27 september 2005

Mijn artikel ‘Een stel gevaarlijke islamofoben’ in Het Parool van 21 september heeft boze reacties opgeroepen. Ik zou me schuldig maken aan laster, ophitserij, politieke correctheid, het kwalificeren van personen als racist en het niet zien van de feilen van de islam (Het Parool, 24 september). Vreemd.

Geen misverstand, ik vind het goed dat de vrouwendiscriminatie in de SGP onlangs een juridische slag werd toegebracht. En ik heb een broertje dood aan geweld en geweldsrechtvaardiging. Maar daarmee schrijf ik religie niet af. Religie biedt hoop en zingeving en kan migranten helpen bij hun integratie. De islam is voor mij niet louter dogmatiek; hij heeft ook een onderschatte mystieke component.

Anderzijds ben ik me bewust van het negatieve in een godsdienst, zoals politieke religie en godsdienstig fundamentalisme. Religiekritiek, ‘mits niet eenzijdig en mits gedoseerd’, wees ik niet af, ook al is dat, zo voeg ik toe, in de eerste plaats een zaak van de betrokkenen zelf. Waar ik bezwaar tegen maak, is als mensen erop uit zijn de religie van een minderheid constant in de hoek te zetten of te stigmatiseren.

Nieuwkomers moeten, zoals Zeyno Baran, directeur van het Nixon Centre in Washington, de Nederlanders onlangs voorhield, ‘zich veilig voelen’. En dat kan alleen, als hun de tijd wordt gegund zelf hervormingen aan te brengen in de meegenomen cultuur en religie, zoals dat de laatste eeuwen ook aan de westerse christenheid is gegund. In de sociologie heet dat het proces van zelfcivilisering. Migranten stappen vaak van een agrarische in een industriële samenleving, wat onder hen tot vervreemding leidt. Dit kan leiden tot tijdelijke stagnatie van het zelfciviliseringsproces.

Bovendien heerst al enige tijd onder moslims het gevoel dat ‘het Westen de hele moslimwereld bedreigt’. Tel uit je winst als in Nederland publicisten in zo’n situatie dat vuurtje nog wat gaan opstoken, als het ware wedijverend in het bedenken van de meest kritische uitingen jegens de islam. En dat terwijl gezien genoemde vervreemding het eerder in de lijn zou liggen empathie te hebben met moslims, of in elk geval respect dan wel aandacht te tonen voor hun cultuur, al was het uit eigen belang om fundamentalisme te voorkomen.

De een is in zijn islamkritiek fanatieker dan de ander, en sommigen zijn er zelfs mee gestopt, maar dat het de eerste helft van dit jaar ging lijken op een hetze is buiten kijf. Dat was en is niet zonder risico in onze multiculturele samenleving. Ik zie niet in waarom ik hiertegen niet zou mogen waarschuwen, en evenmin waarom ik degenen die zich daarbij niet onbetuigd lieten – nogmaals de een veel sterker dan de ander – en een of meerdere keren samenkwamen met of rond kamerlid Hirsi Ali, niet bij naam en toenaam zou mogen noemen. Trouwens, tv-rubriek Netwerk bracht ze december 2004 voor het eerst als informele groep naar buiten. En J.A.A. van Doorn legde de namen van de acht publicisten vast in zijn column ‘Contouren van de Nederlandse islamologie’, hen daarbij typerend als ‘de camarilla van het kamerlid Hirsi Ali’ (Trouw, 18 december 2004). Kortom, ik vertelde niets nieuws.

Ik heb overigens niemand getypeerd als racist. Ook Leon de Winter niet, al meent hij van wel (De Volkskrant, 24 september). Ik stelde dat het racisme ‘weer de kop opsteekt in de volkswijken en bij mensen aan de top’. Dus in het algemeen als trend. Eenieder die geen vreemdeling is in Jeruzalem en die de media het laatste jaar nauwgezet heeft gevolgd, zal dat algauw beamen. En natuurlijk zijn islamkritiek, islamofobie en racisme niet hetzelfde. Het is niettemin goed dat we steeds bij onszelf (ikzelf ook) te rade gaan in hoeverre er in ons spreken en schrijven over islam en moslims geen ondertonen van islamofobie en racisme aanwezig zijn. Als we eerlijk zijn, weten we dat dat niet ondenkbeeldig is.

Vooroordelen, angst, demoniseringsretoriek en zondebokuitdrijving zijn vaak onderdelen van racisme. En niet te vergeten generalisatie, waarbij je het gedrag van één persoon generaliseert naar de groep waartoe deze behoort. Als in Ulster IRA-terroristen katholiek waren, hoeft dat niets te zeggen over katholieken, maar zo’n generalisatie blijft niettemin een mechanisme dat ons zo maar te pakken heeft. Als men zegt dat Nederland ‘al meer dan vijfhonderd moskeeën telt’, zoals een columnist nog deze maand schreef, kan daaruit angst spreken en ook onverdraagzaamheid, zoals men vroeger weleens problemen had met (het aantal) synagogen in ons land.

Racisme refereert op zich vooral aan lichamelijke kenmerken. Culturele kenmerken als religie en leefwijze (inclusief hoofddoekjes) betrekken wij er echter wel vaak bij. We bekijken elkaar veel breder dan via de bril van de huidskleur. Religiekritiek kan daarom wel racistische ondertonen hebben. De Franse minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarcozy waarschuwde recent in een interview niet voor niets voor ‘antimoslimracisme’, waarin het sterke antiklerikalisme in zijn land volgens hem kan overgaan. Ook in ons land acht ik zoiets niet uitgesloten.

Dit artikel werd tevens geplaatst in Het Parool van 28 september onder de titel ‘Kritiek op islam vaak niet vrij van racisme’.

Advertenties