24 oktober 2001

Zelfs het zeer professionele Britse leger is het in 25 jaar niet gelukt de IRA-terreur uit te schakelen. Een arm derdewereldland met militaire overmacht bombarderen is per definitie niet het goede antwoord op terrorisme. En het is inhumaan daarvan duizenden onschuldige burgers het slachtoffer te laten zijn. Bovendien spelen de Amerikanen, zonder zich te bekommeren om de ‘voorvragen’ van hoe deze terreur ontstond, ‘eigen rechter’. Een VN-mandaat voor het gebruik van geweld tegen Afghanistan ontbreekt.

Voor velen is het dan ook, zeker met de Amerikaanse debacles in Vietnam en Somalië nog in het geheugen, een raadsel dat de anderszins prima opererende fractie van GroenLinks, haar instemming verleent aan deze oorlog. Als een van de oprichters van GroenLinks, die nog in meerdere functies is betrokken bij de partij, zie ik als basisfout van de fractie dat deze vlak na 11 september akkoord ging met het operabel maken van artikel 5 van de NAVO. Het slaafse beleid van Paars om ‘grote broer’ Amerika niet voor het hoofd te stoten, begrijp ik nog een beetje. Maar ook als ik PvdA-lid was, zou ik de medeverantwoordelijkheid voor de dood van vele onschuldige Afghanen niet op me willen nemen.

Maar als oppositiepartij had GroenLinks zeker ‘nee’ kunnen zeggen, zoals de fractie dat ook onlangs nog deed tegen de Amerikaanse antiguerrillapolitiek in Colombia. De partij die anders de ethiek hoog in het vaandel heeft, laat het in deze kwestie echter afweten. De Tweede Kamerfractie volgt gewoon de geijkte rechtse militaire benadering en biedt geen echt perspectief hoe de geweldsspiraal te doorbreken en hoe anders om te gaan met geweld en terreur. Ze geeft geen nieuwe visie en wordt nu links gepasseerd door PvdA-politici als Elske ter Veld en Rick van der Ploeg.

Dat de reacties van de achterban niet werden voorzien, is overigens veelzeggend. Een progressieve partij dient naast partij tegelijk beweging te zijn. De top schiet zichzelf in de voet, als deze niet wordt gedragen door de basis. Paul Rosenmöller bevindt zich als het ware in een spagaat. Enerzijds wil hij – op zich begrijpelijk – regeringsfähig zijn, anderszijds merkt hij dat de basis niet alleen inzake milieu, asielbeleid en de MKZ-crisis, maar ook inzake het buitenland- en vredesbeleid de ethiek belangrijk vindt.

Dat de fractie ‘in de fout’ ging, is niet los te denken van de groei en ontwikkeling die GroenLinks heeft doorgemaakt.

Ten tijde van de Koude oorlog waren de verhoudingen in de vroegere bloedgroepen duidelijk. De CPN vond geweld, althans ideologisch, een normale zaak, terwijl de leden van de PSP en EVP – en in iets mindere mate ook die van de PPR – waren geschoold in de wetten van geweld en hoe de geweldsspiraal te doorbreken en escalatie te voorkomen, ook via het ontwikkelen van alternatieven.

Dat laatste was een wezenlijke bagage, maar men liet het (te veel) liggen, toen GroenLinks groeide en het belangrijk leek de aandacht vooral te richten op het binnenlandbeleid, waarop viel te scoren.

Hierdoor kreeg het buitenlandbeleid in GroenLinks geen prioriteit. Onthullend is dat Paul Rosenmöller in 1998 na het vertrek van Leonie Sipkes er via het congres niet voor zorgde dat zij werd vervangen door iemand die bij wijze van spreken voor het buitenland- en vredesbeleid had ‘doorgeleerd’, die bijvoorbeeld de mechanismen van wraak en vergelding doorzag en wist dat oorlogen hooguit een tijdelijk effect hebben en bijna altijd de basis leggen voor een volgende. Tot de recente komst van Tom Pitstra ontbrak zo iemand. Daardoor werd de GroenLinks-fractie als het ware een voetbalclub zonder verdediging. Toen de fractie vervolgens werd overvallen door twee grote oorlogen, werd duidelijk dat het buitenland- en veiligheidsbeleid haar achilleshiel was. Het spreekt boekdelen dat een op dit punt niet gespecialiseerde dominee (Ab Harrewijn) uit arren moede fractiewoordvoerder op defensie werd. De verwaarlozing van, of het te geringe accent op, het buitenland- en veiligheidsbeleid verklaart ook waarom er in deze nooit een consistente visie is ontwikkeld en de fractie thans blijk geeft van een ad-hoc-beleid zonder veel overtuigingskracht.

Op zich valt het wel te begrijpen dat de fractie de grote verbanden niet altijd scherp in het vizier heeft. Het werk van parlementariërs is hijgerig en holt van de ene actualiteit naar de andere en heeft nauwelijks tijd voor reflectie. Maar mede als gevolg van de al genoemde scholing tijdens de Koude Oorlog is in de partij als geheel op dit punt wel veel expertise aanwezig, vooral in de werkgroepen. Zijn de overlegkanalen verstopt? In elk geval is er in GroenLinks, zoals helaas bij de meeste partijen, enigszins sprake van een ‘topdown’-instelling. De fractie meent iets te snel dat ze het allemaal zelf wel weet en overlegde bijvoorbeeld na 11 september niet met de werkgroep Veiligheid en Vrede van de partij.

Ik ben ervan overtuigd dat dat nu spoedig zal veranderen, gezien de opstelling van het partijbestuur en van de Eerste Kamerfractie, maar ook gezien ook de moedige daad van Tom Pitstra zich te onttrekken aan het fractiestandpunt. Ik zie vooralsnog geen reden (wat daar in de media ook over mag zijn geschreven) in de voetsporen van Saar Boerlage te treden en mijn lidmaatschap van GroenLinks op te zeggen. Wie weet komt vanwege de door de bombardementen indirect veroorzaakte grote humanitaire vluchtelingencrisis in Afghanistan, het aantal burgerslachtoffers en het gebruik van wrede clusterbommen de Tweede Kamerfractie nog vóór het bijeenkomen van de partijraad op 17 november terug op haar standpunt.

Advertisements