ook al is daar een verwerpelijk regiem) lijkt plaats te gaan vinden. Beide een uitzichtloze strijd, die kan leiden tot wederzijdse vernietiging.

‘Geweld om erger te voorkomen’? Dat dacht Clinton ook, toen hij in 1998 eigenmachtig 75 kruisraketten afvuurde op Soedan en Afghanistan. We hebben mede daardoor nu een veel groter drama. Bommen verharden en dagen uit tot vergelding. Ze zaaien het zaad voor nieuwe terreur. We onderkennen te weinig de dynamiek van geweld, zowel bij onszelf als bij de tegenspelers.

We hebben kortom een andere benadering nodig. Aristoteles (384-322 v. Chr.) wist het al: “Armoede is de vader van revolutie en misdaad.” De terreur van 11 september heeft mede die wrok over armoede en achterstelling als oorzaak. Er sterven nu bijvoorbeeld ruim twee miljoen kinderen in de tropische landen aan malaria, omdat men die paar gulden voor een muggennet niet heeft. En wij geven honderden miljarden aan bewapening ‘om onszelf te beschermen’. Onlangs werd bekend dat een Haïtiaanse werknemer van Walt Disney er zeventien jaar voor moet werken om het uurloon van de Amerikaanse directeur van dat bedrijf bij elkaar te verdienen. Geld voor goede voeding en voor de dokter ontbeert hem. Dit soort situaties confronteert ons met het handelen en denken van de geweldscultuur waarin we zitten, die vastloopt en die we nochtans proberen te handhaven met geweld ‘om erger’ te voorkomen.

Los van het feit dat het bestrijden van de ETA-, IRA- en Tamil-Tijgerterreur ons leert dat je dat niet kunt bestrijden met geweld, zouden we eindelijk eens bij zulke crises van progressieve politici moeten horen hoe we die geweldscultuur kunnen ombuigen en wat de ‘wapens’ en methoden zijn een vredescultuur dichterbij te brengen. Dat kan natuurlijk niet van de ene op de andere dag, maar waarom geen uitweg bieden via nieuwe modellen om anders met conflicten en geweld om te gaan? Van de GroenLinks-fractie zou je, ook al begrijpen we hun worsteling in deze, verwachten dat ze in zo’n crisis als nu een echt perspectief probeert te bieden in plaats weer contraproductief in de valkuil van de geweldsmythe te trappen en in wezen mee te doen aan de doodlopende weg van vergelding ‘om erger te voorkomen’.

Dr. J.P. Feddema is antropoloog, publicist en actief in de vredesbeweging en GroenLinks.
Drs. W. A. Robben is historicu
s.