1 juli 2007

Informateur Herman Wijffels onthulde onlangs dat Jan Peter Balkenende en André Rouvoet – met stilzwijgende instemming van Wouter Bos – het begrip individualisering “consequent uit het regeerakkoord hielden”. Zelf sta ik met het oog op de groei van spiritualiteit bij de mens, dus leven vanuit je kern of bron, al enige jaren positief tegenover het proces van individualisering. Knellende groepsbanden kunnen een blokkade vormen voor deze groei. Ik was er dan ook mee ingenomen dat Wijffels individualisering ziet als “ontwikkeling van het bewustzijn” en dus “zo beschouwd eerder leidend tot aanvaarding van meer verantwoordelijkheid voor het geheel” dan tot het “uitlopen op losbandigheid en onverschilligheid”. Maar Wijffels kon bij de formatie Balkenende en Rouvoet niet overtuigen en zegt daarover: “Ze zijn nog niet toe aan individualisering. In hun achterbannen bestaat heel sterk een negatieve duiding daarvan” (Volkskrant, 2 juni 2007).

Ik ben afkomstig uit een van de confessionele zuilen uit de jaren vijftig en weet dan ook uit eigen ervaring dat je die jaren niet moet idealiseren. Ik herinner me bijvoorbeeld ‘achterbuurten’ en hoe daarop toen door ons als ‘christelijken’ neer werd gekeken, of hoe elk contact met de bewoners daarvan door onze ouders werd verboden. Er heerste in de zuilenmaatschappij nogal wat ‘ingroup’-gevoel, waarbij de eigen groep op een voetstuk werd geplaatst en zij die er niet bij hoorden niet zelden het stigma van een te verwerpen ‘outgroup’ kregen. Op de ‘gemeenschapszin’ van toen is veel af te dingen.

Zo was behalve sociale uitsluiting van wie tot een andere zuil, groep of klasse behoorde, ook familie-egoïsme bepaald geen onbekend verschijnsel, evenals conflicten in en tussen families. Intern was er vaak sprake van ongezonde verhoudingen, waarbij minder sterke individuen nogal eens geïsoleerd raakten of ‘het zwarte schaap’ werden. Drukkende onderlinge sociale controle, moralisering en bevoogding waren vaak van dien aard dat van hen die dat meemaakten er weinigen rouwig zijn om de afbrokkeling van de hiërarchische gezagsverhoudingen van toen.

De ‘theemutscultuur’ (een term van filosoof Harry Kunneman) van het ‘rijke roomse leven’ en van de protestanten had zeker wel iets knus, maar er waren vele schaduwkanten. Elke socioloog weet dat, terwijl dat toch door cultuurpessimisten van nu te veel wordt genegeerd. Het individu kwam bijvoorbeeld veelal niet tot zijn recht. Ik herinner me dat een pastor uit Brabant me vertelde dat zij pas vanaf haar achttiende jaar heeft kunnen (en moeten) werken aan de ontwikkeling van haar eigen individuele identiteit. In het boerengezin van haar ouders met dertien kinderen, waar dag en nacht werd gewerkt en er geen tijd was voor de kinderen individueel, werden allen als jongens aangesproken. “Jongens, nu naar bed,” klonk het als het tijd was om te slapen. “Ik was geen individu, ook nauwelijks een vrouw, ik was een onderdeel van een groep. We voedden elkaar natuurlijk wel op, maar zeker in de eerste drie jaar heb je persoonlijke aandacht van je moeder nodig, en die kreeg ik niet”. Het had ook maar een haar gescheeld of ze had net als haar broertjes en zusjes niet verder kunnen leren. Een onderwijzer bij wie ze toevallig weleens op de kinderen paste, deed het tij voor haar keren. Naast onwetendheid was er soms ook sprake van onwil. Conservatieve personen vormden in gesloten gemeenschappen weleens een blokkade voor de ontwikkeling van creatieve individuen.

En dan heb ik nog niet over het interne geweld in gesloten gemeenschappen, waaronder ook incest. Familie- of groepseer maakte dat het vaak werd toegedekt en binnenskamers werd gehouden, waardoor de trauma’s daarover lang bleven doorsluimeren. Seksueel misbruik van minderjarigen binnen de rooms-katholieke kerk is lange tijd verweten aan het celibaat. Maar recente onderzoeken in de VS hebben uitgewezen dat het percentage klachten hierover bij protestanten minstens zo hoog is.

Dat in bepaalde traditionele plattelands- en kustdorpen in Nederland veel seksueel misbruik van minderjarigen voorkomt, heeft volgens mij te maken met zowel de geslotenheid van deze gemeenschappen als met de daarin heersende perceptie van het kwaad inclusief geweld. Er mag dan vaak wel sprake zijn van een algemeen zondebesef in theorie, het kwaad wordt in die dorpen niettemin vaak bij de ‘outgroup’ gesitueerd – terwijl het bestaan ervan in eigen kring wordt ontkend. De ontkenning van je schaduwkanten leidt echter tot onderdrukking daarvan, waardoor ze soms juist plotseling in grote kracht naar boven komen. Het voordeel van individualisering is nu dat men leert het kwaad bij zichzelf niet te ontkennen, maar onder ogen te zien en er mee in het reine te komen.

Individualisering houdt in dat je jezelf als zelfstandig individu aanvaardt, dat je ziet wie je bent, waar je staat, wat je wilt en ook dat je er eigen gedachten op na mag houden. Dat is geen pleidooi voor egoïsme, maar dat je jezelf neerzet vanuit je levensmissie en dat je je verbindt met jezelf. Verbinding met zichzelf is vaak een voorwaarde zonder welke de (innerlijke) verbinding met de ander, met de natuur en met het Mysterie niet lukt. Het avontuur is nooit ergens anders, het is in onszelf. “Voor we vriendschap kunnen sluiten met een ander, moeten we eerst vriendschap sluiten met onszelf”, zei Eleanora Rooseveld eens. In de jaren vijftig werd je in de samenleving te veel tot object gemaakt, terwijl het er juist om gaat dat je subject wordt. Individueel dus en spiritueel bewust. Carl Jung noemt dit het belangrijke proces van individuatie van de mens.

Individuatie heeft trouwens alles te maken met vrijheid. Om echt vrij te zijn, moeten we in contact komen met onze eigen gevoelens, gedachten en wensen. Om echt vrij te kunnen zijn moeten we onszelf kunnen verwerkelijken, authentiek en oorspronkelijk kunnen zijn. En dat vooral ook mogen leren. Angst werkt in deze dan ook averechts. Het klassieke boek Angst voor Vrijheid van de cultuurfilosoof en psychoanalyticus Erich From van kort na de Tweede Wereldoorlog is nog steeds actueel. Authentiek kunnen zijn is immers al geen gemakkelijke opgave voor eenieder van ons. Angst voor vrijheid helpt daarbij niet, maar werkt veeleer blokkerend. Als ergens geldt dat er grenzen zijn aan ‘maakbaarheid van bovenaf’, dan geldt dat hier. Individuen zullen zelf door ervaring ontdekken dat vrijheid in de buitenwereld beperkt en relatief is, maar ook dat innerlijke vrijheid niet kan worden aangetast. En tevens dat de grootste vrijheid wordt gevonden in zelfbeheersing en zelfdiscipline.

Wat cultuurpessimisten er ook van mogen vinden, het proces van individualisering is zowel vanuit de optiek van vrijheid als van spiritualiteit positief. Terwijl je vroeger, aldus Herman Wijffels, “de waarden aangereikt kreeg vanuit een zingevingsysteem, gaat het nu om een van binnenuit komende spiritualiteit, de innerlijke stem, die je leidt in wat je moet doen” (Financieel Dagblad, 31 maart 2007).

En natuurlijk zijn vergissingen dan niet uitgesloten. Maar van het maken van fouten leren we. Het is van belang dat individuen met vallen en opstaan volwassen worden, komen tot zelfverwerkelijking en innerlijke groeien. Individualisering kent uiteraard ook negatieve en moeilijke kanten. Denk aan eenzaamheid en mogelijke uitwassen als hedonisme en consumentisme, maar is dat niet vaak ook een tijdelijke fase? Een fase waar het individu doorheen moet om sneller innerlijk te kunnen groeien.

Bij de critici van individualisering bespeur ik een zekere nostalgie naar vroeger. Hun klacht over gebrek aan gemeenschapszin is hoofdzakelijk de klacht over het uiteenvallen van traditionele groepen. Maar vergeten wordt daarbij dat er allerlei nieuwe groepen en netwerken ontstaan. Ik zie dat ook in mijn eigen leven. Je zou kunnen spreken van een nieuw, zij het (veel) losser gestructureerd middenveld. In de studie Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid (2004) vragen de schrijvers op grond van eigen onderzoek zich daardoor dan ook af of het individualisme eigenlijk niet op een misverstand berust. En er is vandaag best wel sprake van gemeenschapszin, zij het anders dan vroeger.

De door Wijffels geconstateerde koudwatervrees voor het proces van individualisering door het huidige kabinet, is dan ook vreemd. Dit temeer nu vandaag de dag dit proces mede door de sterk toegenomen mobiliteit en ook de groei van middelbaar en universitair onderwijs een gegeven is dat niet meer is terug te draaien en daarom als uitgangspunt dient te worden genomen voor beleid. Logisch dat Wijffels het in allerlei conceptteksten van het regeerakkoord heeft gezet. En jammer dat het daarna consequent is geschrapt. Formeel althans, want ik twijfel er niet aan dat het kabinet in de praktijk genoemd uitgangspunt niet of nauwelijks zal negeren.