20 oktober 2001

Door Tom Pitstra

Onderstaande is eem samenvatting van de tekst waarin GroenLinks-Tweede Kamerlid Tom Pitstra de intrekking van zijn steun aan het meerderheidsstandpunt van zijn fractie onderbouwt inzake het instemmen met de bombardementen op Afghanistan.

Samenvatting

Ik stel voor om het huidige standpunt van de GroenLinks-fractie van ‘niet-tegen’ te veranderen in ‘nu-wel-tegen’.

De hoofdargumenten zijn:

  • Deze grootschalige bombardementen, zelfs met door ons bestreden clusterbommen, zijn contraeffectief in de strijd tegen het terrorisme. Ze zaaien nieuwe en gevaarlijke haat, omdat de beelden van onschuldige burgers en kinderen niet alleen voor onszelf niet te verdedigen zijn, maar in de hele wereld afschuw oproepen. Het obligate verhaaltje ‘jammer, maar helaas’ accepteren we niet. Het ligt niet in ons karakter, dacht ik, om dat wel te doen.
  • Deze nieuwe haat is zeer gevaarlijk. In allerlei moslimlanden kunnen fundamentalisten zo de wind in de zeilen krijgen.
  • Er moet een pauze in, en nog beter een eind aan, de bombardementen komen vanwege het grote risico voor stervende vluchtelingen. Dit standpunt zou hard en ontbindend voor onze steun kunnen zijn.
  • We kunnen geen verantwoordelijkheid dragen voor een door de Amerikanen geleide geheime operatie, die zich niet veel aantrekt van onze uitleg van de criteria ‘proportioneel’ en ‘effectief’. Het kritisch commentaar leveren op onderdelen (clusterbommen, geestelijk centrum van de Taliban of elektriciteitscentrales) is nodig maar onvoldoende. Dit soort dingen gebeuren nu eenmaal als de Amerikanen het heft in handen hebben.
  • Ons alternatief kan zijn: wat meer geduld en alle prioriteit op inlichtingenwerk, samenwerking van de geheime diensten (met name ook met Pakistan en Rusland) en de ‘special forces’ op basis van controle van het luchtruim de resolutie van de Veiligheidsraad (VR) laten uitvoeren.
  • We kunnen niet meegaan in de verschuiving van doelen in de militaire strategie. Als het Taliban-regime al militair ten val moet worden gebracht, dan dient de VR zich daar over uit te spreken en dit regime te benoemen als een bedreiging voor de vrede en veiligheid. ‘Coalitions of the willing’ zijn daarbij dan nodig, en militairen van moslimlanden zijn dan veel slimmer dan westerse legers, die immers uit zondaars bestaan en die halfblote meiden voor zich laten zingen.

In elke oorlog wordt je oog getroffen door een bijzonder artikel of boek. In de Kosovo-oorlog citeerde ik de Hongaarse schrijver Konrad. Nu werd mijn oog getroffen door een artikel van John le Carré, ex-spion, die na de Koude Oorlog een idealist werd en een prachtig boek schreef over medicijnen in de Derde Wereld (‘De Tuinman en zijn tuinier’).

Ik wil eindigen met een citaat van zijn hand (NRC Handelsblad, 20 oktober): “Maar wat Amerika zich nu juist op de hals haalt, net als de Britten, zijn nog meer vijanden. We kunnen namelijk niet voorkomen dat telkens wanneer een onschuldig dorp door een verdwaalde raket wordt weggevaagd, een zelfmoordterrorist wordt geboren. En niemand weet hoe we deze duivelse cyclus van wanhoop, haat en – alweer – wraak moeten vermijden.”