3 februari 2002

Inleiding door Hans Feddema

Op 9 februari is aan de orde de vraag of het GroenLinks-congres het aandurft tegen het advies van de kandidaatscommissie in Tom Pitstra een verkiesbare plaats [bij voorkeur 8] te geven op de lijst voor de Tweede-Kamerverkiezingen, of niet. Dan gaat het me niet eens om de vraag of een fractie altijd mans genoeg moet zijn een of twee personen met afwijkende visies in hun midden te accepteren. Indien een fractie daartoe niet in staat zou zijn, dient zij immers niet meer het woord ‘pluriformiteit’ in de mond te nemen. Nee, het gaat me er vooral om dat één persoon al door de kracht van zijn argumenten een sterke invloed kan uitoefenen in een fractie. Als dat over de wezenlijke vragen van oorlog en vrede gaat, is dat niet zonder betekenis. Welgeteld één persoon kan de doorslag geven. Was dat in 1999 het geval toen de fractie in meerderheid haar steun gaf aan de NAVO-bombardementen op Joegoslavië? Hoe dit ook zij, in zulke essentiële zaken kan één persoon met gezag ook een doorslaggevende invloed in de fractie hebben in positieve zin, zeker als je vanaf het begin daarvan deel uitmaakt.

Het is de reden dat iemand als Tom Pitstra beslist niet in de fractie mag ontbreken. Niet omdat hij en Ineke van Gent als enigen bij de eerste elf kandidaten door het pacifisme of antimilitarisme zijn beïnvloed, maar omdat een fractie zonder zijn geluid en zijn expertise op militair en buitenland terrein gemakkelijk kan afglijden in een ‘rechtse’ richting. Gezien de internationale spanningen en het opkomende militarisme geen gering risico voor de partij, zeker indien ze regeringsverantwoordelijkheid krijgt na de verkiezingen.

Alom komt er nu kritiek op de adviescommissie. Zo spreekt columnist Hans Wansink over ‘gebrek aan tact’, wat haar kan worden verweten (De Volkskrant, 2 februari) en Henk Koetsier over gerezen ‘twijfel over het politiek inzicht van de commissie’ (Hervormd Nederland, 2 februari). De commissie deed meerdere mensen onrecht, zeker ook Mohammed Rabbae door met hem geen tweede gesprek aan te gaan toen het eerste vastliep. In zijn plaats zijn er echter wel twee alternatieve allochtonen geadviseerd, namelijk Farah Karimi en Naima Azough. Voor Pitstra met zijn expertise echter niemand. Ik steun zeker ook Ineke van Gent, maar haar expertise ligt niet op de thans door mij als essentieel geachte imperialisme- en militarismeproblematiek — ik voorzag al tijdens het congres van 1998 dat we binnen de vier jaar zouden worden overvallen door oorlogen als die inzake Kosovo en Afghanistan — maar op een ander terrein. Rabbae heeft bovendien twee termijnen gediend, terwijl Pitstra na slechts een half jaar het bos wordt ingestuurd. En dat bovendien bij hem anders dan jegens Rabbae, Kohler en Roel van Duyn met een motivatie die zeer beschadigend is voor de persoon. Wansink zei terecht: “Het zal je maar gezegd worden.” Het is GroenLinks onwaardig zo op de persoon te spelen. Zo gaat men niet met mensen om. Het getuigt bovendien van gering politiek inzicht te denken dat mensen het ‘solisme’-argument niet zullen doorzien. Velen zullen het niet plaatsen van Tom Pitstra op een verkiesbare plaats opvatten als een politiek signaal, namelijk dat critici van de lijst moeten worden verwijderd. Had de commissie dat ook niet moeten of kunnen voorzien?

____

REACTIE OP EEN ADVIES

Door Tom Pitstra

(Januari 2002)

De GroenLinks-kandidatencommissie voor de Tweede Kamer velt in haar advies een hard oordeel over mij: ‘Tom Pitstra moet niet terug in de Tweede Kamer, hij is solistisch en niet loyaal.’ Met dit stuk probeer ik leden en congresgangers te informeren over mijn visie hierover.

Het is geen politiek, maar een psychologiserend oordeel. Over dit oordeel aangaande mijn persoon is door de commissie geen hoor en wederhoor toegepast. Juist omdat het een psychologiserend oordeel is, zou dat des te meer noodzakelijk zijn geweest. Ik kreeg geen kans de in het advies genoemde zware aantijgingen tegen mij te weerleggen.

Daar komt bij dat het oordeel tot stand is gekomen na een crisis in de fractie en in de partij inzake de bombardementen op Afghanistan. Achteraf is mondeling door de commissie gezegd dat het standpunt zelf geen rol heeft gespeeld, maar dat mijn wijze van omgaan met dit standpunt het probleem was. Toch kan de gang van zaken niet worden losgekoppeld van de inhoudelijke kwestie, lijkt me. Als ik het allemaal eens was geweest met het standpunt van de fractiemeerderheid, zouden allerlei spanningen niet zijn ontstaan.

Ik heb al tegenover de fractie toegegeven inzake de media soms fouten te hebben gemaakt. Mijn afwijkende standpunt werd soms misbruikt en dat heb ik niet altijd voorzien. In de totale beoordeling van de opstelling van de fractie inzake Afghanistan zijn er overigens wel meer fouten gemaakt. Ik vind het onredelijk, dat ik nu als een zondebok dien. Er waren enorme spanningen in de fractie, tussen de fractie en de diverse partijgeledingen en grote delen van de achterban. In deze spanningen had ik soms het gevoel als een bliksemafleider te dienen. Mij werd verweten dat ik op uitnodigingen voor spreekbeurten in afdelingen en provincies inging, dat ik soms een stuk in een krant schreef. Eigenlijk was de teneur: ‘We weten wel dat je tegen bent, maar we wensen dat je verder je mond houdt’. Ik heb mij in verregaande mate aan de wens van de fractie gehouden, hoewel het in een zo ernstige zaak als oorlogvoering niet misstaat om met twee standpunten naar buiten te komen.

GroenLinks benadrukt een pluriforme partij te willen zijn met diverse standpunten en discussie dus niet uit de weg te willen gaan. Inzake de oorlog in Afghanistan bleek men in de praktijk die pluriformiteit niet aan te kunnen, en nu moet ik van de lijst verdwijnen.

Het oordeel over mij is niet politiek gemotiveerd. Men houdt het op gebrek aan loyaliteit en solisme. Beide acht ik onterecht. Als voorbeeld noem ik dat ik mijn afwijkende standpunt in de fractie inzake het operabel maken van artikel 5 van de NAVO op 12 september niet naar buiten heb gebracht. In partijdiscussies bracht ik zelfs het fractiestandpunt in deze kwestie naar voren. Ook stemde ik een enkele maal tegen moties waar ik had kunnen voorstemmen, en later op spreekbeurten in het land probeerde ik altijd met zo veel mogelijk respect het fractiemeerderheidsstandpunt uit te leggen. Vraag het aan de GroenLinksers in Zeeland als hier toch aan wordt getwijfeld. Op een gewestelijke vergadering in Goes bleken vele GroenLinksers zich meer in mijn standpunt te kunnen vinden, terwijl sommigen zelfs vonden dat ik nog veel te veel was meegegaan in de beslissing om Bin Laden en zijn netwerk met militaire middelen te willen aanpakken.

Is het verder deloyaal als ik op uitnodigingen inga om te spreken op een PvdA-ledenvergadering? Is het deloyaal als ik honderden mailtjes krijg vanuit de hele achterban en dan mijn discussiestuk over deze zaak per e-mail toestuur? Veel mensen in de achterban reageerden positief op mijn standpunt Zij herkennen zich in mij. Anderen zijn het niet eens met mijn standpunt, maar vinden het wel belangrijk dat ook mijn geluid gehoord blijft worden.

De beoordeling solistisch kan ik evenmin plaatsen. In mijn eigen portefeuille overleg ik altijd met direct betrokkenen en neem ik regelmatig adviezen over. Ik ben wel eigenzinnig en eigenwijs, maar ik ben altijd een man van overleg. Hoe zou ik het anders zo lang in de senaatsfractie hebben kunnen uithouden? In die fractie werd het trouwens wel gemakkelijk geaccepteerd dat er soms verschillend werd gestemd, en dan altijd sans rancune.

Tot zover mijn korte reactie op het advies. Als mensen het naadje van de kous willen weten vanuit mijn visie, kunnen ze me mailen.

In de congreskrant is te lezen dat ik vind dat GroenLinks een radicale hervormingspartij moet zijn en op allerlei deelterreinen met een fundamentele analyse van de problemen moet komen en vooral ook met concrete en ingrijpende veranderingsvoorstellen. Op vele terreinen ben ik inmiddels woordvoerder geweest. Op zowel groene als linkse terreinen beweeg ik me op de linkervleugel van de partij. Of het nu gaat over legalisering van drugs of defensie of quotering van autokilometers. Ik accepteer dat die vleugel niet de mainstream van het denken in GroenLinks bepaalt, maar wel de nodige invloed heeft en tot zinnige en vruchtbare debatten leidt.

Laat de leden maar zeggen of ik een positieve rol kan blijven spelen in de pluriforme, open debatpartij die GroenLinks wil zijn. Ik heb gepoogd, ook nu weer zonder te polariseren en zonder de partij schade toe te brengen, mijn kandidatuur te handhaven.

In de korte tijd die ik had, heb ik op een aantal terreinen mijn visitekaartje afgegeven. Als ex-topsporter wordt er geluisterd naar mijn sportbijdrage, op visserij liet ik van me horen. Op mijn hoofdportefeuille Binnenlandse Zaken liet ik bij ingewikkelde en omvangrijke wetsvoorstellen (dualisering gemeentebestuur en BIBOB) zien het inhoudelijke en soms technische kamerwerk aan te kunnen en belangrijke amendementen in de wet te krijgen. Ook op onderwerpen als BVD, politie, integratie- en minderhedenbeleid en grote stedenbeleid moest ik me razendsnel en zeer intensief inwerken en kon ik een herkenbaar GroenLinks-geluid laten horen. Met de relevante instellingen en organisaties zijn relaties opgebouwd. Nogmaals, van solisme is geen sprake. Mijn werkwijze is juist altijd samen met aan ons verwante organisaties en instellingen tot een vruchtbare wisselwerking te komen.

De leden mogen het zeggen in onze partijdemocratie. Veel mensen kennen me van diverse optredens in en buiten de partij. De congresgangers zullen hun eigen ervaringen met mij toetsen aan het advies. Ik ben benieuwd.

Tom Pitstra is Tweede Kamerlid voor GroenLinks

Advertenties