27 augustus 2004

Mient Jan Faber is geweldloosheid bijna een vies woord gaan vinden. Hij verweet deze zomer de kerken zich inzake de Kosovo- en Irakoorlog ‘genesteld te hebben in de voorhoede van een wereldwijde pacifistische beweging’ (Trouw, 9 juli). Tegelijkertijd hield premier Balkenende op 20 juli in Berlijn een omstreden rede tijdens de zestigste verjaardag van Von Stauffenbergs mislukte aanslag op Hitler (1944). Faber en Balkenende verwezen beiden naar een tiran en waren allebei voorstander van de ‘preventieve oorlog’ van Bush en Blair tegen Irak. Op het moment dat ik dit schrijf, lees ik De laatste zomer: Waarom de wereld in 1914 ten oorlog trok van David Fromkin (2004). Altijd interessant, zulke boeken, zeker als men wil begrijpen hoe geweld en oorlog beginnen en dan hun eigen weg gaan. Misinformatie, solidariteit, prestige en de eer van het land spelen alle een rol. Zo ook in 1914 rond het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Keizer Wilhelm was zelfs op vakantie toen de politici en militairen in zijn land de oorlog uitbroedden en werd op 25 juli, toen het Servische antwoord op het Oostenrijkse ultimatum binnenkwam, niet eens teruggeroepen. Doelbewust nog wel om te ‘voorkomen dat deze met zijn pacifistische ideeën zich er mee zou gaan bemoeien’.

Maar Fromkin maakt duidelijk dat het denken in termen van de preventieve oorlog bij de Duitse politieke en militaire top de doorslag gaf. Deze wilde een preventieve oorlog tegen Rusland en zijn bondgenoot Frankrijk, en wel onmiddellijk. Vooral Stafchef Helmuth von Moltke meende dat zijn land daarvoor nog weinig tijd had en ‘nooit meer zo goed kon toeslaan als nu’. Hij wilde Frankrijk niet de kans te geven militair sterker te worden en ook de vesting Luik volgens het (geheime) plan bij verrassing innemen. Een leugentje (de gebruikelijke truc) werd bedacht om de wereld op het verkeerde been te zetten, waardoor Oostenrijk, na een telegrafische aansporing van Jagow, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, zonder een echte casus belli Servië aanviel. Keizer Wilhelm vond bij terugkeer het Servische antwoord op het ultimatum echter voldoende. Hij seinde naar de hoofdsteden dat hij geen reden voor oorlog meer zag. Maar omdat het Jagow-telegram een dag eerder zonder voorkennis van de keizer was verstuurd, was het Oostenrijkse leger al tientallen kilometers over de Servische grens. De weg terug bleek niet meer mogelijk.

Dat gold op een gegeven moment ook voor de ‘preventieve oorlog’ van Bush en Blair tegen het Irak van Saddam Hussein, die bovendien, zoals we nu weten, ook op misleiding berustte. Eenmaal begonnen, kent de oorlog zijn eigen dynamiek met altijd onvoorziene gevolgen. We kennen het verloop van de Eerste Wereldoorlog en het blunderen daarna van de overwinnaars bij het Verdrag van Versailles (1919). Door de verliezers een onnodige en erg vernederende ‘trap na’ te geven, werd de basis gelegd voor de Tweede Wereldoorlog. Ook de huidige neerwaartse spiraal van geweld en chaos met vele doden en gewonden in Irak doet hieraan denken. Voorstanders van geweld lijken deze eigen dynamiek van oorlog helaas steeds maar weer in hun denken weg te drukken. Ik zou me in de plaats van Balkenende of Faber wel honderd maal bedenken voordat ik nogmaals politieke steun zou verlenen aan de preventieve oorlog, die niet voor herhaling vatbaar is. Zeker nu de internationale rechtsorde veel beter is ontwikkeld dan in 1914.

Wat heeft dit alles te maken met met kolonel Graf von Stauffenbergs poging tot tirannenmoord en Balkenendes loftuitingen daarvoor? Ook hier handelde het om een goed doel, namelijk om een verder kwaad van de ander vóór te zijn en om een truc. Von Stauffenberg behoorde tot het conservatieve Duitse militaire establishment, wenste geen democratie, maar had de opbouw van een autoritair Duitsland voor ogen. Hij had de nazi’s bovendien jarenlang loyaal gediend, tot duidelijk werd dat de oorlog niet meer te winnen was. Het ging hem erom de Duitse rol in Europa voor de komende jaren te garanderen, kortom de nederlaag te voorkomen of te minimaliseren. In uniform en als een voor het oog trouw officier, legde hij de in een tas verborgen bom.

Dat Balkenende deze mislukte aanslag ziet als opmaat voor de Europese gedachte, is historisch te gek voor woorden. Maar ook vanuit de principes van geweldloosheid lijkt Von Stauffenberg postuum de hemel in prijzen voor diens overigens op zich moedige daad, een uitglijder. Tirannenmoord is immers — los van het feit dat die weinig effectief is, omdat uit een geweldssysteem meestal vrij snel een nieuwe (en vaak nog hardere) leider naar voren komt — hoe dan ook een politieke moord. Moord is niet direct een positieve bijdrage aan het waarden- en normendebat, waartoe Balkenende enige tijd terug de aanzet gaf, zou je zo zeggen. Voorts is het niet erg geloofwaardig voor het bestrijden van ‘terrorisme’. Gaat het ‘terroristen’ niet ook om het ‘goede doel’, dat bij hen de middelen heiligt? En rechtvaardigde Volkert van der Graaf in de rechtszaal de moord op Fortuyn niet ook met het kwaad dat hij wilde voorkomen? Wanneer leren de Balkenendes en Fabers en ook wijzelf inzien dat preventief geweld en preventieve oorlog niet de geëigende middelen zijn ten behoeve het ‘goede’ doel?