21 november 2001

Na intrekken door de GroenLinks-fractie van haar steun aan de bombardementen kon de recente partijraad in Utrecht moeilijk anders doen dan moties intrekken en zijn tevredenheid uiten. De achterban is immers in grote meerderheid tegen de oorlog. Paul Rosenmöller en Farah Karimi hadden de laatste weken plotseling gemerkt in een minderheidspositie te verkeren in de eigen partij. Na hun bijdraaien was het dan ook zaak zonder te veel doekjes voor het bloeden op te roepen de rijen te sluiten en te honoreren dat fractieleden als Tom Pitstra en Ineke van Gent een te respecteren voorhoederol hadden vervuld.

Helaas poogden Farah en Paul op de partijraad met verve en zeer veel woorden aan te tonen dat het fractiebeleid vanaf het begin goed was. Ook met een herhaling van argumenten, die nauwelijks konden overtuigen. Gezien het pas in dit stadium opschorten van steun aan de bombardementen, is dat wellicht enigszins te begrijpen. Maar is het ook verstandig? Veel rechtvaardigingsretoriek is niet de weg het vertrouwen van de kiezers terug te winnen. Eerlijk zeggen dat men in de eerste emotie mee is gegaan met een militaire aanpak, maar daar nu achteraf anders over denken, is dan functioneler.

Zo kwam de fractie nu met het argument dat het militaire prevaleert boven het politieke. Op zich juist, maar dat was gezien de openlijke Amerikaanse vergeldingsvoorbereidingen al sinds 11 september en zeker vanaf 7 oktober, toen de bombardementen begonnen, het geval. Ook zou volgens Karimi de Amerikaanse militaire strategie zijn gewijzigd. Inderdaad werden de beperkte bombardementen van de eerste weken later door de 15000 ponds Daisy Cutter-bommen vervangen, met als gevolg excessief geweld. Toch is hier, met alle respect, sprake van een vreemd argument. In eerste plaats geven de Amerikanen zelfs niet aan premier Kok hun strategie prijs, laat staan aan GroenLinks. In de tweede plaats heeft het militaire een eigen logica. Met ook een aanpassing van de strategie aan de situatie op het slagveld. De strijd willen winnen staat nu eenmaal centraal bij militairen.

Politici behoren dat te weten. Voorts ook dat het steeds de methode van de Amerikanen is om in een burgeroorlog partij te kiezen voor een van de partijen, deze te bewapenen en militair te steunen en dan vaak later te ontdekken dat ze een slang aan hun borst hebben gekoesterd. Europarlementariër Alexander de Roo formuleerde het op de partijraad als volgt: “Behalve het oliebelang is wezenlijk voor de Amerikanen steeds de vijand van hun vijand te zien als hun vriend.” Daarvan bewust zijnde, had de fractie moeten voorzien dat de verwerpelijke Noordelijke Alliantie op een gegeven moment de macht zou kunnen overnemen, in plaats van dit nu als argument te gebruiken. Zoals ook was te voorzien dat een overwinnend leger na aankomst bij een stad doorstoot, hoezeer president Bush ook bezwoer om dat niet te doen. Dat is inherent aan het militaire. Ook dat er bij de inname van een stad afrekeningen volgen.

Het is dus een van twee: je geeft als Tweede-Kamerfractie van GroenLinks vanaf het begin geen steun aan een militaire aanpak van terrorisme, of je calculeert in dat er van alles kan gebeuren, (zware) bombardementen, standrechterlijke executies, clusterbommen en de dood van onschuldige burgers, als je die steun wel geeft. Om dat in te zien, hoef je geen generaal te zijn. Door het een noch het ander te doen, verzwakt de fractie haar geloofwaardigheid. Columnisten als Elsbeth Etty, Hans Wansink, Hans Goslinga en René Zwaap maakten dat ook onomwonden duidelijk. Erg jammer, omdat de fractie het op andere terreinen uitstekend doet.

Veel schade had kunnen worden voorkomen als de fractie had gezegd dat zij thans de militaire aanpak van terrorisme niet meer de juiste acht. Zo’n visie is geen schande, als we bedenken dat ook prominente PvdA-ers als derdewereld-deskundige minister Jan Pronk die mening is toegedaan en het zeer professionele Britse leger er zelfs niet in vijftien jaar in slaagde om de IRA-terreur uit te schakelen. Op de manier waarop de Amerikanen het nu doen, wordt hoe dan ook, alle militaire kortetermijnsuccessen ten spijt, kiemen voor nieuwe terreur gelegd, met mogelijk in miljoenen harten Bin Laden als martelaar — dood dan wel levend.

Een ruiterlijke erkenning dat men wellicht beter vanaf het begin geen steun had kunnen geven aan de bombardementen, geeft de fractie nu en straks bij de verkiezingen veel meer overtuigingskracht. In de tweede plaats kan de fractie dan ook gemotiveerd een perspectief bieden op een alternatief, dus hoe anders en adequater met terreur en geweld om te gaan — een perspectief waartoe een progressieve partij aan zichzelf verplicht is te werken. Een alternatief dat zeker voorhanden is. In de derde plaats kan zo ook effectiever aan de voedingsbodem voor terreur worden gewerkt en stelling worden genomen tegen de ‘verrechtsende’ trends in de samenleving door de oorlog, zoals het besluit in de VS tot het instellen van geheime tribunalen of andere maatregelen, waarmee de democratie zich in de eigen staart bijt.

Ten slotte wordt zo het eenheidsgevoel in de partij, dat door het opereren van de fractie na 11 september een deuk opliep, sneller hersteld. Geen misverstand: ten halve gekeerd is altijd beter dan ten hele gedwaald, maar een fractie (her)wint sympathie en vertrouwen als zij daarvoor openlijk uitkomt.