januari 2002

De Joegoslavische ex-president Milosevic zit gevangen in Den Haag in afwachting van het rechtsgeding over zijn oorlogsmisdaden, en vorig jaar was het tien jaar geleden dat de tragedie van de desintegratie van Joegoslavië een aanvang nam. Voor de zaak-Milosevic, maar ook los daarvan, is een waarheidsgetrouw beeld over het uiteenvallen van Joegoslavië, inclusief het Srebrenica-drama, van belang. Het Westen werd immers algauw zelf partij in het conflict, met als gevolg dat ook de berichtgeving hierover te wensen ging overlaten en een eenzijdig beeld ontstond. Het maakt nader onderzoek gewenst. Maar nu al kan dat beeld wat worden gecorrigeerd. Historici gaven immers al objectieve beschrijvingen van het gebeuren, waarbij ik zeker ook denk aan Raymond Detrez.

De interne hoofdrolspelers in het drama waren, behalve Slobodan Milosevic, de Kroatische leider Tudjman, de Bosnische leider Izetbegovic en de UCK-voorman Thaci. Alle vier staan voor een mengvorm van opportunisme en nationalisme, en schuwen geen geweld als het gaat om de belangen van hun natie. Een politieke blunder van Milosevic was dat hij in 1990 een eind maakte aan de door Tito verleende autonomie van Kosovo en Vojvodina binnen Servië, maar beide gebieden wel bleef meetellen in de presidentsraad. Tito had iedere deelrepubliek een gelijke stem gegeven, ook al had Servië verreweg de meeste inwoners, zelfs zes keer zoveel als het kleine Slovenië. Servië, dat meestal de steun had van Montenegro, kreeg zo ineens vier stemmen in de acht leden tellende presidentsraad. Het leek slim, maar het was vanuit de optiek van het samenwerkingsverband zeer kortzichtig.

Mede in reactie daarop stelde Slovenië in juni 1991 tijdens een buitengewoon congres van de Joegoslavische communistische partij voor de federatie te veranderen in een confederatie, dat de deelrepublieken meer zelfstandigheid zou geven. Slovenië raakte bij de stemmingen echter geïsoleerd en dreigde te vertrekken. Slovenië is klein en kent geen etnische minderheden, maar Milosevic had moeten bedenken dat hij zonder concessies aan Slovenië ook Kroatië zou verliezen. Hij liet Slovenië gaan. Een politieke misser met mogelijk dramatische gevolgen, omdat Kroatië toen ook weg wilde en er in het zuiden van Kroatië een grote regionale Servische minderheid woonde. Ook was het een misser omdat in 1990 in Kroatië Tudjman, een rechtse nationalist en door de Britse ex-minister van defensie Lord Carrington later gekenschetst als de meest onbetrouwbare hoofdrolspeler, aan de macht was gekomen en vrijwel meteen in zijn deelrepubliek een eigen grondwet had laten aannemen, waarin de Servische minderheid niet meer als zodanig werd genoemd. In het Joegoslavië van toen was dat onvergeeflijk. Het was een signaal richting afscheiding en het betekende op papier een etnische minderheid ‘wegzuiveren’.

Onbegrijpelijk dat het Westen deze daad van Tudjman door de vingers zag, zoals dat later eveneens gebeurde toen Kroatië in 1995 de etnische zuivering daadwerkelijk voltrok. Dat was de tijd dat ook de Amerikanen al enige tijd op het Balkan-toneel opereerden. In 1991 deden de VS echter nog niet mee. Duitsland des te meer.

Dat land was van oudsher en zeker vanaf de Tweede Wereldoorlog een vriend van Kroatië. Vanaf 1991 gaat die vriendschap een grote, zo niet noodlottige rol spelen in het conflict. Om ‘de Kroaten een handje te helpen’ (Genscher) erkende Duitsland op 15 januari 1992 de onafhankelijkheid van Kroatië. Lord Carrington was toen bezig Joegoslavië namens de EU te redden met een ‘plan à la carte’, waarbij sommige een federatieve en andere delen een lossere band zouden hebben. Hij noemde het een ‘stupide beslissing’ van de EU Duitsland in hun erkenning ten slotte maar te volgen: “Mijn plan à la carte was reëel, maar alles stortte in toen de Duitsers erop stonden dat Kroatië en Slovenië zou worden erkend nog voordat de rest van de boedelscheiding was geregeld. Toen werd het onmogelijk om nog tot een gemeenschappelijke oplossing te komen.” (‘De laatste oorlog’, 2000, p. 74).

Hij zegt de EU-landen te hebben gewaarschuwd de Duitsers ‘niet hun zin’ te geven: “Als jullie dit doen, zitten jullie binnenkort allemaal in Bosnië” (idem, p.75). Logisch, want Izetbegovic, de Moslimleider in Bosnië, zou dan niet achter willen blijven. De EU – alleen Hans van de Broek sputterde kort tegen – volgde Duitsland echter wel, en nota bene twee dagen daarna brak de oorlog in Kroatië uit, ook omdat er niets geregeld was over waarborgen voor de rechten van de zeshonderdduizend Serviërs in dat land. Daarmee werd Duitsland (en de EU) de vijfde hoofdrolspeler in het Joegoslavië-drama. Snel daarna werden de Amerikanen de zesde. Geschrokken door de fouten inzake Kroatië werd de EU omzichtiger inzake Bosnië. Zij volgde het advies van de Commissie-Badinter Bosnië niet als staat te erkennen en de drie etnische leiders Izetbegovic, Karadzic en Boban in Portugal te laten onderhandelen. Zowaar met succes. In Lissabon kwam begin 1992 een akkoord tot stand, waarbij werd overeengekomen drie etnische kantons in een losse confederatie te formeren, ongeveer net als waartoe vier jaar later in Dayton is besloten. Ruim tweehonderdduizend doden hadden dus kunnen worden gespaard.

De Amerikanen, plotseling ook actief, gooiden echter roet in het eten. Anders dan de EU wilden zij wel een onafhankelijk Bosnië, en dan zonder de kantons. Hun ambassadeur Warren Zimmerman liet dat Izetbegovic na diens terugkomst uit Lissabon – de inkt van het onder leiding van de EU bereikte akkoord was nauwelijks droog, erger kon het dus niet – weten in een geheim bezoek. Deze trok daarop meteen zijn instemming met het Lissabon-akkoord in. De tweede dubieuze bijdrage van de Amerikanen in het Balkan-conflict was dat ze hun elders vaak toegepaste strategie van partijkiezen in een conflict ook hier hanteerden, zij het eerst informeel. Ze deden dat niet alleen door de Bosnische Moslims en Bosnische Kroaten een anti-Servische coalitie te laten aangaan, maar ook door hen ook militair te trainen. Ondanks een VN-wapenembargo zorgden ze zelfs indirect voor extra wapens voor hen. Het gebeurde in het verborgene, maar het was een publiek geheim. Ook de Serviërs wisten het.

Het ondermijnde indirect de positie van de aan neutraliteit gebonden – maar zeer functionele, want tijdens de burgeroorlog humanitaire hulp verlenende – VN-blauwhelmen. Het stond ook haaks op het ‘safe havens’-concept, dat toen in drie steden van Oost-Bosnië werd toegepast, mede op aandringen van Nederland. Op zichzelf geen slecht concept, indien de ‘veilige havens’ zouden zijn beperkt tot vrouwen, kinderen en ouden van dagen. Maar helaas was dat niet het geval. Srebrenica herbergde enkele duizenden Moslim-soldaten, en bovendien moest Dutchbat zelfs lijdzaam toezien dat deze regelmatig onder leiding van Toric bloedige uitvallen deden naar de omliggende Servische dorpen. Wreedheden begaan was immers van alle partijen het middel om de burgers van de tegenpartij te doen vluchten teneinde hun land te kunnen verkrijgen. De Serviërs waren die uitvallen uiteraard een doorn in het oog, maar toen ze officieel voorstelden de Moslim-soldaten van Srebrenica naar Tuzla te laten vertrekken onder een vrijgeleide, is daarover door Sarajevo (lees Izetbegovic) een veto uitgesproken.

Dat honderden zo niet duizenden van hen later in juli 1994 – Taric zat veilig in Tuzla – zonder hun wapens bij zich bruut door het Servische leger van Mladic in de pan zijn gehakt, blijft echter zonder meer een misdaad van de eerste orde. Dutchbat had nochtans nooit de Moslim-soldaten moeten toelaten in de ‘safe haven’, en toen er de mogelijkheid van een vrijgeleide naar Tuzla was, had het er op moeten staan dat dit doorging, wat ook de orders van Sarajevo waren. En de Amerikanen hadden in West-Bosnië niet stiekem Moslims en Kroaten moeten trainen en bewapenen, terwijl er – nota bene zonder een vredesakkoord – VN-blauwhelmen rondliepen en er in het oorlogsgebied tevens drie ‘safe havens’ waren gevestigd. Het was spelen met vuur, zoals het Srebrenica-drama al spoedig toonde. De Amerikaanse strategie werkte in zoverre, dat in 1995 in Bosnië de situatie op het slagveld wijzigde. De Serviërs bleken niet langer de sterksten. Maar hoe functioneel was dat als het ging om het voorkomen van bloedvergieten en etnische zuivering? Weinig, want nu gingen de Kroaten op hun beurt over tot grootschalige etnische zuivering, in casu vooral in de Krajina. De Amerikanen bleken hun ‘kinderen’ niet in de hand te hebben.

Ook voor de Kosovo-tragedie draagt het Westen naast Milosevic en de UCK-leider Thaci een belangrijke verantwoordelijkheid. Milosevic had alles moeten doen om met de geweldloos opererende Kosovaarse leider Rugova een ‘deal’ te sluiten inzake teruggave van autonomie. Maar hij schoof alles op de lange baan, ook na Dayton, en daarmee toonde hij zich een slecht politicus. Maar ook het Westen had in Dayton niet de kwestie-Kosovo mogen laten liggen. Daarmee werd niet alleen de positie van de gematigde Rugova ondermijnd, maar ook de guerrillabeweging in de kaart gespeeld. In dit geval het Kosovaarse bevrijdingsleger (het UCK) onder leiding van Thaci, dat naar verluidt reeds vanaf 1997 in Albanië en later in de bergen van Noord-Macedonië door de Amerikaanse CIA werd getraind. Het UCK was op zich geen partij voor de Serviërs. Alleen een hit and run-guerilla had zin, maar door kwetsbaar vanuit versterkte fortdorpen te opereren wist ze niet alleen de Serviërs te verleiden tot een forse contraguerrilla, maar werd bewust ook het risico van burgerslachtoffers genomen. Burgerslachtoffers waren immers functioneel voor het oogmerk de NAVO tot ingrijpen te brengen.

Of het bloedbad in Racak in het voorjaar van 1999 voor dit doel door het eigen UCK in scène is gezet door na een gevecht de doden in een greppel te leggen, blijft onduidelijk, maar wel is er nu een breed gedeelde opinie dat het UCK de NAVO in 1999 voor zijn karretje wist te spannen. Dreigen met bombarderen werd de NAVO-strategie, maar als je dat te veel doet, is er op een gegeven moment geen weg terug. Toen het mede daardoor op een moment menens werd, verzette de EU zich eerst nog. Zij dwong de Amerikanen ‘Rambouillet’ af, waar echter nauwelijks werd onderhandeld maar sprake was van een dictaat: het was slikken of stikken. Lord Gilbert, de Britse onderminister van Defensie tijdens de NAVO-bombardementen, liet eind 2000 in een verklaring weinig heel van de Amerikaanse houding in Rambouillet. Men zou ‘met opzet’ met eisen zijn gekomen, die volgens hem ‘voor elke leider’, en zeker voor Milosevic, onaanvaardbaar waren. Hoe dit ook zij, de Europeanen hadden volgens mij zeker veel alerter moeten zijn voor het overdreven vernederen van Servië door de Amerikanen.

Toen Thaci ten slotte nog roet in het eten dreigde te gooien door evenals de Serviërs niet te tekenen, moest Madeleine Albright er aan te pas komen om hem dagenlang onder druk te zetten, omdat er anders niet gebombardeerd kon worden. Ik laat nu even in het midden of die bombardementen, afgezien van het ontbreken van een volkenrechterlijke basis, wel gerechtvaardigd waren, zoals velen nu betwijfelen, en ook of ze humanitair niet veeleer een averechts effect hadden. Mijn punt is dat hier de ook elders volgens de Amerikaan Noam Chomsky vaak toegepaste omstreden Amerikaanse methode van ‘oplossingen forceren door het eerst erger te maken’ lijkt te zijn gevolgd. Daarnaast duidelijk ook de vanuit de vredesoptiek omstreden strategie van (militair) partijkiezen in een conflict. Een belangrijk gevolg daarvan is vijanddenken, dus dat de tegenpartij wordt gedemoniseerd: op haar wordt alle schuld van de ellende gelegd. Maar een tweede gevolg is dat de Amerikanen, net als voorheen in Bosnië, hun eigen ‘kind’, het UCK, op een gegeven moment niet meer in de hand hebben.

Dat bleek in Kosovo zelf, waar vooral de niet-Albanezen het thans uiterst moeilijk hebben, als ze nog niet zijn gevlucht of weggejaagd. Het bleek in het voorjaar in de Presevo-vallei in Zuid-Servië en thans ook in Macedonië. Indien de EU en vooral de Amerikanen zich hierover nu grote zorgen maken, lijkt de uitdrukking ‘koekje van eigen deeg’ van toepassing. ‘Geweld loont’ is de boodschap die de radicale Albanezen tijdens de Kosovo-crisis door genoemde strategie en ook door de NAVO-bombardementen kregen. Logisch dat ze het ook in de Presevo-vallei en Macedonië via deze weg probeerden/proberen. Separatisme was na 1990 troef op de Balkan en de risico’s van verdere afscheiding in de zuidelijke Balkan zijn dan ook nog levensgroot aanwezig, ook in Montenegro. De UCK-rebellen mogen dan een akkoord hebben gesloten met de Macedoniërs, er is inmiddels een nog radicalere Albanese groep in het leven geroepen: de AKSH ‘(het Nationale Albanese Leger’), die dit akkoord onomwonden afwijst. Het is zelfs de vraag of Thaci niet daarin ook een belangrijke stem heeft en dus een dubbelrol speelt.

Tudjman was de grote kampioen van het afscheidingsvirus, en hij speelde zijn spel uiterst sluw. Bijvoorbeeld door Slovenië de kastanjes uit het vuur te laten halen, maar zelf in het geheim de nodige voorbereidingen te treffen. Milosevic kon lang niet tegen hem op. Die wilde Joegoslavië bijeenhouden, maar bevorderde met kortzichtig beleid, zoals inzake Vojvodina en Kosovo, indirect het separatisme. In zekere zin ook in de zuidelijke Balkan, hoewel dat ook geldt voor de NAVO-bombardementen, die een sterk verhardend effect hadden. Thaci maakt daar tot op vandaag gebruik van als de grote voorvechter van afscheiding in die regio. Ook Izetbegovic was een geduchte tegenstander van Milosevic. Onderzocht dient te worden in hoeverre hij betrokken was bij de door eigen mensen aangerichte bloedbaden in Sarajevo om de NAVO te brengen tot militair interveniëren.

Maar ook het Westen bevorderde in hoge mate het separatisme en dus indirect de oorlog. Door de voortijdige Duitse en daarna westerse erkenning van Kroatië, het terugfluiten door de VS van een reeds door de drie Bosnische leiders getekend akkoord in Lissabon, het militair partijkiezen voor Bosnische Kroaten en Moslims door de Amerikanen in 1995 en later idem voor het UCK van de Albanees Thaci in Kosovo, heeft het proces van afscheiding in hoge mate versterkt. En daarmee de sloop van de Joegoslavische federatie mede in de hand gewerkt. Dus het tegendeel van deze bijeen te doen houden, toen het nog kon op basis van hulp en de nodige politieke en economische hervormingen. Nog is het einde niet in zicht. Maar waarom zouden de Albanezen zich inhouden, als door vriendjespolitiek of onverantwoordelijk beleid van het Westen de Kroaten wel zelfstandig werden en zelfs hun Servische minderheid mochten verjagen?

Er is geen twijfel dat er in deze strijd oorlogsmisdaden zijn begaan en nog worden begaan. Zeer waarschijnlijk ook door de vier genoemde hoofdrolspelers Tudjman, Milosevic, Izetbegovic en Thaci, althans indirect. Nader onderzoek en rechtsgedingen zullen dat (voor Tudjman postuum) moeten uitwijzen.

Ik vat samen. Het is mijn overtuiging, dat niet één persoon, maar alle vier genoemde Joegoslavische leiders, en verder het Westen en in elk geval Duitsland en de Amerikanen tot de hoofdverantwoordelijken van het Joegoslavië-drama behoren. Geen van deze zes hoofdrolspelers gaat dan ook vrijuit als het gaat om begane oorlogsmisdaden, die direct of indirect voortvloeiden uit hun beleid. Dat één van hen wordt berecht door het Tribunaal is op zich positief, afgezien van de weinig fraaie of onoorbare rol van de Amerikaanse geldbuidel in deze om hem naar Den Haag te krijgen. Het geding zal echter de wrange bijsmaak van overwinnaarsrechtspraak behouden, indien niet tegelijkertijd de andere vijf hoofdrolspelers voor het gerecht worden gedaagd, of op z’n minst in het onderhavige rechtsgeding worden betrokken. Onderzoek zou tevens boven water moeten brengen in hoeverre ook onderlinge rivaliteit en strijd om macht en invloedsfeer een rol speelden bij het interveniëren van de grootmachten in het Balkan-conflict.