17 januari 2002

Tweede Kamerlid Tom Pitstra, die een voortrekkersrol vervulde bij het terugkomen van de GroenLinks-fractie op haar steun aan de Amerikaanse bombardementen op Afghanistan, is door de kandidatencommissie niet op de advieslijst gezet. Als ook collega-fractieleden daar indirect een rol in speelden, zoals een dagblad suggereert, is dat jammer. Pitstra zal in de hitte van de strijd, met de op een primeur uit zijnde media voortdurend ‘op de lip’, best wel wat fouten hebben gemaakt. Voor de fractie als geheel lag de situatie toen nog moeilijker. Een bliksemafleider zoeken voor eigen frustratie, ligt dan in de lijn. In de sociologie noemen we dat het mechanisme van ‘het toespelen van de zondebok of de zwarte piet’. In dit geval ging het om twee ‘pieten’, die naar Pitstra en die naar het ‘pacifisme’. Dat laatste zou een partij niet ‘regierungsfähig’ maken. Hoe bedenkt men het? In een tijd van weer opkomend militarisme lijkt een tegengeluid immers juist erg nodig. De kandidatuur van Pitstra komt op het congres van 9 februari aan de orde, waarbij hij, naar ik hoop, op steun zal kunnen rekenen, maar het is de vraag of de tegenstelling pacifisme versus non-pacifisme, zoals de media dat hanteren, in dit geval wel de juiste probleemstelling is. Zeker als ‘pacifisme’ fungeert als etiket, dat je op iemand ‘plakt’ om van hem of haar af te zijn.

Net als Pitstra was ik zelf tegen de NAVO-bombardementen op Servië, zeker ook omdat dat dat zonder VN-‘geweldsmandaat’ gebeurde, en ook nu ben ik tegen het Amerikaanse geweld in Afghanistan. Maar ben ik daarmee een pacifist? Nee. Ik heb mezelf zo ook nooit genoemd, ook niet tijdens de Koude Oorlog, toen we enkele malen balanceerden op de rand van de afgrond. We bevonden ons toen als het ware in een situatie van twee schorpioenen in een fles: als de een de ander een dodelijke steek toebracht, was de laatste nog net bij machte hetzelfde te doen voordat hij de adem uitblies.

De Koude Oorlog is nu vervangen door ‘een koude vrede’, maar de nucleaire ‘overkill’ is gebleven, en West en Oost hebben nog steeds de allesvernietigende kernwapens op elkaar gericht. Zoals toen geef ik er de voorkeur aan mezelf een gandhiaan te noemen of liever (omdat het anders zo pretentieus overkomt) iemand die zich laat inspireren door de ‘satya’- (waarheid) en ‘ahimsa’- (actieve geweldloosheid) visies van Mahatma Gandhi. Ik deed dat al in de tijd van de progressieve EVP (Evangelische Volkspartij), waarin ik als een van de oprichters actief was en die niet in de laatste plaats in het leven werd geroepen als reactie op de ondersteuning van de westerse kernwapenstrategie door het CDA in wording. De EVP zat in de ‘Derde Weg’, koos net als de PSP en PPR geen partij voor een van de blokken en noemde zich niet expliciet pacifistisch, zoals de PSP, maar had nochtans mede onder invloed van mensen als Martin Luther King, Don Helder Camara, Esquivel, Buskes en Hannes de Graaf een sterk gandhiaanse inslag.

Gandhi gaf zijn autobiografie als titel ‘Mijn experimenteren met waarheid’ mee. Hij was tegen geweld, niet alleen omdat er zijns inziens in elk mens wel een stukje ‘waarheid’ zit, waardoor je hem niet mag doden, maar ook omdat, zoals hij het uitdrukte, ‘het goede wat geweld brengt hooguit tijdelijk is en algauw wordt overstemd door het kwade, dat tegelijkertijd meekomt’. Een wijsheid die we steeds geneigd zijn te vergeten, ook thans gezien de euforie over de snelle val van het Taliban-regime. Dat de Eerste Wereldoorlog de basis legde voor de Tweede, en dat al spoedig na 1945 er de risicovolle Koude Oorlog ontstond tussen voormalige geallieerden, vormt tevens een illustratie van Gandhi’s stelling dat het kwade bij geweldgebruik al spoedig weer de boventoon krijgt.

Maar dat lijkt vaak ver weggezonken in het geheugen. Ook bij vele ‘progressieve’ mensen. Zeker met de huidige omvang, spreiding en vernietigingskracht van de bewapening is dat kortzichtig. Mensen zijn geneigd a) zich te fixeren op de doelen, b) de karmische gevolgen van hun daden niet of te weinig te door- en voorzien en c) te negeren dat zelfs bij de meest ‘beschaafden’ er soms een terugval te zien is op lagere instincten als wraak, vergelding en de ander willen doden.

Gandhi doorzag dat alles en legde daarom vooral de nadruk op hoe het geweld (en het militarisme) te overwinnen of te overstijgen en/of hoe het te voorkomen. Niet een steriel ‘nee’ zeggen is kenmerkend voor hem, maar een actieve positieve benadering, waarin hij zowel steeds creatief zoekt naar alternatieven voor geweld, als probeert de mensen te wijzen op het belang van het ombuigen van een negatieve karmische spiraal in een positieve. Al was het maar alleen uit eigen belang. Ik spreek over karma, maar we moeten niet vergeten, dat die wet onder invloed van Jezus’ Bergrede impliciet of latent ook in onze cultuur wel enigszins wortel heeft geschoten, gezien volksuitdrukkingen als ‘Boontje komt om z’n loontje’, ‘Wie goed doet, goed ontmoet’, ‘Wat je zaait, zul je oogsten’ of ‘Wie geweld doet, geweld oproept’. Het punt is echter dat we steeds maar de neiging hebben het mechanisme van de wetten van karma te vergeten. Zeker indien we in een positie van macht verkeren. Vandaar de uitdrukking dat ‘macht corrumpeert’ .

Wat de fixatie op de doelen aangaat, ligt er ook een belangrijke les voor progressieve politici. Zeker als zij het belang van democratie en medezeggenschap niet doorzien. Zij zijn vaak in de greep van het goede doel en trappen daardoor algauw in de valkuil de middelen onbelangrijk te vinden. De filosoof Hans Achterhuis scheef naar aanleiding van de Kosovo-oorlog een boek onder de titel ‘Politiek van de goede bedoelingen’ (Boom, Amsterdam, 1999). Op de achterkant kreeg het als ondertitel mee: ‘Wie de slachtoffers centraal stelt zonder naar de politieke context te kijken, kan wel eens meer slachtoffers maken dan helpen’. Dit boek is een ‘must’ voor elke politicus. Dat het ‘reëel bestaande socialisme’ in Oost-Europa qua geweldsgebruik en ‘topdown’-repressie zo uitgleed en er zelfs genocide werd gepleegd, kwam mede door de fixatie op het goede doel.

Voor Gandhi zijn de middelen echter minstens zo belangrijk als het doel. Je bereikt nooit een samenleving van broederschap met middelen die strijdig zijn met broederschap, zo zei hij veelvuldig. Als je de middelen niet centraal stelt, beland je algauw in de valkuil dat het doel de middelen ‘heiligt’, waardoor de tegenspeler zich gerechtvaardigd voelt hetzelfde te doen, met alle gevolgen van dien. Om die karmische spiraal te voorkomen, hield Gandhi de wereld voor aandacht te tonen voor de middelen en deze een ‘voorafschaduwing’ te laten zijn van het doel, zodat men het doel als het ware herkent in de toegepaste middelen.

Kortom, Gandhi was niet louter tegen geweld. Hij was veel meer. Hij was niet in de laatste plaats een hervormer, die ‘waarheid’ of recht en gerechtigheid voorop stelde en daarbij een uniek conflictmodel bood in een wereld die zwanger is van spanningen en wapens en zo de potentie van een kruitvat heeft, denk ook aan Israël. Zijn model zweeft niet, maar is praktisch en heeft daardoor de ideologieën van de vorige eeuw overleefd en is vooral door de nadruk op de middelen nog uiterst actueel. Het overstijgt pacifisme, afgezien van de verkeerde beeld dat men soms heeft van dit begrip. Het gandhiaanse model is veel meer dan ‘anti-geweld zijn’. Mensen als Pitstra zijn dan ook geen absoluut-pacifisten, maar onderkennen wellicht meer dan de doorsneemens de actie- en reactiemechanismen van geweld en zijn (mede daardoor) zeer sceptisch jegens militarisme en het veel te sterke geloof in de militaire weg. Vandaar mijn vraag aan media en anderen om in het algemeen, en zeker inzake GroenLinks, niet het etiket pacifisme versus non-pacifisme te hanteren. Dat roept slechts misverstanden op. Veel belangrijker is trouwens de vraag of de ideeën van Mahatma Gandhi nog relevant zijn. Welnu, ik meen dat dat in hoge mate het geval is, gezien het weer sterk opkomende militarisme, de Amerikaans plannen tot militarisering van de ruimte en gezien de steeds meer irritatie oproepende, de VN of de internationale rechtsorde ondermijnende westerse arrogantie van de macht. Misschien ligt hier wel de uitdaging voor het beginnen van een nieuwe progressieve politiek met andere accenten, zeker nu ook de sociaal-democratie het in deze, ondanks vroegere idealen, steeds meer laat afweten.