14 januari 2002

Na 11 september stonden de progressieve fracties in de Tweede Kamer en zeker GroenLinks voor een aantal wezenlijke dilemma’s.

1) De vraag of de wijze waarop de Amerikanen reageerden op 11 september, met name hun militaire vergeldingsreactie wel spoort met het internationale recht;

2) De vraag bij wie je als politici te rade moet gaan wanneer een calamiteit als 11 september op je afkomt, en je plotseling moet beslissen hoe je moet reageren als de ‘macht’ meent dat het operabel maken van artikel 5 van de NAVO en later het gooien van bommen daarvoor het geëigende antwoord is;

3) De vraag of je onder voorwaarden (proportionaliteit, niet te veel burgerslachtoffers enz.) voorshands akkoord kunt gaan met een militair antwoord, inclusief bombardementen, en daarin ook consistent kunt blijven;

4) De vraag welke houding aan te nemen tegenover een Nederlandse bijdrage, met F16-gevechtsvliegtuigen ter ondersteuning in geval van nood, aan een VN-legermacht in Kabul, een macht die zij aan zij opereert naast de oorlogsactie van de Amerikanen en zelfs onder hun opperbevel staat?

Ad 1) Helaas werd het eerste dilemma, behalve door de SP, niet of nauwelijks als zodanig gezien. Ook niet door de GroenLinks-fractie. Deze meent dat de Veiligheidsraad de Amerikanen het mandaat gaf om te reageren zoals ze deden. En mocht dat mandaat er wellicht toch niet helemaal zijn, dan is, zoals Farah Karimi het op 15 december uitdrukte, ‘het internationaal recht vloeiend’. Dat laatste is in zijn algemeenheid op zich juist. Het kan echter, met alle respect, niet als argument worden gehanteerd in een lopende zaak als deze, want het bestaande recht geldt, zolang niet gewijzigd. Het argument dat het recht vloeiend is, wordt vaak gebruikt als men (meestal een grootmacht) onder het recht uit wil. Het is dus niet ongevaarlijk zo’n modekreet over te nemen.

Wat de Veiligheidsraad betreft, beroepen de meeste fracties zich op de mythe dat Veiligheidsresolutie 1368 het Amerikaanse geweld jegens Afghanistan zou rechtvaardigen. Dit omdat daarin ‘het recht van zelfverdediging’ zou zijn genoemd. In de preambule van de resolutie wordt in zijn algemeenheid gesproken over het ‘recht van individuele en collectieve zelfverdediging’ in geval van een aanval van een staat, een recht dat geldt totdat de Veiligheidsraad maatregelen neemt. Het gaat in een Veiligheidsresolutie echter nooit om de inleidende overwegingen, maar om het operatieve gedeelte, dus de besluiten. Welnu, in het operatieve gedeelte van genoemde resolutie wordt 11 september niet gekwalificeerd als een ‘daad van agressie’, maar slechts als ‘een bedreiging van de vrede’, hetgeen geen recht geeft op een gewapende vergeldingsactie. Er was, met de woorden van Dick Leurdijk van Clingendael, ‘slechts een oproep aan alle staten samen te werken bij het voor de rechter slepen van de daders en organisatoren van de terreuraanslagen’, terwijl tevens ‘diegenen die hun onderdak boden daarvoor verantwoordelijk moeten worden gehouden, zonder dat dat nader werd ingevuld’ (Internationale Spectator, januari 2002).

De Nederlandse regering gebruikte bovengenoemd argument nochtans ter rechtvaardiging van haar steun aan de actie, maar volkomen ten onrechte: iedereen lijkt een oogje dicht te doen, maar wat gebeurt jegens Afghanistan en mogelijk straks andere landen, kan moeilijk anders worden gezien dan in strijd met het ‘geweldsverbod’ in artikel 2 van het VN-handvest. Kortom, alles lijkt gewoon een niet-gelegitimeerde Amerikaanse vergeldingsactie, net als in 1986 met Reagans represailles jegens Libië en ook Clintons bommen op een fabriek in Sudan en doelen in Afghanistan in 1998. Daarmee is, met de woorden van Meindert Stelling, veeleer sprake van een ‘ondermijning van de internationale rechtsorde’, terwijl GroenLinks juist een versterking hiervan beoogt, net als meerdere Tweede-Kamerfracties. *)

Ad2) Uit het voorgaande vloeit voort dat het voor de fracties zaak is bij internationaal geweldsgebruik steeds juristen, of liever volkenrechtdeskundigen te raadplegen, en zo mogelijk ook specialisten uit eigen kring. In dit geval uiteraard bij voorkeur voorafgaand aan het akkoord gaan met bijvoorbeeld, zoals op 12 september, het operabel maken van artikel 5 van de NAVO of aan het instemmen met de bombardementen vanaf 7 oktober en niet achteraf. Bijeenkomsten achteraf, ook gesprekken met de werkgroepen, hebben wel nut voor later, maar fungeren in de onderhavige zaak weinig anders dan stoom te mogen afblazen. De fracties hadden hun standpunt toen immers reeds bepaald. Nu na Afghanistan ook andere landen het doelwit kunnen worden, is het zaak dat de fracties zo snel mogelijk een BERAAD MET EEN AANTAL (VOLKENRECHT)DESKUNDIGEN organiseren om Veiligheidsraadresoluties 1368 en 1373 te toetsen, wat betreft geweldsmandaat, maar ook om na te gaan in hoeverre het Amerikaanse beroep op artikel 51 van het VN-handvest al of niet een drogreden is. Op het recente congres van GroenLinks in Utrecht heeft Paul Rosenmöller op een vraag van mijn kant publiekelijk toegezegd dat dit wat zijn partij betreft zou gebeuren. Van belang lijkt tevens DE INSTELLING VAN EEN WERKGROEP ‘TERRORISME’, die zich werpt op de studie naar de vraag wat (staats)terrorisme is, hoe dit kan worden onderscheiden van legitieme bevrijdingsbewegingen en hoe de voedingsbodem van terrorisme kan worden weggenomen en het anderszins adequaat kan worden bestreden zonder te vervallen in de huidige dominante militaire aanpak.

Ad 3) Meedoen aan oorlogen onder voorwaarden als proportionaliteit, precisie en aantallen onschuldige slachtoffers werkt niet in de praktijk. Het gaat gauw lijken op struisvogelpolitiek, dus het niet-onderkennen van de innerlijke logica van het militaire. Als je voor het militaire kiest, is er immers geen ontkomen aan dat dit zijn eigen wetten volgt overeenkomstig het stramien dat militairen willen winnen, en dus, indien nodig, bijvoorbeeld met steeds zwaardere bommen komen. Politici moeten dat weten, zoals ze zich ook bewust moeten zijn van de strategie van de Amerikanen om bijna steeds een bondgenootschap aan te gaan met de vijanden van hun vijand en die – althans na de Vietnam-oorlog – het hoofdwerk te laten doen, welke praktijken deze er ook op nahouden. Zeker een kleine partij kan zo’n stramien niet doorbreken. Consistent? Paul Rosenmöller en Farah Karimi betoogden dit toen ze zagen dat het geweld uit de hand liep en zij op hun eerste standpunt terugkwamen. Maar het militaire volgt z’n eigen weg, zeker wanneer tevens (de doelen van) een grootmacht in het geding (zijn) is, zoals het vermijden van gezichtsverlies.

Daarvan zoveel mogelijk de handen afhouden, lijkt voor een progressieve partij dan ook de minst riskante optie. Paul heeft op genoemd congres erkend fouten te hebben gemaakt. Het is op zich een vertrouwenwekkend gebaar om zoiets te doen. De vraag is alleen hoe je dat moet uitleggen. Had hij vanaf het begin een consequente pro-oorlogslijn gewild in de geest van Ab Harrewijn, die dat sterk heeft bepleit, of ging het om eensgezind zich meteen distantiëren van de bombardementen en een actief kiezen voor de voornamelijk niet-militaire strijd tegen het terrorisme? Ik hoop het laatste, ook al is het eerste niet uitgesloten, tenminste als de geruchten juist zijn dat KAMERLID TOM PITSTRA WORDT ‘GESLACHTOFFERD’ op de nieuwe hand-in-eigen-boezem-koers. In de zin van hem op de advieskandidatenlijst, die donderdag 17 januari naar buiten wordt gebracht, geen plaats meer te geven. Ik heb me op het congres verzoenend opgesteld, ook met betrekking tot de qua dictum onduidelijk geformuleerde, maar qua overwegingen goede motie van Guus Geurts inzake de anti-terrorismecoalitie. Tevens heb ik Paul gecomplimenteerd met zijn rede en zijn ruiterlijke erkenning. Maar als deze geruchten waar zijn, lijkt er sprake van een soort machtscoup achter de schermen om de pluriformiteit, hoezeer die ook verbaal door Paul werd geprezen, via de kandidatencommissie om zeep te helpen.

Het congres van 9 februari zal hiermee uiteraard niet akkoord gaan. Tom Pitstra heeft een goed en kritisch oog voor het weer sterk opkomende militarisme en vervulde in de fractie een voortrekkersrol, later gevolgd door Ineke van Gent wat betreft het terugkomen op de te snelle keuze ten gunste van de bombardementen. Zulke mensen kunnen niet worden gemist in de Tweede Kamer. Voor GroenLinks zou het zeer onverstandig zijn zulke voorhoedemensen op een zijspoor te zetten. Als het gerucht juist is, zal het meteen worden uitgelegd als ‘verrechtsing’ van de koers, zullen opnieuw mensen afvallen en wordt het enthousiasme in de verkiezingscampagne getemperd. Dan wordt de winst van het congres van 11 en 12 januari weer tenietgedaan. Maar het congres van 9 februari zal zo’n terugslag ongetwijfeld herstellen. Pitstra mag niet de zondebok worden voor de recent wat tegenvallende opiniepeilingen. Dan heeft Koos van Wees eerder gelijk, wanneer hij stelt dat deze ‘ook te wijten zijn aan een wat makkere houding van de GroenLinks-fractie in de Tweede Kamer’, dus dat ‘het vooruitzicht misschien te mogen meeregeren een verlammende werking op de fractie heeft, in elk geval op Rosenmöller zelf, die in debatten wat van zijn gebruikelijke scherpte lijkt te hebben ingeleverd in een poging de grotere partijen niet van zich te vervreemden’ (Leids Dagblad, 14-1-2002). Ik voeg eraan toe dat dat niet meer te merken was in de rede van Paul op het congres van zaterdag. Maar met zo’n rede had GroenLinks ook beter kunnen vasthouden aan, of kiezen voor het eerste reclamebureau, dat de verkiezingsleus ‘EEN STERKE OPPOSITIE’ had voorgesteld. Dat bureau had het veel scherper gezien dan het huidige, dat met de verkiezingsleus ‘NAAR EEN NIEUW EVENWICHT’ kwam. Het is onthullend dat de partij het eerste bureau naar huis heeft gestuurd en koos voor het laatste, met een meer op meeregeren gerichte leus, die herinnert aan D66. Jammer, want zo komen er minder kiezers, zeker als Pitstra daarvoor nu moet bloeden. Een weinig sociale handelwijze en een klunzige verkiezingsstrategie. De leus ‘Een sterke oppositie’ zou het imago van GroenLinks hebben versterkt en veel kiezers hebben getrokken. Alleen dat laatste geeft kans op regeringsverantwoordelijkheid.

Ad 4 )Er is met de VN-legermacht in Kabul iets dubbels. Blauwhelmen opereren op basis van vrede en neutraliteit of zijn gericht op bescherming van burgers. Nu gaat het niet om burgers, maar om het helpen beveiligen van een interim-regering en is er niet sprake van een echte vrede noch van een gerichtheid op neutraliteit. Ook is er een uitgebreid geweldsmandaat, in de zin dat men niet louter verdedigend, maar ook aanvallend mag schieten. Daardoor alleen al lijkt van een echte vredesoperatie nauwelijks sprake. Bovendien hebben de Amerikanen tegen de wil van Duitsland en Frankrijk het Central Command van de VN-macht, bestaande uit Britse, Duitse, Franse en Nederlandse (dus louter West-Europese) militairen, gekregen. Het tegelijk laten plaatsvinden van een oorlogs- en een (semi-)vredesoperatie is zonder meer al onverstandig, zoals al bleek in Bosnië. Dat geldt echter in versterkte mate door de laatste ook nog formeel te liëren aan de Amerikaanse vergeldingsactie. Woede over de steeds grotere tol aan Afghaanse burgerslachtoffers door de bombardementen kan leiden tot represailles jegens de internationale macht. De VN moeten er ook voor oppassen dat ze geen slippendragers van de VS worden. Hadden de VS niet beter zelf de drieduizend veiligheidstroepen kunnen leveren om het politieke machtsvacuüm, dat ontstond als gevolg van hun oorlogsactie, tijdelijk op te vullen rondom Kabul, naast hun gevechtshandelingen elders in het land?

Voor de Kamerleden was er nog de extra complicatie dat de regering akkoord ging met de Amerikaanse eis dat de zes F-16-gevechtsvliegtuigen tevens beschikbaar waren voor het verlenen van luchtsteun aan Amerikaanse grondtroepen. Aan dat laatste onthield Groenlinks-Kamerlid Farah Karimi gelukkig haar steun. Zij deed dat niet aan de operatie als geheel. Ik begrijp dat. ‘Peace-keeping’ ligt ook mij aan het hart. Maar het is wel een dilemma. Gezien het mandaat en de verbondenheid met de Amerikaanse oorlogsactie had men even goed afstand kunnen nemen van uitzending van Nederlandse militairen. In dit geval had dat wat mij betreft de voorkeur. Ook gezien de mogelijke extra risico’s door de informele band met de oorlogsactie. Een recent Amerikaans onderzoek spreekt van vierduizend burgerslachtoffers, om maar niet te spreken over de vele gedode militairen, en van nog eens tienduizend Afghanen die omkwamen van honger en kou, omdat ‘de vallende bommen hun toegang tot voedsel en bewoning onmogelijk maakten’. Dat zet, hoezeer velen de val van de Taliban ook als een bevrijding ervaren, kwaad bloed. Dat geldt temeer nu de bombardementen ondanks Afghaanse protesten maar doorgaan en nog steeds burgerslachtoffers eisen.

* Genoemd artikel van Leurdijk in Internationale Spectator, dat uitkwam op 8 januari jl. en waarin onder meer de stelling dat de Amerikaanse onderbouwing van het beroep op zelfverdediging ‘volkenrechterlijk en politiek een ongemakkelijk gevoel achterlaat’, heeft als titel ‘De strijd tegen het internationale terrorisme en het recht op zelfverdediging’. Deze maand verscheen ook een grondige analyse van Kenneth Manusama onder de titel ‘Terrorisme en zelfverdediging in de Veiligheidsraad’ in het tijdschrift Vrede en Veiligheid. Deze zegt daarin onder meer dat ‘de Veiligheidsraad in resolutie 1368 de haast voorspelbare Amerikaanse acties onnodig a priori de schijn van legitimatie heeft meegegeven’.