10 april 2006

Irak is weer eens volop in de actualiteit. Een zeer recent BBC-onderzoek in 35 landen wijst uit dat mensen in grote meerderheid menen dat de inval in Irak de terreur heeft aangewakkerd; een studie van het Pentagon constateert dat Irak een zware wissel trekt op de slagkracht van het Amerikaanse leger en bovendien de rekrutering van nieuwe militairen ernstig doet stagneren; een Australische publieke tv-omroep laat medio februari tientallen nog niet eerder vertoonde foto’s en video-opnamen van folteringen in de Abu Ghraib-gevangenis zien; en de Duitse Peter Weiss Stichting voor Kunst en Politiek roept op om voorjaar 2006 (drie jaar na het begin van de Irakoorlog) te benoemen als de ‘Verjaardag van een Politieke Leugen’.

Last but not least: er dreigt een door vredesmensen al in 2003 voorspelde burgeroorlog tussen de soennieten en de sjiieten in Irak. De aanslag op de Gouden Moskee in Samarra, een belangrijk sjiitisch heiligdom, veroorzaakt in een paar dagen een dodental van ruim 1300 personen en brengt tevens het bestaan van doodseskaders van regeringszijde tegen soennieten aan het licht. De inval in Irak krijgt hoe dan ook meer en meer een boemerangeffect. Dit nog los van de sterk toegenomen mondiale polarisatie, ook in Europa, die het gevolg is van deze inval en oorlog. Ik zou niet graag in de schoenen staan van de Amerikaanse neoconservatieven.

Oorlogen van een grootmacht hebben altijd (ook) een geopolitiek belang. Maar de publieke opinie krijgt te maken met de rechtvaardigingsargumenten, dus het goedpraten van geweld. Zelfs slavernij en kolonialisme werden met mooiklinkende argumenten gerechtvaardigd. President Bush had voor zijn inval in Irak drie argumenten: 1) Het aanpakken van Al Qaida-terroristen, die er in Irak overigens niet waren — door de dictatuur van Saddam Hussein kregen deze er toen geen been aan de grond –, maar nu helaas juist wel; 2) het voorkomen van mogelijk gebruik van massavernietigingswapens, die Saddam Hoessein ooit had gesuggereerd te hebben om indruk te maken op zijn buren, maar die hij helemaal niet had; en 3) het afzetten van een ongewenste leider. Toen de eerste twee van de argumenten ongeloofwaardig of onwaar bleken, kreeg het derde alle nadruk.

Dit betekende dat de onderneming in de retoriek een humanitaire dimensie kreeg. Net als voorheen de NAVO-bombardementen op Servië, die door Clinton sterk werd gerechtvaardigd als humanitair, hoewel die hem geopolitiek geen windeieren legde. De gouden eieren voor hem waren: a) het beëindigen van de gerichtheid van Servië op Rusland en b) het stationneren van een grote Amerikaanse militaire basis in Kosovo. Het verschil is echter dat Clinton niet overging tot een daadwerkelijke bezetting en Bush wel, terwijl bij de laatste ook de aloude westerse zendingsdrang weer een sterk en ook agressief accent kreeg. Het ingrijpen van Clinton heet humanitaire interventie en dat van Bush humanitair imperialisme, alle twee overigens strijdig met internationaal recht en met het Handvest van de Verenigde Naties, dat slechts het recht op zelfverdediging erkent.

Beide worden ook door zowel de vredesbeweging als de kerken, inclusief de paus en de Wereldraad, afgewezen. Daarentegen niet door sommige mensenrechtenactivisten zoals Mient Jan Faber. “Er is geen (militaire) weg naar vrede, vrede is de weg,” zei Mahatma Gandhi. Ik zie dat ook zo, maar als ik zou moeten kiezen tussen de klassieke realpolitik, waarbij het louter om belangen gaat, zonder (hypocriete) moraal en de huidige terugval in gewelddadig en bijna agressief westers (moreel aandoend) missiebewustzijn om zelfs democratie (en vrede) te willen verspreiden op de punt van het bajonet, dan geef ik de voorkeur aan de eerste. Oorlogen die worden gevoerd op grond van mensenrechtenschendingen duren zeer lang en geven diepe verdeeldheid, zoals nu het ingrijpen in Irak.

Humanitair imperialisme betekent tevens dat je je overal oorlogen op de hals haalt. In Irak zijn er inmiddels tegen de drieduizend Amerikanen gesneuveld en meer dan dertigduizend Irakese burgers gedood. Humanitair imperialisme en dus ook het drama in Irak doen me denken aan de tekst op een grafsteen van een luitenant in de Eerste Wereldoorlog op een Britse militaire begraafplaats bij de Ieper: “Sacrificed to the fallacy that war can end war” (Opgeofferd aan het waandenkbeeld dat oorlog een eind kan maken aan oorlog). Omdat humanitair imperialisme bol staat van zulke en andere rechtvaardigingen, lijkt wat de Britse schrijver Rudyard Kipling, die in 1915 zijn enige zoon in de oorlog verloor, ooit namens gesneuvelden schreef, tevens daarop van toepassing: “We died, because our fathers lied” (We stierven omdat onze vaders logen).