15 februari 2002

Zoals in bijna elke partij zijn er ook in GroenLinks een linkervleugel, middengroepen en een rechterflank. Op zich is daar niets mis mee, als ze elkaar maar respecteren en ook eerlijk erkennen wanneer de ander eens een voorhoedevisie heeft. Maar het kleine van politici is dat ze dat niet gemakkelijk doen.

Opmerkelijk is nu dat bij partijen als de VVD en het CDA de politieke top meestal progressiever is dan de actieve achterban, terwijl dat bij GroenLinks op meerdere punten juist andersom is. Menno Hurenkamp heeft het dan ook bij het verkeerde eind als hij inzake GroenLinks spreekt over ‘de Haagse voorhoede en de conservatieve achterban’ (De Groene Amsterdammer, 9 februari 2002). Hij neemt klakkeloos over hoe de GroenLinks-elite zichzelf ziet en soms meewarig neerkijkt op haar achterban. Het is een attitude die je in het algemeen bij elites tegenkomt. Macht corrumpeert. Ook bij een idealistische partij kan zo’n attitude toeslaan.

Signalen daarvan zijn als idealen te veel plaats maken voor retoriek, modedenken of opportunistische machtsspelletjes. Dat gebeurt als de idealisten, die de aanzet gaven tot een nieuwe beweging, op een gegeven moment worden overvleugeld door ‘opportunisten’ . De laatsten melden zich aan als een nieuwe beweging succes lijkt te hebben. Op zich is dat prima. Ze willen helpen de beweging structuur te geven en er is tegelijk de mogelijkheid tot het verkrijgen van baantjes. Maar de keerzijde hiervan is dat zij de koers in conservatieve richting kunnen laten afglijden, als ze menen dat het politieke klimaat even niet meezit voor de idealen van de oprichters.

Zo erg is het nog niet met GroenLinks, maar rondom het congres van 9 februari in Amersfoort kwamen er niettemin bedenkelijke symptomen aan het licht. In de eerste plaats hield Paul Rosenmöller geen overtuigende rede. Dat kon moeilijk anders, omdat er ook twee steken onder water richting een collega in werden verweven. Van Paul had mogen worden verwacht dat hij met verve een diepgaande analyse had gegeven van de huidige internationale crisis. Wat Nederland betreft had hij een grondig commentaar moeten geven op de zorgelijke situatie waarin zowel de democratie als de politiek zich bevindt. Het bleef echter bij wat retorisch napraten van de media, over Fortuyn en over de recente Europese kritiek op het Amerikaanse militarisme en unilateralisme.

Veel ernstiger waren echter de boven tafel gekomen spelletjes jegens kandidaten als Tom Pitstra, Frank Köhler, Roel van Duijn en Mohammed Rabbae, waarin een deel van de fractie en van de kandidatencommissie betrokken was.

De eerste drie zijn allen goede maar niet direct te disciplineren politici. Dit laatste is mogelijk een belangrijke factor dat zij niet op de advieslijst voorkwamen. Bij Mohammed, die zich wel eens versprak, maar niet gauw vanuit zijn geweten een uitgesproken minderheidsstandpunt innam in de fractie, ligt dat anders. Een kamerlid zweert een eed dat hij zijn geweten zal volgen. Fractiediscipline eisen bij zoiets principieels als bijvoorbeeld grootschalige oorlogvoering kan dan ook niet, zeker niet in een ethisch-progressieve partij.

Toch was er vreemd genoeg verzet van de fractie tegen genoemde drie, en niet tegen Mohammed. De laatste kreeg zelfs nog bloemen van Paul, toen hij het na plaats 9, waarop hij het moest afleggen tegen Ineke van Gent, voor gezien hield. De fractie achtte Tom, Frank en Roel echter een bedreiging voor zichzelf. Welnu, als ‘macht’ zichzelf meent te moeten ‘beschermen’ en daarvoor een truc bedenkt, wordt er, anders dan bij de machtelozen, per definitie geweld toegepast. Jegens Roel en Frank kon men het nog een beetje netjes doen. Zij hadden weliswaar lokaal en regionaal een grote staat van dienst, maar landelijk niet. Tom had daarentegen als Eerste Kamerlid de partij tien jaar landelijk gediend. Hij is tevens een fractiegenoot, die bovendien binnen een half jaar in de Tweede Kamer een zekere bekendheid wist te verwerven door zijn voortrekkersrol inzake de Afghanistan-oorlog. Om Tom kwijt te raken, was dus veel meer nodig.

Bovendien had Tom gewoon pech. Als je hem enige tijd leert kennen, raak je onder de indruk van zijn engagement en radicale visie en vergeet je dat hij geen gemakkelijke gesprekspartner is. Dat zou ook zijn gebeurd, als hij vanaf het begin deel had uitgemaakt van de fractie. Maar hij kwam er pas aan het eind van de rit in, en uitgerekend in die korte periode ontstond ook nog de Afghanistan-crisis. Dat die crisis over en weer irritaties gaf, is geheel te begrijpen. Ook enigszins begrijpelijk is, dat de frustratie daarover door de fractie werd neergelegd bij één persoon: de dissident. Een zondebokmechanisme is in zo’n situatie tijdelijk bijna onvermijdelijk. Maar volwassen en ethische mensen komen daarna algauw tot bezinning. Ze zien in dat het onrechtvaardig is de schuld van conflicten aan één van de partijen te geven. Dat die zelfreflectie en dus ook de poging om te verzoenen er niet kwam bij de fractie, pleit niet voor haar. Hieruit blijkt eens te meer dat conflictoplossing helaas haar zwakke plek is.

In plaats van alternatieve middelen centraal te stellen, grijpt de fractie te snel naar het middel geweld. Inzake Kosovo en Afghanistan waren dat bommen, en nu is karaktermoord het middel tot conflictoplossing. Dat een commissie zich er toe leende aan dat laatste mee te doen en dus de rol van ’beul’ te vervullen, brengt het democratisch gehalte van GroenLinks in gevaar. Opvallend was dat de fractie zozeer onderdeel of initiatiefnemer van de geregisseerde valkuil voor een collega was, dat niemand van de fractie tijdens het congres ook nog maar iets kon ondernemen om hem te rehabiliteren. Misschien waren Pauls bloemen voor Mohammed hypocriet, maar zijn stilzwijgen bij Toms aftocht was een ontmaskering. Ook op dat moment maakte het zichtbaar dat de fractie zelfs intern al geen raad weet met conflicten. Te vrezen valt dat bij een onverhoopte herhaling van iets als 11 september of een nieuwe oorlog de fractie zonder Tom erbij dus een bedrijfsrisico zal zijn voor de partij.

Tom had op het congres op een gegeven moment 44 procent van de stemmen, een zeer grote minderheid die het harde oordeel over hem negeerde en niet geloofde, maar hij haalde het uiteindelijk toch niet. Waarschijnlijk waren de middengroepen onvoldoende geïnformeerd over wat er gaande was en durfden ze het daarom niet aan op hem te stemmen. Dat Tom al op 12 september 2001 het hoofd koel hield en het ondanks de grote druk van de VS onnodig vond om artikel 5 van de NAVO operabel te maken, wist men niet op het congres. Hij had dat uit loyaliteit met de fractie niet naar buiten gebracht. Maar achteraf kreeg hij wel degelijk gelijk inzake artikel 5.

Technisch was het van bovenaf knap geregisseerd om het jegens Tom niet politiek te duiden, maar op de persoon (‘solisme’, ‘niet-loyaal’) te spelen; ethisch en menselijk was het echter verre van fraai. Op zo’n doelgerichte karaktermoord zal nooit zegen kunnen rusten. Het is duidelijk dat de stroming in de partij waartoe Tom behoorde, zich nu vernederd en wat verweesd voelt. Zij werd geheel overvallen door de ‘beulsrol’ van de commissie. Toen bekend werd dat Tom, en ook Roel, Mohammed en Frank van de advieslijst waren afgevoerd, was de termijn verstreken om zich nog als congresdeelnemer aan te melden.

De conclusie van dit alles is dat genoemde stroming zich veel beter moet organiseren om haar idealen binnen de partij staande te houden. Mogelijk steken er binnenkort een aantal GroenLinksers de koppen bij elkaar om zich op een en ander te beraden. De gepleegde karaktermoord is nu een feit. Het is erg voor de betrokkene en de stroming die hij vertegenwoordigt, maar ze slaat ook terug op de daders en daarmee op het elan van de partij. Diepgewortelde overtuigingskracht en inspiratie vanuit het hart kan men voorlopig van de partijelite niet of nauwelijks meer verwachten. Dat zou na 9 februari ook te weinig geloofwaardig overkomen. We zullen het de komende tijd vooral moeten doen met retoriek, woordgrapjes en slimme opzetjes, om de concurrenten vliegen af te vangen. Jammer van Groenlinks en haar idealen.

Dit artikel werd gepubliceerd in het maartnummer van Kleintje Muurkrant en in verkorte vorm in Hervormd Nederland van 2 maart 2002.