september 2004

Inleiding
In deze notitie draait het niet om individualisme versus gemeenschapszin. Dat is een waardendebat, met helaas vaak de vooronderstelling dat het daarbij gaat om absolute tegenstellingen. Een goede definiëring van beide begrippen mist men dan weleens. Als je bijvoorbeeld individualisme verabsoluteert in de richting van het aanhangen van de totale autonomie van het individu dan wel gemeenschapszin in de richting van het soms wat reactionair uitvallende, ook door premier Blair enige tijd aangehangen communitarisme van de Amerikaan Etzioni, kan het algauw een ideologie of utopie worden. En waar utopieën ons toe kunnen brengen, heeft Europa aan den lijve ondervonden. De historie toont, met andere woorden, aan dat de op zich aansprekende term gemeenschapszin ook zijn schaduwzijden heeft. In onze multiculturele samenleving is bovendien niet gemeenschapszin, maar vooral tolerantie de belangrijke waarde, zonder welke de samenleving niet verder kan.

Dat laat onverlet dat gemeenschapszin op zich positief is, al was het maar omdat daarmee andere waarden die de Linker Wang voorstaat, zoals gerechtigheid (eerlijk delen), gelijkwaardigheid, geweldloosheid en barmhartigheid meer kans van slagen hebben. Het probleem is echter dat de klachten over het gebrek aan gemeenschapszin voornamelijk komen uit (neo-)conservatieve hoek. Men ziet dat traditionele groepen en verbanden als de familie, de buurt, de kerk of de zuil aan betekenis inboeten en vreest dan chaos of machtsverlies voor de eigen groep. Ook traditionele politieke partijen als het CDA en de PvdA zijn bang voor verlies van hun macht en neigen er al snel toe dit te projecteren op het proces van individualisering. Maar is er in deze bij mensen vaak ook geen sprake van retoriek? We menen hoogstpersoonlijke keuzen te maken of zeggen sinds de jaren zeventig individualistisch te zijn geworden, terwijl we in feite de massa of de groep waartoe we behoren, volgen. In een dit voorjaar uitgekomen studie onder de titel Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid vragen Jan Willem Duivendak en Menno Hurenkamp zich op grond van onderzoek dan ook af of individualisme niet een misverstand is. In een interview in Volzin (juli 2004) onder de titel ‘De individualisering is een mythe’ herhaalt Duivendak dat. Toch meent bijvoorbeeld filosoof Ad Verbrugge van de Vrije Universiteit – wat kort door de bocht – een monocausale relatie te moeten leggen tussen dit proces respectievelijk het gebrek aan gemeenschapszin in de samenleving en het geweld op straat van de laatste jaren (NRC-Handelsblad, 17 augustus 2003).

Kortom, alle reden het proces van individualisering eens wat nader onder de loep te nemen. Het leven en dus ook het samenleven is bovendien dynamisch. Ook daarom is het goed de samenleving periodiek te analyseren en na te gaan of de huidige situatie wellicht nieuwe antwoorden vraagt. De probleemstelling van de notitie luidt: ‘Hoe kan het proces van individualisering worden geduid en hoe moet onze houding zijn ten aanzien van dit proces?’

De relatie met moderniteit en postmodern denken
Individualisering is niet los te denken van moderniteit en postmodern denken. Verlichting, vooruitgang, maakbaarheid en bevrijding uit onmondigheid, kortom ‘vrijheid, gelijkheid en (de helaas te weinig ingevulde) broederschap’ lagen in oorsprong ten grondslag aan de moderniteit. Maar al enige decennialang ziet men echter in, zeker na het echec van de ‘grote verhalen’, dat moderniteit zodanig kan scheefgroeien dat zij zichzelf in de staart bijt. Het postmodernisme is daarop een antwoord. De bijvoeging ‘post’ moeten we verstaan als er in en niet als na. Met postmodernisme wordt geen afstand genomen van moderniteit: het is een uitgesproken, radicale, analytische en wat bijsturingsgerichte kritiek daarop, maar zeker geen alternatief ‘groot verhaal’. We komen er openlijk voor uit in een postmoderne, van relativisme doortrokken cultuur en voorts in een technocratische risicomaatschappij te leven. Kortom in het tijdperk beheerst door het WTE (Wetenschap, Techniek en Economie)-complex.

Postmodernisme geeft in elk geval aan dat de overspannen pretenties van de moderniteit tot het verleden behoren. Ook is het nu gemeengoed, dat de op nut, efficiëntie en winst gerichte instrumentele rationaliteit in onze samenleving is gaan domineren. Dit dan ten koste van wat wel wordt genoemd de substantiële rationaliteit, dat wil zeggen de op zin of de zinvolheid van het totaal gerichte rationaliteit. Die eenzijdige instrumentele rationaliteit mag dan de laatste decennia zeer dominant zijn, ze kwam niet uit de lucht vallen. De voorgeschiedenis gaat al enige eeuwen terug, toen er in West-Europa na de terugdringing van de religie, ook wel de ‘onttovering’ van de samenleving, onder invloed van Descartes een nieuw, door het rationalisme bepaald wereldbeeld ontstond.

Blaise Pascal, die op 31-jarige leeftijd een ingrijpende mystieke ervaring had, waarschuwde daar ruim twee eeuwen terug ernstig tegen. Hij voorzag dat hierdoor een nieuw menstype ontstond, wat hij noemt de Cartesiaanse mens, die eenzijdig in de ratio zou gaan zitten en daardoor zou vervreemden van zowel zichzelf als van God. Een menstype dat gekenmerkt zou zijn door gebrek aan zin, kortom doelloosheid. Hij bespeurde nog steeds mensen met een intuïtieve en niet louter wiskundige geest, maar hij vreesde dat door het rationalisme ‘het wiskundige denken’ meer en meer zou gaan domineren . In de nieuwe spiritualiteit van de laatste decennia of wat Charles Taylor noemt ‘de tendens naar innerlijkheid’ bespeuren we nu overigens een reactie op deze ontwikkeling, een reactie waarin naast de rede het accent ook weer op intuïtie en het intuïtieve denken ligt.

Hoe dit ook zij, het eenzijdig op een voetstuk plaatsen van de rede en de dominantie van wetenschap, techniek en economie in de maatschappij hadden sociologisch hun impact, anders gezegd bleven niet zonder sociaal-culturele gevolgen. Dit geldt met name het Westen, maar ten dele ook de rest van de wereld. Dit omdat westerse landen in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw koloniën hadden in de Derde Wereld. Thans komt dit door het proces van globalisering, waardoor mensen worden opgenomen in een globale technisch-economische ontwikkelingsdynamiek. Het proces van globalisering is onderdeel van het WTE-complex.

Gevolgen van dit alles, of althans er voor een deel mee samenhangend, zijn het proces van individualisering en de grotere ruimte voor het verlangen en voor lichamelijkheid. De in neoconservatieve kring levende nostalgie naar de vroegere hiërarchische verbanden waarin het individu nog geheel was ingebed in strakke familie- en andere traditionele netwerken, lijkt dan ook een illusie zolang men niet ook de moderniteit en het WTE-complex ter discussie stelt.

Het begrip individualisering
Individualisering is een ‘overbezet’ begrip. Het wordt zowel positief als negatief opgevat, en er zijn verschillende termen en daarmee corresponderende interpretaties in omloop. Simpel gezegd zou je kunnen stellen dat individualisering inhoudt dat men zichzelf als zelfstandig individu ervaart, los van of althans niet expliciet gebonden aan een zuil en/of andere traditionele groep. Grotere keuzevrijheid en ook het hebben van zwakkere banden met familie, dorp en kerk is in deze omschrijving meer aan de orde dan de ook plaats hebbende verdunning van de gezinnen of families. Begrippen die men in deze tegenkomt, zijn: ‘sociaal-economische individualisering’, ‘mentale individualisering’, ‘utilitaire individualisering’, ‘humanistische’ dan wel ‘ethische humanisering’ en ‘individualistisch socialisme’.

Bij het eerste marktgeoriënteerde begrip staat economische zelfstandigheid en zelfredzaamheid centraal. Dit is zeker in liberale kring populair en krijgt de laatste jaren een positieve ontvangst, ook al wordt ook gewezen op keerzijden als maatschappelijke tweedeling, consumentisme en hedonisme. De ontwikkeling naar een persoonsgerichte bestaansethiek lijkt inherent aan de het begrip ‘mentale individualisering’. Dus de groei van een persoonlijke of innerlijke ethiek ter vervanging van de opgelegde of voorgeprogrammeerde morele codes in de zuil of traditionele groep, die het individu collectief deelt met de andere leden daarvan.

In de ‘utilitaire individualisering’ draait het om het nastreven van het eigenbelang, waarvan we zeggen dat dat vooral bij de liberalen hoog in het vaandel staat. En bij de de Linker Wang meer aansprekende ‘humanitaire individualisering’ gaat het met name om de vrijheid zich te kunnen inzetten voor het goede of voor een goede samenleving. Dat laatste komt min of meer overeen met de ‘ethische individualisering’, waarbij men er expliciet van uitgaat dat in individualiteit de ‘verantwoordelijkheid voor de ander’ besloten ligt.

Grotere ruimte voor het verlangen en voor lichamelijkheid
Voordat we het proces van individualisering nader evalueren, kort aandacht voor het gesignaleerde verschijnsel van grotere ruimte voor het verlangen en voor de lichamelijkheid. Dit wordt vaak negatief geduid als hedonisme en consumentisme. Het is de vraag of dit juist is.

Het verlangen en ook de lichamelijkheid zijn op zich legitiem. Ze behoeven alleen correctie als de realisering van beide ten koste gaat van de ander. Over verlangen, lichamelijkheid en sensualiteit was onze cultuur lang gekenmerkt door opgelegde verboden en taboes. Voor een deel nog steeds, zeker in de VS. Daarmee werd en wordt de individuele eigenheid van de mens onderdrukt, in elk geval niet erkend. De huidige aandacht voor de behoeften van de individuele mens, bijvoorbeeld meer te mogen genieten en dan liefst met anderen of lichamelijk aangeraakt te worden en de wereld te willen zien, heeft ook een communicatief aspect. Het betekent namelijk tevens erkend en gezien te willen worden, wat op zich positief is. Er zijn natuurlijk ook uitwassen, zoals overdreven genotzucht. Niet eenieder kan de vrijheid of emancipatie (meteen) aan, er is ook in deze sprake van een leerproces. Dat in het algemeen de moralisering en betutteling op dit punt – zelfs binnen vele traditionele groepen – mede dank zij de activiteiten van instanties als de NVSH en de Rutger Stichting meer en meer verleden tijd zijn, wordt veelal ervaren als een bevrijding.

De voors en tegens van individualisering
Zo kent het proces van individualisering uiteraard ook zijn negatieve kanten. Genoemd worden wel eenzaamheid of isolement, atomisering, egoïsme en op zichzelf gericht zijn. Men kan er in blijven hangen, maar het kan ook een fase zijn waar het individu doorheen moet om sneller te ‘groeien’. Het lijkt niettemin op het eerste gezicht negatief. Er staat tegenover dat er voorheen vaak ook sprake was van groeps- en familie-egoïsme met veel vooroordelen en soms discriminatie jegens de outgroup, de andere groep. Ook waren er in die autoritair gestructureerde groepen vaak conflicten, knellende banden en ongezonde verhoudingen, waarbij minder sterke individuen nogal eens geïsoleerd raakten en slachtoffer werden. De sterke onderlinge sociale controle, intern geweld, bevoogding en moralisering waren vaak ook van dien aard dat van hen die dit meemaakten weinigen rouwig zijn om de afbrokkeling van de hiërarchische gezagsverhoudingen van toen. De traditionele tijd gaf bovendien wel bindingen, maar niet een overvloed aan opties en keuzemogelijkheden.

Conservatieve groepen fungeerden ook wel als een blokkade voor creatieve individuen. Heeft niet ieder mens recht op een eigen levenstijl, anders gezegd op zelfverwerkelijking en authenticiteit? Die authenticiteit kan natuurlijk verschillende vormen aannemen, de ene keer origineler, spiritueler en/of maatschappijkritischer uitpakken dan de andere keer, maar waarom daar negatief over doen zolang dat tot uiting komt binnen de kaders van democratie en geweldloosheid? Het individualiseringsproces lijkt hoe dan ook een gegeven dat we vandaag als uitgangspunt dienen te nemen. Ook als we iets willen doen aan de scheefgroei van moderniteit, het overheersende accent op economie en techniek en het gebrek aan gemeenschapszin en andere humanitaire waarden in de samenleving.

De ‘grote verhalen’ mogen dan tot het verleden behoren, evenals het optimisme van de absolute maakbaarheid van bovenaf, het is volstrekt onnodig om naast vrijheid tevens de vroegere vooruitgangsidealen als rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, gemeenschapszin, geweldloosheid en barmhartigheid naar de prullenmand te verwijzen. In Linker Wang-kringen is dat wel het laatste wat wordt gewild. Het individu mag dan niet of nauwelijks meer refereren aan de collectiefgedeelde morele codes van de traditionele groepen, het komt via de media, op school, op het werk en via andere instituties in aanraking met nieuwe morele codes. Elkaar positief beïnvloeden zonder paternalisme is met andere woorden alleszins mogelijk in een tijd van individualisering. De samenleving niet maakbaar meer? Ze is nog wel ter dege veranderbaar, zij het gezien het proces van globalisering – ook wel amerikanisering genoemd – en het sterk heersende WTE-complex, wat minder veranderbaar dan voorheen.

Kiezen voor de kudde?
Daarbij zijn er nog twee andere aspecten waarbij we stil moeten staan. In de eerste plaats dat mensen anders dan vroeger meerdere (zij het lossere) bindingen tegelijkertijd hebben, met andere woorden in meer netwerken tegelijk opereren. Dat kan voor de sociale integratie van de samenleving bevorderlijk zijn, maar het maakt de bron van het beïnvloeden van elkaar minder duidelijk. Het heeft voorts een zekere culturele homogenisering tot gevolg, dus dat de levens van de ‘moderne mens’ in het reageren op de ‘mode’ en op het al of niet door de media beïnvloede ‘modedenken’ steeds meer op elkaar gaan lijken. Het betekent dat we weleens veel eensgezinder zouden kunnen zijn in ons gedrag en in onze opvattingen dan voorheen. Duivendak en Hurenkamp bespeuren in plaats van een teruggang eerder ‘een toename van de collectiviteit’, zij het met als nadeel dat we soms kuddegedrag gaan vertonen, hetgeen ten koste kan gaan van de door ons zo gekoesterde tolerantie in Nederland. Maar los daarvan maakt dit duidelijk dat bijvoorbeeld het wangedrag van allochtone, zich van hun traditionele groep losgemaakt hebbende jongeren eerder te herleiden is tot gemeenschapszin en groepsgedrag dan tot individualisme.

In de tweede plaats zien we dat goed functionerende traditionele groepen in het door het CDA gekoesterde middenveld door het proces van individualisering verzwakken. Zeker indien ze hun al eerder genoemde benauwde kant laten varen, is dat te betreuren. Anderzijds zullen die groepen met dat gegeven zelf klaar moeten komen. Het is hun eigen verantwoordelijkheid hoe daarop te reageren. In 2003 wijdden ouderlingen en pastorale werkers van de toen nog Samen-op-Wegkerken een themaconferentie over individualisering. In het zomernummer van 2003 van het Ouderlingenblad van die kerken, beantwoordde emeritus hoogleraar Gerard Dekker de vraag of de individualisering bedreigend is voor de kerken als volgt: “Wel bedreigend voor de kerkelijke gemeente, maar niet voor de kerkelijke gemeenschap.” Hij bedoelde dat het instituut kerk zich kan handhaven indien het “oog heeft voor andere en nieuwe vormen van gemeenschap” en dan wellicht tot “een hechtere en intensievere beleving” kan komen dan thans mogelijk is. Hiermee wil maar gezegd zijn dat we vanuit de politiek niet (of niet te veel) op de stoel van de in deze tijd wat kwijnende traditionele groepen moeten gaan zitten. Het is aan hen zich in de veranderde maatschappij op zichzelf te bezinnen en eventueel de bakens te verzetten.

Innerlijke groei van individu spiritueel van belang?
Naast de traditionele groepen zijn zich talloze wat Duivendak noemt ‘lichtere’ gemeenschappen aan het ontwikkelen. Dat is positief. Er is een nieuwe, zij het losser gestructureerde civil society aan het ontstaan. Wellicht is het de uitdaging van zowel links als het progressieve christendom om dat te ondersteunen en ook anderszins het proces van individualisering in goede banen te helpen leiden. Ook spiritueel lijkt het van belang dat het individu met vallen en opstaan leert volwassen te worden en innerlijk te groeien. Dat individuen thans meestal al zeer jong onder de vleugels van onder meer het gezin vandaan gaan, ‘het diepe in’, kan zorgelijk zijn, maar hoeft voor hen geestelijk geen nadeel te zijn. Het kan het proces van innerlijke groei doen versnellen. De laatste tijd wordt ook ingezien dat het hebben van conflicten in de werk- en relatiesfeer, hoe vervelend ook, voor de innerlijke groei functioneel kan zijn.

Rudiger Safranski, de bekende schrijver van Het kwaad, het drama van de vrijheid bepleitte nog onlangs het in ere herstellen van het individu. Hij is bang voor het gebruik van hartstochten voor collectieve projecten: “Alsjeblieft geen als politiek vermomde surrogaatreligie. Alles moet zich op het individu richten. Dat is geen pleidooi voor egoïsme, maar dat ieder mens zijn leven als een kunstwerk gaat zien, dat hij inziet dat hij zichzelf moet maken. Of zoals Nietzsche zegt: men moet met zichzelf bevriend raken.”(Maandblad M, september 2003.)

Dat laatste lijkt belangrijk. Als het individu zich moeilijk verbindt in het algemeen, met zichzelf, met de ander, met de natuur, en met het Hogere, lijkt het zaak eerst te leren zich te verbinden met zichzelf, vaak een voorwaarde zonder welke de andere verbindingen moeilijk tot stand kunnen komen. Een trend is ook de religie meer te zien als ‘ervaring’. Met name de Amerikaanse filosoof William James bepleit dat. Hij constateert een groeiende tendens naar innerlijkheid. De Canadees Charles Taylor, bekend door zijn boekje Malaise van de moderniteit (1994), onderkent dat in zijn Wat betekent religie vandaag? (2003) eveneens en noemt die individuele benadering van James op zich een aantrekkelijke gedachte. Hij zegt zelfs dat zijn hart bij James ligt, maar wil niettemin innerlijkheid complementeren met erkenning van de ander en door de individuele benadering van religie te verbinden met de sociale benadering.

Als het woord ‘sociaal’ ruim wordt opgevat, zullen de meeste Linker Wangers zich hierin herkennen. Ook wat betreft het geven van een aanvulling op het proces van individualisering. Dus dat zelfverwerkelijking en authenticiteit van het individu op zich een groot goed zijn, maar dat men in die groei niet hoeft te blijven steken bij het louter zoeken van zichzelf. In die zin lijken de termen ‘humanitair’ of ‘ethisch individualisme’, waarbij de groei van het individu tevens maatschappelijke verantwoordelijkheid insluit, niet direct onzinnig. Het is dan zaak onszelf en het individu te motiveren voor meer humanisering.

De scherpe politieke waarnemer Jacques de Kadt bedacht in 1939 de term ‘individualistisch socialisme’. De individuen zouden gelijke middelen moeten krijgen volgens hem om zichzelf te ontplooien, los van dwangmatig opgelegde identiteiten vanuit traditionele groepen. Bij hem stond in deze non-conformisme centraal, dus het recht en de mogelijkheid van het individu om af te wijken van dominante monoculturen. Socioloog Dick Pels verwees onlangs (net als Femke Halsema overigens) naar non-conformisme in een oproep voor een nieuw vrijzinnig-links geluid ter opvulling van ‘de leegte van links’, een term van Hans Achterhuis.

Sprak de doorbraakchristen Willem Banning vijftig jaar terug al over een bij het individu aansluitend ‘personalistisch socialisme’, in kringen van GroenLinks is ‘libertair socialisme’ geen onbelangrijk begrip. Ook hierin weerklinkt een stuk non-conformisme, namelijk het recht van het individu ‘te mogen afwijken’. De gevleugelde woorden “niet een glurende, maar een sturende staat” in het GroenLinks-verkiezingsprogramma van 1989 illustreren dit enigszins. Volgens Femke Halsema in een congresrede van dit voorjaar is anno 2004 de individuele emancipatie inclusief de bevrijding van knellende groepsbanden, onderdrukkende sociale controle en andere negatieve beperkingen nog steeds niet voltooid. Dat geldt zeker nu onze samenleving is verrijkt met grote groepen allochtonen uit landen rondom de Middellandse Zee.

Huidige klimaat verre van libertair
De vraag blijft wat dan wel de rol van het collectief moet zijn om individualisering en emancipatie zonder een nieuw overtrokken paternalisme in goede banen te leiden. Het huidige klimaat is sinds het aantreden van de kabinetten-Balkenende wat betreft de relatie collectief en individu echter verre van ‘libertair’. Vooral opmerkelijk is dat de liberalen in Nederland wat betreft de rol van de staat tegenover het individu en de individuele vrijheid van hun geloof lijken te zijn gevallen. Ze hebben zich ineens ontpopt als de felste voorstanders van dwang van bovenaf, staatstoezicht, bestraffen en actief staatsingrijpen. Tolerantie en soms wat gedogen komt in hun woordenboek niet meer voor: het is de knoet, regulering en nadruk op de staat wat de klok slaat. Daar komt bij dat sommige VVD-Kamerleden zich soms ook stigmatiserend uiten jegens de religie en cultuur van allochtonen.

In zo’n klimaat is het voor linkse partijen niet gemakkelijk een zuivere eigen koers te varen. Toch zal dat moeten binnen het kader van onze twee grootste exportartikelen, namelijk democratie en vrijheid van het individu. En bij voorkeur positief gericht en niet te reactief. Daarbij zullen we moeten accepteren dat de mondige, geëmancipeerde burger zijn of haar eigen weg gaat. En of bijvoorbeeld de jongeren wel echt individualistisch zijn of niet, is niet wezenlijk, of liever, hun eigen zaak. Ze doen enerzijds aan zelfsturing en anderzijds oriënteren zij zich in meerdere opzichten ook op andere jongeren. Logisch, ze horen bij elkaar, zeker nu oude vaste kaders meer en meer wegvallen. Als je zelf je weg wilt vinden, ben je niettemin op anderen aangewezen om te bepalen wat kan en niet kan of waar je bij hoort of niet.

Geweld de grens
Het positieve is dat zij nu zelf kunnen kiezen wie die anderen zijn aan wie ze refereren. Het nadeel is dat zij zich ook kunnen laten meesleuren door jongeren, die kiezen voor ‘snel geld’, ‘statusangst’, ‘machtswellust’ en ‘zinloos geweld’. Heel vaak ook slechts tijdelijk. Er is echter een grens als het gaat om het beschadigen van anderen en het geen respect hebben voor alles wat leeft, inclusief de natuur. Links en het progressieve christendom zullen die grens duidelijk moeten markeren, door naast gelijkwaardigheid in positieve zin ook steeds de geweldloosheid alle nadruk te geven, vanuit welke optiek dat ook gebeurt, vanuit een ‘libertair’, een ‘individualistisch’ dan wel een meer christelijk georiënteerd ‘personalistisch socialisme’ à la Banning. Het proces van individualisering is niet terug te draaien en gaat bij velen vaak schoksgewijs of met vallen en opstaan, maar derden moeten hiervan niet de dupe worden en zeker niet het leven erbij inschieten.

Ieder burger dient hierop alert te zijn, ook de civil society en de staat indien nodig. De staat is overigens niet een boven alles verheven ‘big brother’, nee zij is hooguit een primus inter pares naast sectoren van de samenleving als economie, wetenschap en financieel verkeer. Niet repressie, maar preventie is het parool van een goede overheid. Eveneens om zonder paternalisme creatief emancipatie en integratie te bevorderen en te stroomlijnen via adequaat beleid, niet in de laatste plaats op het terrein van onderwijs en zorg. De overheid zorgt er ook financieel voor dat bijvoorbeeld alle gezinnen, autochtonen en allochtonen, zoals nu in Rotterdam gebeurt, al in het kader van zwangerschapsbegeleiding, goede babyzorg en/of stevig ouderschap periodiek thuis kunnen worden bezocht, waardoor al in een vroeg stadium gezinnen met gewelds- en andere risico’s worden gesignaleerd en preventief kunnen worden begeleid. Filosoof Ger Groot zou weleens gelijk kunnen hebben met zijn stelling dat “geweld de diepste kern van onze samenleving” is, maar het is niettemin zaak met het tegengaan daarvan al vroeg te beginnen.

Voor de opvoeding in burgerzin en ander maatschappelijk onderwijs is het ook van belang dat politici en overheid zelf het goede voorbeeld geven. Democratie en integratie kunnen niet simpelweg per decreet worden afgedwongen. Dat roept verzet op. Van belang is ook kinderen of mensen van een andere cultuur niet te vernederen door bijvoorbeeld hun cultuur of godsdienst achterlijk te noemen. Democratie, inclusief tolerantie en gelijkwaardigheid, kan worden gecultiveerd door als politici en docenten de democratie zelf voor te leven. Ook door voor controle op de macht steeds alle ruimte te geven, in de vorm van echte directe en indirecte inspraak. En uiteraard door in het beleid recht en gerechtigheid centraal te doen staan.

Conclusie
Terugkeer naar de jaren vijftig, naar een kleinburgerlijke cultuur waarin ‘fatsoen’ hoog stond aangeschreven, is niet, zoals uit het bovenstaande blijkt, wat de Linker Wang voorstaat. We idealiseren die tijd en die cultuur niet, integendeel, we zijn ons bewust van de keerzijden daarvan. Het was niet allemaal kommer en kwel, de ouderen onder ons herinneren zich ook leuke of gezellige dingen uit die ‘theemutscultuur’ – een term van socioloog Harry Kunneman –, maar het keurslijf daarvan was algauw te knellend om lang te kunnen worden gehandhaafd. De tijd van homogene gesloten en historisch gegroeide groepen met een sterke sociale controle is voorbij. Men maakt nu zelf uit met wie men zich wil verbinden. En ook om die band na verloop van tijd weer te verbreken, indien gewenst. De relaties of connecties zijn korter of meer wisselend en de netwerken meer vloeiend, maar die netwerken zijn er wel degelijk. En de individuen zijn ook vandaag lid van diverse clubs en verbanden; alleen een belangrijk verschil met vroeger is, dat leden van dezelfde familie daarin nu meestal geheel uiteenlopende keuzen maken.

We zien dus geen reden zich ernstige zorgen te maken over het proces van individualisering. De mondige burger is bezig, soms met wat brokken, zijn eigen weg te zoeken. Dit proces te helpen stroomlijnen is goed. Bijvoorbeeld door de zelfregulering van de burger of diens geestelijke en culturele weerbaarheid te helpen versterken, maar het heeft geen zin de alarmklok te luiden en te gaan pleiten voor communitarisme of gesloten gemeenschappen met allerlei regeltjes en verstikkende controle van bovenaf. We belanden dan algauw in neoconservatief vaarwater. GroenLinks-fractieleider Femke Halsema onderkent dat en ziet blijkens haar betoog ‘Vrijzinnig Links’ in De Helling van zomer 2004 haarscherp welke gevaren op dit terrein momenteel dreigen van de zijde van het huidige kabinet. Of ze met haar “tegenoffensief te vroeg” is, zoals Trouw-columnist dr. J.A.A. van Doorn – overigens haar verder bijvallend – in hetzelfde Helling-nummer betoogt, omdat volgens hem “de zuigkracht van het conservatieve liberalisme momenteel te krachtig” is, is een tactisch-politieke kwestie. En ook hoe het tegenoffensief met elan en overtuiging, herkenbaar en naar het volk vertaald voor het voetlicht te brengen. Feit is echter dat het politieke klimaat thans juist antivrijheid aan het worden is en dat mede daarom het bovendien al veel langer spelende proces van individualisering voor links en het progressieve christendom niet het meest actuele probleem is. Gemeenschapszin blijft niettemin zoals gezegd een goede zaak. Het moet echter van onderop ontstaan en kan niet van bovenaf, laat staan via dwang, worden opgelegd. Gemeenschapszin is iets van binnenuit en vloekt daarom met dwang. GroenLinks lijkt hoe dan ook in deze beter op koers dan het CDA.

Links en het progressieve christendom moeten echter niet meedoen met de trend van verzakelijking en geestvervlakking, alsof niet alleen in de economie, maar ook verder in de samenleving en in de politiek alles pragmatisch en technocratisch moet worden aangepakt. Een samenleving kan, zeker in de politiek, niet zonder elan of vuur, kan niet zonder idealen. Mensen willen niet alleen cynisme en negativisme, ze willen worden geraakt door mensen die voor iets positiefs staan en die er eerlijk voor uitkomen dat ze ook in de harde samenleving van vandaag zich kunnen laten inspireren door idealen als gelijkwaardigheid, gerechtigheid, vrijheid, barmhartigheid, gemeenschapszin en geweldloosheid. Wellicht een goede bijdrage aan het stroomlijnen van het proces van individualisering vanuit het gegeven dat we dit proces op zijn minst als uitgangspunt nemen dan wel gaan zien als vriend, meer dan als vijand?

Dit verhaal verscheen in het septembernummer van 2004 in De Linker Wang als een bijdrage tot discussie.