20 oktober 2005

Racisme is een taboe in Nederland. Ieder weet dat het aanwezig is, maar je moet het niet hardop zeggen. Als je dat al of niet per ongeluk wel doet, zijn de rapen gaar. Mij overkwam dat rond 1 oktober, nadat ik in een artikel had geschreven dat in de VS, maar ook in Nederland, “het racisme weer de kop opsteekt, niet alleen in de volkswijken maar ook bij mensen aan de top”. Misschien waren de emoties zo heftig omdat ik het concreter had gemaakt dan de algemene constatering. Misschien voelden mensen zich aangesproken en maakte dat hen boos. Dat had ik mij op die manier niet gerealiseerd. Ik zou willen uitvinden hoe dat onderwerp uit de taboesfeer is te halen en hoe het bespreekbaar kan worden, zonder de bijbehorende afweer, die beslist contraproductief kan worden genoemd. Ik zoek daarnaar.

Mijn artikel stond onder meer in het Haarlems Dagblad, maar het verscheen eerst in Het Parool, met een iets te provocerende kop. Anders dan bijvoorbeeld Haarlem reageerde Amsterdam fel, en misschien mag ik de conclusie trekken dat vooral na de moord op Theo van Gogh die stad niet vrij van etnische spanningen blijkt te zijn. Er waren dus boze ingezonden brieven, er was boosheid bij columnisten. Hierdoor kwamen verschijnselen naar boven die ook jegens Geert Mak hebben gespeeld, die gemakkelijk zouden kunnen worden opgevat als rancuneus, onder de gordel en op de man spelend, ware het niet dat ik het vermoeden heb gekregen dat er iets wordt geraakt in deze mensen. Dat is sindsdien mijn zorg.

Terloops verwees één van de columnisten naar mijn website. Ik krijg de indruk dat ik daardoor te maken kreeg met scheldkanonnades en een reeks vooroordelen jegens de moslims in mij toegezonden e-mailberichten. Zelfs kreeg ik te maken met een minder bekend en ook anoniem opererend gezelschap, DemoCrates, dat het een en ander opvatte als een mogelijkheid om mijn foto op internet te plaatsen op hun site met bijbehorende oproep tot forse actie jegens mij. Aanmerkelijk prettiger waren twee andere reacties, weliswaar ook boos, maar niettemin betrekkelijk vriendelijk, uit wat ik in een onbewaakt ogenblik een informele groep van acht publicisten heb genoemd.

Arme ik. Ik was afgegaan op een uitzending van Netwerk in december 2004, waarin het een en ander werd uitgedragen over de samenstelling van een groep mensen bij een etentje met Hirsi Ali. Als het ware werd naar buiten gebracht dat sprake was van een soort rondetafelconferentie. De deelnemers daaraan werden kort daarna nog eens extra onder de aandacht gebracht, met naam en toenaam, door de gezaghebbende columnist J.A.A. van Doorn (Trouw, 18 december 2004). Ik nam een verdichting aan van gezamenlijk denkwerk en strategie, waar ik inmiddels iets genuanceerder over denk.

Ik zei al: arme ik. Want Van Doorn — gezaghebbend, ook in wetenschappelijk opzicht — noemde hen toen de “camarilla van het kamerlid Hirsi Ali”. Ik vond dat in mijn onschuld een meeslepend beeld. Ik moet echter toegeven dat het middelpunt van dit al, te weten Hirsi Ali zelf, in een interview in Wordt Vervolgd (Amnesty International) van 30 september zegt “milder te zijn geworden”. In het interview toont zij begrip voor wat des mensen is, en ze zegt dan ook dat “racisme mensen eigen is”. Zij is in haar denken ertoe overgegaan dat gegeven als aanwezig onder moslims jegens andere culturen bespreekbaar te krijgen, en dat los te koppelen, maar zonder de eerdere frontale aanval op de islam. Die heeft volgens haar zijn tijd gehad: “Ik ga niet meer roepen dat de profeet een perverse tiran is en noem maar op”. Ik vind dit een zeer gunstige ontwikkeling.

Ik ben zeker niet tegen religiekritiek, mits gedoseerd en mits niet eenzijdig. Wij moeten waken dat wij uit welke overweging ook één religie op de korrel nemen, zodoende ongewild aanzettend tot een mogelijke vorm van een hetze. Die is schadelijk voor de samenleving. Het is algemeen bekend dat historische en hedendaagse trauma’s van religieuze groepen aanleiding geven tot het zich vernederd en uitgesloten voelen. We moeten onszelf opleggen daarop niet in te spelen, waardoor dergelijke trauma’s zich versterken. De Amerikaanse onderzoekster Jessica Stern deed daar onderzoek naar. Zij sprak met terroristische groepen van verschillende religieuze achtergrond over hun drijfveren. In haar boek Terreur in naam van God noemt zij als diepere grond voor aansluiting bij die groepen: vernedering.

Op 2 november staan we in Amsterdam extra stil bij de moord op Theo van Gogh van een jaar terug. Premier Balkenende en burgemeester Cohen behoren dan onder meer tot de sprekers. Het is onaanvaardbaar, vernederd of niet, als wij elkaar menen te woord te moeten staan door elkaar het leven te nemen om welke reden ook. Daar feitelijk dit gedrag wel schijnt voor te komen uit gevoelens van vernedering, moeten we op zijn minst stilstaan bij uitlatingen die onnodig dat gevolg opoepen. Achteraf betreur ik dan ook dat ik er bij Van Gogh niet sterker op heb aangedrongen om wat ingetogener te zijn in zijn aanduidingen van moslims. Ik deed dat één keer publiek in juni 2004 op een symposium te Amersfoort (overgenomen in een magazine) naar aanleiding van het feit dat Van Gogh Abou Jajah minder fraai omschreef, zodanig dat de gelovige moslim zich negatief aangesproken zou kunnen voelen.

Ik geloof in de vrijheid van het woord, maar het bovenstaande illustreert nog eens ten overvloede dat alles mag, maar niet hóeft te worden gezegd. Woorden kunnen behalve krenken ook een negatief sneeuwbaleffect in de samenleving hebben, doordat derden ze overnemen. Er is vooral omzichtigheid geboden als die woorden het karakter krijgen van generalisaties jegens etnische en/of religieuze groepen. Ik denk dat er meer vrede op de wereld zou zijn als we ons ervan bewust zouden zijn dat onze woorden scheppen — dus dat warm van inhoud liefde schept en scherp van inhoud haat. Niet iedereen kan daarmee omgaan.

We zullen er in elk geval alles aan moeten doen om (impliciet) racisme, een uiting van onverdraagzaamheid, te voorkomen. Generaliseren en stigmatiseren zijn — naast vooroordelen, angst, demonisering en zondebokuitdrijving — daarvan belangrijke kenmerken. Als ongewenste maatschappelijke verschijnselen, handelingen en eigenschappen worden toegeschreven aan bepaalde etnische respectievelijk religieuze groepen, spreekt de sociologie van generalisatie. Hieraan maken we ons allen zonder het te beseffen schuldig. Bewustwording van dat feit kan helpen de huidige onderhuidse etnisch-religieuze spanningen in de samenleving een andere wending te geven.