3 augustus 2006

NOS-correspondent Eddo Rosenthal typeerde het “soms barbaarse Israëlische militaire optreden tegen Libanon” als “een blijk van zwakte en grote angst” van zijn land. Zelf heeft hij ook angst en wel dat de Joodse staat het jaar 2050 “niet zal halen”. Hij schreef dit vlak voor het einde van Israëlisch-Libanese Oorlog vanuit Israël, dat zijns inziens ondanks een oppermachtige oorlogsmachine “machteloos” zou staan tegenover Hamas en Hezbollah, waarbij hij spreekt van een “fundamentalistisch-islamitische tsunami”, die maar blijft “aanzwellen”. Hij ziet de vooruitzichten voor Israël “somber” in.

Is de cri de coeur van deze serieuze verslaggever een pathetische uiting van het slachtoffertrauma, waaronder het Israëlische volk nog steeds gebukt gaat? Ik sluit niets uit. Genoemd trauma speelt zeker in Israël, maar toch neig ik naar nee als antwoord op die vraag, want Rosenthal heeft best een punt. Hij uit trouwens het gevoelen van meerdere Israëliërs, zeker nu de reflectie losbreekt over de voor Israël minder goed verlopen oorlog. Jammer alleen dat hij de zwakte en ook de “stille angst” van Israël te weinig onderbouwt. Angst kan bijvoorbeeld wijzen op onbewust collectief schuldgevoel of een slecht geweten. Als antropoloog trof ik dat een tijd terug ook aan bij veel blanke Zuid-Afrikanen, toen die het apartheidsbeleid rechtvaardigden met het argument dat de zwarten hen de zee zouden willen indrijven. Een argument dat ik ook veel in Israël hoor jegens de Arabieren.

Rosenthal spreekt wel van Israëls “tegenterreur”, maar wijst niet op de nu al jaren aan de gang zijnde verwerpelijke koloniale expansie van zijn land. De conflicten in het Midden-Oosten zijn alle retoriek ten spijt niet religieus van aard. Ze gaan niet om godsdiensttwisten, maar om macht en grondgebied.

Als Israël de toekomst vreest, is het vooral zaak zich af te vragen of er niet sprake is van een falende machtspolitiek. Als je je als migrant vestigt in een ander gebied, is een eerste vereiste zich te integreren met de oorspronkelijke bevolking en vrienden te worden met de buren. In plaats daarvan zien we vanaf 1900 arrogant gedrag en vanaf 1948 de stichting van een eigen etnische staat, waardoor autochtone Palestijnen verworden tot ballingen buiten of tweederangsburgers in eigen land. Machtspolitiek die zich ook nu nog uit in landroof, een ondragelijke bezetting en niet te vergeten in een havikachtige strategie van louter vertrouwen op militair geweld. Machtspolitiek ook via het niet willen uitvoeren van VN-resoluties inzake bezet gebied en het negeren van gematigde vredesvoorstellen van derden, zoals die in 1982 en 2002 van de Arabische Liga op basis van de grenzen van 1967.

Zelfs premier Blair, zich — zij het wat laat — bewust van het gevaar van een oorlog tussen het Westen en de islam, signaleert op 1 augustus te Los Angeles in een rede voor de World Affairs Council, dat de toekomst van een aantrekkelijke wereld “niet gebaseerd is op militaire kracht, maar op gerechtigheid”. Eerlijk delen dus. De VN gaven in 1947 de joodse nieuwkomers 50 procent van het vroegere Palestina. In plaats van hiermee tevreden te zijn en te kiezen voor de gerechtigheid van eerlijk delen, beschikt Israël nu al over zo’n 80 procent.

Landroof en militaire superioriteit zijn hoe dan ook niet de sleutel om de harten van de mensen te veroveren. Ze roepen evenals een bommenregen op burgers slechts haat op. Het is vooral een grote vergissing te denken dat het ooit kan lukken een ander volk blijvend te onderdrukken via geweld. Dit ook omdat geweld zijn eigen en onvoorziene dynamiek heeft. Zo zal een onderdrukt volk steeds weer proberen een weg te vinden om zich te bevrijden. Thans is dat helaas niet meer die van de geweldloze eerste Intifada, maar van strijdbaar islamitisch fundamentalisme of van een guerrillabeweging met kassam- en katjoesjaprojectielen.

De zorgen van Rosenthal over de toekomst van het huidige Israël deel ik. Niet dat een Arabisch land Israël ooit militair een nederlaag kan toebrengen. Nee, ik bedoel het spiritueel en politiek. Het eerste vanwege de verharding in het land, kortom het verliezen van de ziel sinds vooral 1967. En politiek door het te zeer centraal stellen van arrogantie, macht en geweld in plaats zijn heil te zoeken in vriendschap met Palestijnen en Arabieren via eerlijk delen en vreedzame samenwerking.

Joodse vrienden in Israël van me wijten de ellende aan het zionisme. Anti-semitisme en de holocaust vroegen om een antwoord, maar het is de vraag of nationalisme (want dat is het zionisme) wel het juiste antwoord was. Was het achteraf niet een vergissing, ook gezien het bloedvergieten en de maar niet ophoudende ellende die het zionisme opriep? Immigratie van redelijk grote aantallen joden naar het vroegere Palestina en dit dan samen met de autochtonen in een multiculturele samenleving te helpen opbouwen, was prima. Maar het oprichten van een eigen staat met de davidster in de vlag, zoals in 1948 gebeurde, was dat niet vragen om grote moeilijkheden? Ook in eigen kring, vooral ook van religieuze joden, was hiertegen verzet. De bekende en gezaghebbende liberaal-joodse filosofe Hannah Arendt wees een eigen staat fel van de hand. Ze voorzag een onoverkomelijk joods-Palestijns conflict. In 1944 waarschuwde ze Ben Goerion dat oprichting van een staat zou leiden tot isolatie in de regio, vijandschap, oorlogen, militarisme en het degenereren van het jodendom tot een grimmige krijgerstam zoals het vroegere Sparta.

Dit lezend en naast het verhaal van Rosenthal leggend, denk ik dat Arendt er niet zo ver naast zat met haar analyse van 1944. Wil Israël overleven, dan lijkt wijziging van zijn arrogante en militaristische machtsbeleid à la Sparta een voorwaarde. Een wijziging ook naar oprecht willen onderhandelen, zeker ook nu na het staakt-het-vuren. Om te beginnen over de door Hezbollah en Hamas gevangen genomen Israëlische militairen in plaats van zoals in juli daarover meteen een vele burgers dodende luchtoorlog te beginnen, laat staan deze vergezeld te doen gaan met clusterbommen.