26 april 2002

In de parlementaire enquête over ‘Srebrenica’, waartoe de Kamer op 25 april besloot, zullen een aantal tot nu toe onderbelichte, maar voor het verloop van het drama wezenlijke zaken moeten worden uitgediept. Ik doel onder meer op de vraag waarom Dutchbat allengs anti-Moslim werd en ook in hoeverre dat doorwerkte tijdens de dramatische julidagen van 1995. Voorts denk ik aan de gevolgen van de aanwezigheid in Srebrenica van een Moslimleger van circa zesduizend soldaten, onderdeel van de 28ste divisie van het Bosnische regeringsleger. In de eerste plaats de gevolgen voor de relatie tussen Dutchbat en de Moslims en ten tweede de gevolgen voor de opstelling van de Serviërs, ook omdat de Moslimsoldaten onder leiding van de omstreden Nasr Oric regelmatig bloedige uitvallen deden naar de omliggende Servische dorpen. Uitdieping van deze zaak in de enquête is des te belangrijker, nu Netwerk via een NIOD-onderzoeker op 25 april bekendmaakte dat de Amerikanen deze soldaten ondanks een VN-wapenembargo jegens Bosnië in het geheim van wapens voorzag, terwijl nota bene demilitarisatie van Srebrenica juist een van de taken van Dutchbat was.

Ik verbind de ook door NIOD gesignaleerde anti-Moslim-houding van Dutchbat aan het falen van de politici in het jaar 1993, rondom de uitzending, en in de periode tot juli 1995. Premier Kok stelde begin april van dit jaar dat ‘niets doen geen optie’ was. Een dooddoener, want er waren genoeg alternatieven iets te doen in Midden-Bosnië, vooral humanitair zoals ‘blauwhelmen’ al deden, maar precies de Srebrenica-operatie was geen optie, of met de woorden van het NIOD, ‘ondoordacht’ en ‘onuitvoerbaar’. Zelf zeg ik dat niet áchteraf. Aan Srebrenica en het ‘safe area’s’-concept lag voor mij vanaf het begin de dwaze gedachte ten grondslag dat men vrede kon handhaven in een gebied waar geen vrede heerst. Een safe area creëren in een oorlogsgebied is onzinnig, zeker in steden als Srebrenica, Zepa en Gorazde, waarvan de militaire inzet voor de oorlogvoerenden centraal stond; voor de Moslims om ze te behouden en voor de Bosnische Serviërs om ze te veroveren. Te meer omdat slechts een van de partijen had ingestemd met het instellen van de safe area, de ander uitdrukkelijk niet.

Het gebeurde op verzoek van de Moslimregering in Sarajevo, die inzag dat de steden militair volstrekt onhoudbaar waren en evacuatie van de bevolking eigenlijk de enige keus was om bloedvergieten te voorkomen. Zij klampte zich vast aan het safe area’s-plan. Het bood een kans het Westen in de oorlog te betrekken en zo de drie steden wellicht te kunnen behouden. Ook leek evacuatie van de bevolking dan voorlopig niet nodig. Een safe area wekte immers de schijn van beschermplaats voor non-combattanten, wat meestal wordt aangeduid met een bijna identieke term, namelijk ‘safe haven’. Er bevonden zich in Srebrenica wel veel vrouwen, kinderen en senioren, maar de stad was geen safe haven voor non-combattanten, omdat er, zoals gezegd, circa zesduizend soldaten verbleven. Dat maakte de zaak extra complex en dubbelzinnig. Als peace-keeping-eenheid was Dutchbat gericht op neutraliteit, en dat botst nu eenmaal met het herbergen van soldaten van een van de partijen.

Vertrek van de soldaten naar elders in Bosnië of tijdelijk de wapens afgeven aan Dutchbat had voor de hand gelegen. In elk geval was het militair provoceren van de tegenpartij wel het laatste wat de hoeders van een safe area konden toestaan. Maar de Moslimsoldaten wilden beslist geen demilitarisatie en werden daarin gesteund door ‘Sarajevo’. Safe area of niet, voor hen bleef Srebrenica een stad in oorlog en daarmee een uitvalsbasis naar de omliggende Servische dorpen. Door de aanwezigheid van Dutchbat kregen ze in hun optiek veeleer ruimte vrij om zich beter te kunnen wijden aan hun oorlogstaak via het doen van uitvallen. Dat was Dutchbat, dat onder meer als taak had ‘het ontmoedigen van agressie door aanwezigheid’, uiteraard een doorn in het oog, maar het kon daar weinig tegen uitrichten. Dutchbat kreeg het idee onder het mom van neutraliteit min of meer voor het karretje van een van de partijen te zijn gespannen. Reden dat het allengs niet meer boterde met de Moslims.

Men sprak een uiteenlopende taal of had voortdurend verschillende agenda’s en verwachtingen. Dat is doodvermoeiend. Het leidde bij Dutchbat tot een groot gebrek aan motivatie. Bepaald niet de basis om in tijden crisis creatief te opereren. Ik ben het dan ook niet eens met het NIOD-rapport, wanneer er wordt gesteld dat de anti-Moslimhouding van Dutchbat geen negatief effect had op zijn opereren in juli 1995. Dat effect was er wel degelijk. De demoralisering van Dutchbat was er voornamelijk toe te herleiden.

Die demoralisering was een indicatie van het failliet van de operatie vanaf het begin. Minister van Defensie Ter Beek had dit moeten voorzien en er dus zo in 1993 nooit aan moeten beginnen. Maar ook in 1994, toen men merkte dat Dutchbat in plaats van aan peace-keeping te doen, een pion werd op het schaakbord tussen twee oorlogvoerenden, had men de fout kunnen herstellen door zich net als de Canadese voorgangers tijdig terug te trekken. Minister Voorhoeve schijnt er aan gedacht te hebben. Had hij het maar gedaan, dan was er een einde gekomen aan de illusie van schijnveiligheid. Sarajevo had zich dan op een andere strategie kunnen bezinnen, waardoor er waarschijnlijk heel wat Moslimmannenlevens waren gespaard. “Wie goedbedoeld de slachtoffers centraal stelt zonder naar de politieke context te kijken, kan wel eens meer slachtoffers maken dan helpen.” Het is een uitspraak van de filosoof Hans Achterhuis naar aanleiding van de NAVO-bombardementen op Servië en Kosovo, maar ze is minstens zo relevant voor het Srebrenica-debacle.

Een tweede kwestie die meestal over het hoofd wordt gezien, is dat Dutchbat, eenmaal in het wespennest beland zonder dat de politiek erop terug wilde komen, in het veld meer alternatieven tot zijn beschikking had dan de militaire strijd. Vechten viel niet binnen zijn mandaat, maar los daarvan was dat gezien de krachtsverhoudingen ook geen optie, zegt het NIOD terecht. Ook luchtsteun had niet geholpen. Srebrenica was medio 1995 geheel omsingeld en gelegen in een vallei, onbereikbaar voor hulp. Bovendien had Mladic dertig Dutchbatters gegijzeld. Dutchbat had echter de regie in handen moeten nemen, toen het merkte dat de beruchte Nasr Oric, die heel wat Serviërs uit de omliggende dorpen over de kling had gejaagd, met instemming van Sarajevo naar Tuzla was vertrokken. De Moslimsoldaten waren daardoor in de crisis van juli 1995 verstoken van hun leider, wat onder meer leidde tot de chaotische en onverstandige uitbraak van een deel van hen. Het zette extra kwaad bloed bij Mladic, maar erger was dat die mannen daarmee uit het zicht van Dutchbat kwamen, zodat de vijand naar believen met hen konden handelen.

Hetzelfde bleek het geval toen Dutchbat gedwee de hekken van de compound Potocari opende voor de Serviërs, overigens zonder dat er aanwijzingen zijn dat Mladic het plan had die met geweld te forceren. Daar had namelijk een ander deel van het Moslimleger samen met (andere) mannen en vrouwen zijn toevlucht gezocht. Dutchbat had de poort natuurlijk dicht moeten houden, maar ook als Mladic de hekken had geforceerd, was het een optie geweest gewoon met de Moslimmannen mee te gaan, en er op te staan hen niet in de steek te zullen laten, totdat hun veiligheid was verzekerd. Mladic zag, zoals gebruikelijk op de Balkan bij oorlog, alle mannen van rijpe leeftijd als soldaten, maar ook die hebben rechten als krijgsgevangenen. Waarnemers hadden die rechten kunnen waarborgen. Het mandaat, nogmaals, sprak niet voor niets over ‘het ontmoedigen van agressie door aanwezigheid’. De Dutchbatters hadden dus in de buurt van de mannen moeten blijven als ‘pottenkijkers’, die elk moment groot alarm konden slaan.

Het was een blunder van Voorhoeve dat hij dat niet zag en Karremans daar niet op wees. Het maakt de schuld van de politiek in deze nog erger. Dutchbat had dat trouwens ook zelf kunnen of moeten bedenken. Het is alleen de vraag of het in de kritische julidagen van toen zelfs voor een waarnemerstaak nog wel de kracht had, totaal gedemoraliseerd en uitgeput als het was. Zo is de cirkel rond, omdat de demoralisering, zoals ik aantoonde, alles te maken had met de allengs ontstane anti-Moslimhouding van Dutchbat, en het laatste op zijn beurt te herleiden is tot het onzinnige idee van het handhaven van vrede in een gebied waar in het geheel geen vrede heerste. De verantwoordelijke politici hadden veel eerder moeten aftreden en hebben nu in de enquête heel wat uit te leggen. Het partijkiezen met geweld of via dubbelzinnige constructies als safe area’s werkt escalerend en maakt extra slachtoffers. Dat is één. Ten tweede kan peace-keeping niet zonder instemming van beide partijen via een bestand of vredesakkoord, en ten derde heeft humanitaire interventie slechts zin indien men die strikt beperkt tot het afzonderen en redden van non-combattanten. Ziedaar in drie punten samengevat de les van Srebrenica.

Advertisements