26 oktober 2005

Het gezaghebbende Tijdschrift voor Geschiedenis komt deze maand met een zeer belangwekkend themanummer onder de titel ‘Religie&Geweld’ met korte studies van historische geweldsituaties in diverse landen. In dat nummer is de arabist Hans Jansen met zijn analyse van de op het dode lichaam van Theo van Gogh achtergelaten brief van Mohammed B. in meerdere opzichten een beetje een vreemde eend in de bijt. Jan Greven, oud-hoofdredacteur van Trouw, noemt hem terecht in zijn bespreking in Trouw van 25 oktober van dat themanummer “de uitzondering”. Hij lijkt nogal af te wijken van de slotsom, waartoe de meeste studies in het themanummer komen, namelijk dat wat op het eerste gezicht ‘religieuze’ strijd lijkt, het bij nader onderzoek niet is.

Dat laatste komt wel zeer geprononceerd naar voren in de studie van Doeko Boscher over ‘religieus’ geweld in Ulster, dat in wezen etnisch en politiek geweld blijkt te zijn. Namelijk van (protestantse) Schotten, die hun verworven voorrechten als machtige immigranten en ‘settlers’ maar moeilijk kunnen opgeven en van (katholieke) Ieren, die zich vernederd en gediscrimineerd voelen.

Ook bij de studie van Luc Panhuyzen over het optreden van de wederdopers en Jan van Leiden in Munster van 1534-1535 zien we een analoog beeld. Behalve dat hij aandacht vraagt voor het “uitzonderlijk maatschappelijke klimaat” van toen, legt hij het geweld van de wederdopers niet ook in de laatste plaats bij de (bisschoppelijke) overheid, door wie ze “hiertoe werden gedwongen”, volgens hem. Ik vind niet dat je je ooit tot geweld moet laten dwingen, maar dat dit in de praktijk helaas soms gebeurt, is niet te ontkennen. Zo vermeldt Panhuyzen ook terloops het geschrift ‘Bericht van der Wrake’ van de Münsterse predikant Bernard Rothman, waarin deze de dopers elders opriep hun geweldloosheid te laten varen en hen met wapens te hulp te komen. Niet God zou (via wonderen) de geweldpleger worden, maar de doper zelf. Het was met andere woorden een ideologisch geschrift ter rechtvaardiging van geweld.

Is dat in wezen ook niet de essentie van de brief van Mohammed B., ook al zijn er verschillen qua retoriek? Waarom is het stuk van de arabist Jansen dan toch een uitzondering of vreemde eend in de bijt in genoemd themanummer? Alle schrijvers werken vanuit een brede optiek, waarbij politieke, sociale en ook psychologische factoren bepaald niet worden veronachtzaamd. Jansen beperkt zich om het geweld van Mohammed B. te doorgronden echter tot één bron, namelijk diens brief. Hij zegt daarvoor weinig anders ter beschikking te hebben. Hoe dan ook, hij levert vooral kanttekeningen bij die brief.

Soms doet Jansen wat uit de hoogte of als een schoolmeester, maar wat erger is voor een wetenschapper: met te weinig distantie. Zo komt hij bijvoorbeeld naar aanleiding van het feit dat Mohammed B. Hirsi Ali “een kruistocht tegen de islam” verwijt, met een in casu niet ter zake doende historische uiteenzetting uitmondend in de stelling dat de ‘laatste kruisvaarder al eeuwenlang dood is en jihadstrijders er nog volop rond lopen’. Hij doet zelf te veel mee aan de door extremisten opgeroepen strijd als een soort Siamese tweeling, waarbij islamitisch fanatisme en islamofobie niet zonder elkaar kunnen – een metafoor die ik ontleen aan NRC-columnist Elsbeth Etty (25 oktober). Hij neemt hoe dan ook te weinig afstand tot zijn studieobject. Kruistocht is overigens gewoon het gebruikelijke idioom voor ‘hetze’ of ‘oorlogvoering’.

Tekstanalyse is niet gemakkelijk, zij vergt een zekere specialisatie. Los daarvan betreft de brief net als genoemd geschrift van Rothman slechts één (klein) aspect van de onderhavige complexe situatie. Het is niet meer dan de retoriek ter verdediging van de gepleegde daden. In dit geval met een ideologisch kader ontleend aan de Saudische wahhabieten, die qua (niet grote) importantie wel is vergeleken met de Ku Klux Klan in de VS.

Maar dat wisten we al. Ook dat de brief het accent legt op een strijd tussen goed en kwaad, zoals trouwens ook veel seculiere bewegingen doen of deden, inclusief de nazi’s en de communisten. Veel interessanter is echter wat los van de retoriek Mohammed B’s diepere politieke, sociale en psychologische gronden zijn voor het plegen van zijn daad. Moeten we daarvoor te rade gaan bij Yale-hoogleraar Samuel P. Huntington, die dit soort terrorisme herleidt tot de tegenstelling tussen het gevoel van Arabieren dat zij een hoge of superieure cultuur vertegenwoordigen, maar dat zij daarentegen slechts weinig invloed te hebben in de wereld? Dat Arabieren (historische) bezettings- en andere trauma’s hebben of zich uitgesloten voelen, lijkt me niet direct onzin. Maar ik denk dat we in deze vooral inzicht verschuldigd zijn aan de Amerikaanse terrorisme-expert Jessica Stern, die onderzoek deed onder, en ook persoonlijk sprak met terroristen van diverse religieuze achtergrond over hun drijfveren.

Naast ontworteling en eenzaamheid noemt zij in haar boek Terreur in de naam van God als diepere wortel: vernedering als persoon of als groep. Of je broer al lid is van de cel en dat het avontuur biedt of prestige geeft, speelt mee. Maar Stern ziet als diepere grond dat mensen zich vernederd voelen. Zelfs het als natie door een ander volk ooit te zijn gekoloniseerd, kan daarbij nog een rol spelen.

Jansen had in het themanummer van het Tijdschrift voor Geschiedenis, als hij had gewild, met andere woorden geen vreemde eend in de bijt of, in de woorden van Greven, geen uitzondering hoeven te zijn. Ook de brief van Mohammed B. lijkt niet in strijd met de algemene conclusie in de studies dat het rechtvaardigen van geweld via een godsdienst of het typeren van geweld als religieus, het nog niet religieus maakt.