September 2002

Eens riep de joodse profeet Jesaja zijn volk op recht en gerechtigheid te doen met de koppeling dat vrede daarvan de vrucht zal zijn. Zoals er ook een wisselwerking bestaat tussen ongerechtigheid en geweld. Ik ben het stadium van blinde solidariteit als ‘politiek concept’ al lang voorbij en zie nu meer in Jesaja’s model van ‘vrede door gerechtigheid’. Ook voor de oplossing van het Midden-Oostenconflict ligt hier de sleutel. Lang zagen we dat niet. We kozen partij, al of niet vanuit een onbewust collectief schuldgevoel, en liepen daarmee vast. Zoals dat in de lijn ligt met solidariteit van right or wrong, it is my underdog. De underdog (onderdrukte) van nu is nogal eens de ‘upperdog’ (onderdrukker) van morgen.

Vanuit die optiek stel ik de vraag of de politiek-zionistische beweging, eind negentiende eeuw in Oost-Europa mede door Theodor Herzl ontstaan, gezien het vele daardoor opgeroepen en/of gecreëerde geweld en bloedvergieten tot op de dag van vandaag, achteraf gezien niet een grote vergissing was – ook in het licht van de Verlichtingsidealen, die in die eeuw opkwamen. Herzl was een kind van zijn tijd. Het hebben van koloniën werd toen gezien als een doodnormale zaak. Waarom kunnen de joden, zo kan hij hebben gedacht, ook niet ergens een kolonie of een land hebben? Dit mede als reactie op de Dreyfusaffaire, waarin de joods-Franse kapitein Dreyfus uiteindelijk wel gratie, maar geen vrijspraak kreeg en Herzl concludeerde dat het Franse volk met dat proces in de figuur van Dreyfus alle joden wilde treffen. Zo werd Herzl politiek-zionist. Hij zag het zionisme als ethisch ideaal; hij wilde der Judenstaat, die model zou staan voor de menselijkheid, naburige landen nooit zou aanvallen en “alleen door de geest zou heersen”. In de praktijk groeide de beweging echter uit tot een omstreden verlate settlers-kolonisatie, en dat in een tijd dat elders het dekolonisatieproces aan zijn opmars begon.

Politiek-zionisme ontstond tegelijk met het toen opkomende nationalisme van ‘elk volk zijn eigen staat’. Het kreeg daardoor ook meer kracht, ook al doorzag men toen niet dat het een onbegonnen zaak was alle volken een eigen staat te geven, als we alleen al bedenken dat Afrika ruim tweeduizend volken telt. Bovendien is er nergens meer een echt etnisch homogeen gebied in de wereld. Ook daarom was nationalisme van ‘élk volk zijn eigen staat’ geen goede gedachte, zeker nu we weten tot welk onheil nationalisme al spoedig zou leiden. Daarbij kwam nog dat met een joodse staat in Palestina twintig eeuwen geschiedenis zou worden teruggedraaid, waarin het volkenrecht niet voorziet en wat zonder precedent is. Herzl wist bovendien dat Palestina een bewoond deel van het Turks-Ottomaanse Rijk was, reden dat hij dacht aan een joodse staat elders, zoals in Uganda. Maar Russische zionisten drukten op een congres de keuze voor Palestina door, hoezeer ook bekend was dat het Ottomaanse rijk een joodse staat uiteraard niet zou dulden. Het ging dus (voorlopig) om het vestigen van (joods-Europese) kolonisten, vooral boeren, net als toen in Kenia en zuidelijk Afrika het geval was.

Hoe dan ook, de idealist Herzl maakte bij dit alles twee grote fouten. Hij doorzag niet dat het jodendom twee kanten heeft, niet slechts die van te willen dienen, in de woorden van Lerner, “als een licht voor de naties, die zich bekommert om het lot van de wereld en niet alleen om dat van de eigen stam”, maar ook een van eng-nationalisme. Een kant die in de harde realiteit van de koloniale situatie algauw de boventoon zou gaan voeren. De tweede fout was de grote blinde vlek van Herzl inzake de niet-joodse autochtonen in Palestina. In zijn dagboek schreef hij op 12 juni 1895: “Wanneer we het land bezetten (…) moeten we langzaam maar zeker het privé-bezit op de landgoederen die voor ons bestemd zijn, onteigenen en proberen de arme bevolking stiekem over de grens te zetten”. Herzl’s biograaf Beller wijt dit aan zijn “koloniale mentaliteit”, die overigens in die tijd vrij algemeen was in het Westen.

Nu waren de Palestijnse autochtonen (rond 1900 zo’n 96 procent van de inwoners), met wie tot de komst van de zionisten de joodse autochtonen (ongeveer 4 procent) in vooral Jeruzalem, Haifa en Tiberias vrij harmonieus samenleefden, in hun reactie op de komst van de westers-joodse immigranten vaak ook geen lieverdjes. Tot op vandaag, waarbij je de vraag kunt stellen of de verwerpelijke zelfmoordacties zich niet tegen henzelf keren. Maar inclusief denken bij conflicten vraagt nu eenmaal de bereidheid in de huid van beide conflictgroepen te willen kruipen. Welnu, het was niet onbegrijpelijk dat de Palestijnse autochtonen de zionistische kolonisatie – even ter oriëntatie: waar nu de stad Tel-Aviv ligt, bevonden zich voorheen Arabische dorpen – steeds onrechtvaardiger begonnen te vinden. Dit ondanks het argument dat er in Palestina ooit een joods bewind was. Zouden ook wij niet pijn en boosheid voelen als de Friezen Noord- en Zuid-Holland, dat eens tot hun Friese rijk behoorde, weer zouden opeisen? Nu gaf de holocaust het zionisme later wel een grote politieke en bijna morele kracht. Het zionisme kreeg mede daardoor de wind in de zeilen, maar bracht het ook vrede en veiligheid? Nee, het was en is helaas een weg vol van geweld en bloedvergieten, eigenlijk vanaf 1929 tot nu. Israël is bepaald niet een vredig land. Er zijn ook nogal wat Israëliërs die vertrekken naar het meer veilige Europa. In dit licht lijkt het politiek-zionisme mislukt.

Zoals gezegd overwoog Herzl eerst een kolonie elders, bijvoorbeeld in Uganda, overigens ook bewoond. Eenmaal voor Palestina gekozen, deed Zangwills slogan ‘Een land zonder volk voor een volk zonder land’ opgeld, totdat joodse migranten bij hun aankomst merkten dat het land wél bevolkt was. Daarna was er de redenering dat joden aan niet-joodse gemeenschappen in ‘Palestina’ vooruitgang en voorspoed kwamen brengen, kortom de in de koloniale tijd gebruikelijke retoriek. Geen misverstand alstublieft, ik vind dat de staat Israël, nu die er eenmaal is krachtens Resolutie 181-III van de Algemene Vergadering van de VN in 1947, en zeker na ruim vijftig jaar, bestaansrecht heeft en wellicht ook toekomst, mits het naast zich de in die resolutie tevens genoemde Arabische staat als Palestijnse staat accepteert. Maar een historische schets als deze is niet onzinnig en kan leiden tot bescheidenheid.

Dit te meer, omdat ook vandaag in Israël nog veel te herleiden is tot oude zionistische reflexen, zoals het subtiele, almaar voortgaande landjepik op de Westoever en in de Gazastrook via joodse nederzettingen aldaar. En omdat arrogantie, de tegenpool van bescheidenheid, het laatste is wat men kan gebruiken in een conflictsituatie. Wat ook tot bescheidenheid kan of zou moeten stemmen, is het feit dat zowel het Ottomaanse Rijk, dat vanaf 1900 jaarlijks kleine aantallen zionistische immigranten toestond zich in Palestina te vestigen, als Engeland, de nieuwe machthebber aldaar na 1918, nooit een moment heeft overwogen daar een joodse staat toe te staan. Jaarlijks een beperkt aantal joodse immigranten binnenlaten, die daar landerijen opkochten van in Arabische steden woonachtige grootgrondbezitters (effendis), waarmee tevens de Palestijnse pachters (fellahin) op die landerijen erg werden gedupeerd, was genoeg in hun optiek. Een joodse staat in Arabisch gebied zou a) explosieve gevolgen hebben en b) niet-joden in die staat tot tweederangsburgers kunnen maken in eigen land, meenden ze, hetgeen later ook het geval bleek. De Engelse minister Balfour sprak in zijn Verklaring van 1917, en dat is in de propagandaoorlog vaak anders uitgelegd helaas, dan ook over een “home”, dus een ‘tehuis’ voor joodse immigranten en niet over een staat. Joodse critici van het zionistische project trokken eveneens op dit punt de grens. Ze vonden het prima dat zionisten vanwege het door hen ervaren antisemitisme zich probeerden te vestigen in ‘Palestina’, al of niet in kibboetsverband, maar het opeisen van een eigen onafhankelijke joodse staat wezen ook zij af.

Dit deed ook de bekende en gezaghebbende joodse politiek-filosoof Hannah Arendt. Al in 1944 waarschuwde ze veelvuldig voor een joodse staat, die volgens haar tot een “onoverkomelijk joods-Palestijns conflict zou leiden”. Dan beter een binationale of federale staat, waar beide volken in een regering zouden zitten, zodat het ene volk niet het andere kon onderdrukken of inferieur behandelen, zo betoogde ze. Ze ving bot en in 1948, dus nog lang voor de Israëlische bezetting van de Westoever van 1967 waarmee Israël als bezetter eerst met recht zijn ziel verloor, schreef zij de volgende profetische woorden: “Israël is door eigen toedoen aan het verzeild raken in een oorlog die steeds grilliger wordt en die nooit kan worden gewonnen. En zelfs als de joden die zouden winnen, zal het land iets anders worden dan waarvan wij hebben gedroomd. De joodse staat zal van alle kanten omringd worden door een louter vijandige Arabische bevolking, steeds verder teruggedrongen worden achter zijn grenzen en voortdurend bedreigd worden; de noodzaak van zelfverdediging zal zo’n obsessie worden dat het geen ruimte zal overlaten voor andere zaken: de politiek zal alleen over militaire strategieën gaan, de sociale experimenten als kibboetsen zullen als onpraktische zaken worden afgedaan en de economische ontwikkeling zal uitsluitend ten bate van oorlog komen. Dat zal het lot van het joodse volk worden, ongeacht hoeveel immigranten er de komende jaren nog zullen toestromen, ongeacht hoeveel land het nog van de Palestijnen zal innemen, het zal toch een heel klein land blijven, omringd door vijandige buren, het zal degenereren tot een van die kleine oorlogsstammen waar we sinds de dagen van Sparta niet meer van gehoord hebben, het zal de band met de joden in de overige delen van de wereld verliezen (…) Het zal een catastrofe worden, misschien wel de laatste catastrofe voor het joodse volk” (De Groene Amsterdammer, 3 augustus 2002).

Die catastrofe lijkt, de recente wapenstilstand van drie maanden even buiten beschouwing gelaten, thans met de abjecte zelfmoordacties van Palestijnse extremisten en het excessieve geweld van het Israëlische leger onder Sharon te worden ingeluid, maar we moeten niet vergeten dat ook Ben Goerion, de eerste president en stichter van de staat Israël, had kunnen zien wat Hannah Arend voorzag. Al in 1929 was het tussen de Arabische boeren en joodse immigranten in Hebron en Safad tot een explosie gekomen, waarbij zes nederzettingen werden vernield en 133 joden (naast een nooit vermeld aantal Arabieren) omkwamen. Ook de door de moefti van Jeruzalem in 1936 afgekondigde Palestijnse staking, als protest tegen de binnenkomst van tienduizenden joodse immigranten in de jaren dertig, leidde tot grote onlusten, als het ware een intifada avant la lettre. Zou het stichten van een joodse staat alles nog niet veel erger maken? Om aan dit dilemma te ontkomen, koos Ben Goerion anders dan Arend niet voor het opgeven van dat idee, maar juist voor het vasthouden daaraan en dan gepaard gaande met een subtiele of minder subtiele deportatie van niet-joodse autochtonen. In 1938 zei hij: “Via gedwongen verplaatsing van de Arabieren zullen we een uitgestrekt gebied verkrijgen. Ik steun gedwongen verplaatsing. Ik zie dat niet als iets immoreels” (J.M. Snoek in Trouw van 9 augustus 1988; zie ook Simha Flapan: The Birth of Israel, Myths and Realities). En uit 1948 dateert zijn uitspraak: “De Arabieren in het land Israël hebben nog maar één functie: te maken dat ze weg komen” (idem Snoek). Operatie-Dalet van maart 1948 van de joodse strijdkrachten toont aan dat Ben Goerion de joodse staat, die volgens het VN-verdelingsplan van 1947 bijna evenveel joden als Arabieren zou tellen, zo snel mogelijk wilde de-arabiseren. Nog voordat in een oorlog (1948) de Arabische legers zouden arriveren, moesten volgens die operatie de meeste Arabische dorpen worden vernietigd, terwijl andere daaraan konden ontkomen, als ze een witte vlag hesen.

De Israëlische historicus Benny Morris prikte in 1987 met zijn boek The birth of the Palestinian refugee problem al heel wat in Israël voor waar aangenomen mythen door, waaronder die welke de grootscheepse vlucht van Palestijnen in 1948 ziet veroorzaakt door ‘aansporingen van de radio in Arabische buurlanden’. Volgens Morris kwam die vlucht of beter verjaging door aanvallen en bewuste acties van de IDF, de Israëlische strijdkrachten, en zou die zodoende niet overal hebben plaats gevonden. Er werd bijvoorbeeld een uitzondering gemaakt voor plaatsen als Nazareth, waar veel christenen wonen, met als gevolg dat daar nu nog zo veel Israëlische Arabieren wonen. Het boekje Tachtig stellingen voor een nieuwe Israëlische vredesbeweging uit 2001, dat overigens het doel van het zionisme omschrijft als “het verwezenlijken van een homogene joodse staat op een zo groot mogelijk gebied”, spreekt op dit punt zelfs expliciet over “etnische zuivering” met een zekere systematiek, zoals de massamoord in het dorp Deir Yassin en het vernietigen van “zo’n 450 verlaten Arabische dorpen”, die vervolgens plaatsmaakten “voor nieuwe joodse dorpen met Hebreeuwse namen”. De Israëlische historicus Ilan Pappe onderschrijft dit (en ook dat in de zomer van 1948 inzake de achtergelaten oogst op de velden meteen maatregelen werden genomen om de terugkeer van de vluchtelingen tegen te gaan), maar hij meent dat het niet louter aan het leger lag. Het zou “een vooropgezet plan” van de politiek zijn geweest, waarbij hij onder meer verwijst naar operatie-Dalet (De Brug, september 2001).

Vanuit de zionistische ideologie lijkt dit alles heel verklaarbaar, wellicht ook omdat daarin het doel de middelen heiligt. Ik zie het niettemin als een zeer riskant gedrag, omdat een (kleine) joodse minderheid in een grote Arabische regio geen belang kan hebben bij het kweken van vijandschap met de Arabische buren, maar juist bij goede relaties met hen. Zo was ook, na 1967, het stichten van nederzettingen in de bezette gebieden spelen met vuur. Met die nederzettingen stuiten we echter, zoals Salomon Bouman het uitdrukt, op “de ziel van het zionisme”. Toen de Britten nog de baas waren, werden er volgens hem in Palestina vaak stiekem “in een nacht illegale nederzettingen opgezet. Hek en uitkijktoren heette dat toen” (NRC Handelsblad, 13 december 2002).

Die koloniale expansie, door ergens een geit en een hek te zetten, werd op een gegeven moment een tweede natuur van de immigranten, waarbij het ‘amorele’ daarvan nauwelijks meer wordt beseft. Toen Begin in 1977 de verkiezingen won, was zijn eerste uitspraak, dat er “honderden nederzettingen bij zouden komen” (idem Bouman). Hij bedoelde op de Westoever en in de Gazastrook, het Palestijnse gebied, waar na de oorlog van 1967 een onwettige joodse neokolonisatie begon, eerst gedoogd en later politiek en financieel gesteund door de diverse Israëlische regeringen. Een door de VN krachtig veroordeelde bezetting moeten verduren, is al heel erg voor de Palestijnen, maar ook nog aan te zien dat het land tussen hun dorpen in beslag wordt genomen ten behoeve van joodse kolonisten, is wel heel moeilijk te verteren. Een van de ergste fouten van de Oslo-akkoorden was dat daarin niet een clausule werd opgenomen voor een bouwstop van Israëlische nederzettingen. Die bouw ging tijdens het Oslo-proces dus gewoon door. Premier Rabin en zeker ook Arafat hadden moeten beseffen dat dat bij de Palestijnse achterban tot een verzetsexplosie moest leiden. Arafat had zonder die bouwstop het Oslo-akkoord beter niet kunnen tekenen. Te meer omdat men zich achteraf gezien kan afvragen of het op zich te waarderen vredesproces van Oslo niet meer was dan, in de woorden van Norman G. Finkelstein, “de schepping van een Palestijns Bantoestan door de PLO te verleiden met een beetje macht en bevoorrechting” (De Groene Amsterdammer, 4 mei 2002).

Kortom, het zionistische experiment blinkt niet uit in vredesgeest als vrucht van eerlijk delen, als men tevens bedenkt dat het in Oslo niet ging om een regulering van de VN-fifty-fifty-verdeling, maar om slechts 22 procent van het oorspronkelijke Palestijnse grondgebied, waarover de VN in 1947 een bindende uitspraak deed. Ook in Camp David (2001) is slechts over die 22 procent onderhandeld. Israël krijgt op die manier met 78 procent meer dan het volkenrechtelijk toekomt. Als het gaat om billijkheid jegens beide partijen en Israël qua grondgebied alles al heeft, zelfs veel meer dan dat, is het nu zaak dat de wereld eindelijk ook de Palestijnen recht doet. Ik bedoel met de wereld vooral die Europese en andere landen, waaronder de VS, die in 1947 vóór VN-resolutie 181-III stemden. Ze zijn daardoor direct verantwoordelijk voor de volledige realisering van die resolutie. Nederland en de EU moeten zich dan ook niet laten aanpraten dat zij inzake het Midden-Oosten en het Israëlisch-Palestijnse conflict geen medezeggenschap zouden hebben. Door onze ja-stem voor VN-resolutie 181 hebben we de morele verplichting ervoor te zorgen dat ook de Palestijnen recht wordt gedaan. Temeer nu zij in vergelijking met Israël zeer karig lijken te worden bedeeld met de overgebleven 22 procent, waarover zij formeel ook nog niet eens mogen beschikken.

VN-resolutie 181-III van 1947 blijft, ook al konden de Arabische staten dat toen niet aanvaarden, een referentierichtlijn, omdat a) deze wettig is, de kleine omvang van de VN van toen ten spijt, en b) Israël daaraan de juridische basis ontleent dat in 1948 de staat Israël kon worden uitgeroepen. Voor de door Israël gepleegde bezetting van vreemd grondgebied zijn nu, naast de betreffende Conventies van Genève, vooral relevant Veiligheidsraadresolutie 242 (1967) en idem 338 (1973). Indien de politieke wil aanwezig is, kan met behulp daarvan worden bereikt dat het Palestijnse volk staatsrechtelijk zeggenschap krijgt over de door de PLO geaccepteerde 22 procent. Dit op basis van het VN-tweestatenmodel van 1947 en met het ongedaan maken van de Israëlische bezetting, inclusief de ontruiming door Israël van de joodse nederzettingen in de bezette gebieden, terwijl beide staten het recht hebben om Jeruzalem tot hun hoofdstad te kiezen en Israël zijn directe verantwoordelijkheid voor het Palestijnse vluchtelingenprobleem en het terugkeerrecht van Palestijnen in principe erkent.

Het lijkt simpel, maar in Camp David bleek dat ook dit minimaal lijkende pakket voor Barak (nog) te veel was. Van het al zo kleine Palestijnse gebied trok hij in zijn voorstel aan Arafat nog een derde af, namelijk Groot-Jeruzalem en een deel van elders door kolonisten bewoond gebied. De indruk is gewekt dat Barak op het punt van Oost-Jeruzalem de Palestijnen redelijk tegemoet zou zijn gekomen. Maar Charles Enderlin betoogt recent in een deze zomer uitgekomen boek, onderbouwd met aantekeningen verkregen van de deelnemers aan het Camp Davidoverleg, dat Barak in zijn voorstel aan Arafat niettemin diens volledige zeggenschap over de Arabische wijken van Jeruzalem en de Tempelberg niet heeft erkend. Over de deels nog in kampen levende 3,7 miljoen Palestijnse vluchtelingen was met Barak niet te praten. Dit omdat terugkeer het joodse karakter van Israël zou bedreigen. Over het bereiken van een compromis, ja zelfs over het vluchtelingenprobleem überhaupt zou in Camp David volgens Enderlin nauwelijks zijn gesproken (Le Monde, juli 2002). Bij dit alles zullen er zeker ook fouten zijn gemaakt door Arafat, maar tekenend is dat Barak minder grootmoedig bleek dan wel is gesuggereerd. Als hij, Ehud Barak, al geen vrede kon bereiken, hoe zal dat de road map van het Kwartet ten spijt, ooit kunnen met Arik Sharon, van wie het de vraag is of hij ten westen van de Jordaan wel een Palestijnse staat wil, ook al zegt hij het anders. Het is het politiek-zionisme dat hem en anderen maar parten blijft spelen, resulterend in de begeerte naar “een zo groot mogelijk, liefst vrij van Arabieren, bestaand gebied voor de joodse staat” (Tachtig stellingen voor een nieuwe Israëlische vredesbeweging).

Dit alles verklaart nogmaals waardoor, na juni 1967, het Israëlische expansieproces opnieuw begon en maar blijft doorgaan, zij het nu in de bezette gebieden, en waardoor Palestijnen en Israëliërs zo moeilijk tot elkaar kunnen komen. Daarbij komt dat Israël, vergeleken bij de Palestijnen, militair en economisch een Goliath is en ook daarom uit zichzelf moeilijk tot concessies kan komen. De wereld zal Israël daarom, eventueel door het uitoefenen van (krachtige) druk, moeten helpen over zijn eigen schaduw heen te springen. Vooral omdat Israël in wezen ook wel weet dat de Palestijnen, hun vreselijke zelfmoordacties ten spijt, aangaande hun politieke verlangens de gerechtigheid en het volkenrecht aan hun kant hebben. Probleem is dat Israël uit zichzelf niet de kracht lijkt te kunnen opbrengen die verlangens te honoreren. Dit komt wellicht mede doordat het denkt in termen van macht en handelt vanuit kortzichtig eigenbelang, terwijl de zionistische ideologie, hoe latent ook nog slechts aanwezig, zorgt voor het sussen van het geweten. Die ideologie vormt, wellicht meer bewust dan onbewust, mede daardoor nog steeds een blokkade voor vrede. Anderzijds beseft Israël ook meer en meer geen toekomst te hebben, tenzij het naast zich een volwaardige en leefbare Palestijnse staat toestaat, haar claims op Judea en Samaria opgeeft en aldus een vreedzame relatie met de Palestijnen opbouwt. Ziedaar de spagaat waarin Israël zich bevindt en waaruit het zichzelf niet schijnt te kunnen losmaken. Daarvoor is druk van buiten nodig. Het Kwartet en vooral de VS oefenen thans via de routekaart naar vrede politieke druk uit. Maar dat is niet afdoende. Ook economische druk zal nodig zijn. Dat kan heel gemakkelijk. Israël is immers economisch vooral afhankelijk van het Westen; als we alleen al denken aan het feit dat 35 procent van Israëls export naar de EU gaat. Heeft bijvoorbeeld de EU hierdoor, via opschorting van haar Associatieverdrag met Israël, niet een belangrijk drukmiddel in handen?

Israël wil doen voorkomen alsof alles draait om terreur en veiligheid. Natuurlijk moeten de Palestijnse zelfmoordacties stoppen, maar deze contraproductieve wanhoopsacties zijn niet de kern van het probleem. Ze zijn veeleer symptomen van de crisis waarin het conflict zich bevindt. En van de enorme frustraties onder de Palestijnen dat na het over hun hoofden heen genomen VN-besluit tot verdeling van het vroegere Palestina en later na de erkenning van Israël door de PLO, hen op het punt van staatsvorming maar steeds geen recht wordt gedaan, zelfs niet om te beginnen via opheffing van hun bezetting door Israël. Er is in de loop der jaren zo veel gebeurd, dat de Palestijnen op een gegeven moment geen andere uitweg zagen dan het gooien van stenen, wat later helaas uitgroeide tot schieten en erger. Nogmaals, dat Palestijnse geweld is, ook al wordt het gevoed door wanhoop, verre van goed, maar de bottleneck lijkt de zionistische begeerte naar steeds meer land, zij het gestuwd door een kleine groep en vaak niet gedeeld, maar wel gedoogd door het Israëlische volk.

Bij het helpen van Israël over zijn eigen schaduw heen te springen kan men niet langer volstaan met voorzichtig kritische opmerkingen. ‘Ik sluit vrede binnen twee weken’, zei de Israëlische vredesactivist Uri Avnery recent in NOVA. Hij heeft denk ik gelijk. Het kan in principe snel, als er maar de bereidheid is tot eerlijk delen. Maar omdat Sharon en niet Avnery aan de macht is, is grote externe druk nodig. En wel op korte termijn, want beide volken lijden nu wel heel erg aan elkaar. Druk op Israël moet overigens niet worden gezien als partijkiezen. Het is een vorm van meedenken in de huidige impasse, nu er tot voor kort bijna elke dag aan beide kanten doden vielen en het zionistische experiment aan zichzelf ten onder lijkt te gaan. Bij druk gaat het er ook om, dat het Westen zijn ‘kind’ tot de orde roept en het oproept eindelijk de relevante VN-besluiten na te komen en met de Palestijnen vrede te sluiten. Het is, zo zeg ik met Gretta Duisenberg, tijd dat de wereld Israël ertoe brengt een eind te maken aan de bezetting van de Palestijnse gebieden. Als de Veiligheidsraad dat nog niet kan of de VS het nog niet willen, zal de EU via haar Associatieverdrag met Israël daarin het voortouw moeten nemen.

Dit is een aangepaste tekst van de Lezing Midden-Oosten Symposium aan de Technische Universiteit Eindhoven op 26 september 2002

Naschrift januari 2006
De tekst van deze lezing verscheen eerder niet op mijn website. Wel werden grote delen daaruit gepubliceerd in 2004 in Het Parool via een intensieve dialoog van me met de voorzitter en vice-voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond. De Gazastrook is recent ontruimd door Israël, iets wat positief kan worden genoemd. Negatieve ontwikkelingen sindsdien zijn de bouw van de Israëlische muur, waardoor veel extra Palestijns grondgebied onder de schaduw van te worden ingelijfd leeft. Bovendien zijn er sinds 2000 weer talloze nederzettingen gebouwd op de Westoever, waardoor een ongedaan maken van de bezetting van de Westoever en Jeruzalem door Israël uit eigen beweging steeds meer een illusie lijken, met alle gevolgen van dien. Tenminste als men nog steeds uitgaat van de optie van ‘Twee volken, twee staten’. Er zijn de laatste tijd, nu de bezetting maar geen einde krijgt, steeds meer stemmen om die optie dan maar te laten varen ten gunste van een multi-etnische en multireligieuze staat, waarin joden en Palestijnen met gelijkwaardige rechten als burgers naast elkaar leven.