27 februari 2008

We komen van onze leiders, eenmaal verkozen, nooit meer af

Ik voel me senang in Afrika en ik houd van Afrikanen. Ze zijn hartelijk, warm en hebben humor. Maar de wijze waarop hun politieke elites met macht omgaan, roept weerzin op. Zeker wanneer het indirect leidt tot geweldsuitbarstingen en etnische zuivering, zoals thans in Kenia. Komt dat omgaan met macht voort uit de Afrikaanse traditie van koningen en stamhoofden? Schort er iets aan de structuren van democratie na de onafhankelijkheid, dan wel is er sprake van kinderziektes van een beginnende democratie? Speelt hier ook nog parten dat de meeste politieke leiders voortkwamen of voortkomen uit een gewelddadige bevrijdingsstrijd? Of is een en ander terug te voeren tot het hebben van ‘grote ego’s’, zoals bij een Mugabe?

Strijd om de macht
Ik was onlangs te gast bij universiteitsvrienden in Johannesburg, toen vlak voor de jaarwisseling het geweld in Kenia op tv kwam. Het was een terugkerend onderwerp van gesprek. Ook omdat niet lang ervoor het geruchtmakende ANC-congres te Polokwane plaatsvond, waar Jakob Zuma tot ANC-leider werd gekozen en niet president Thabo Mbeki. En omdat ik daarna in het mooie Namibië merkte, hoe de daar almachtige SWAPO steeds meer weerstand oproept. Zeker nu die alles lijkt te doen om zijn sympathie oproepende afscheiding, de Rally for Democracy and Progress (RDP), verdacht te maken.

Voor zover etniciteit bij dit alles een rol speelt, is die uiteraard in elk land weer anders, ook afhankelijk van het koloniale verleden en het dekolonisatieproces. De ene stam werd in de koloniale tijd meer voorgetrokken, paste zich meer aan de moderne situatie aan of had een grotere rol in de bevrijdingsbeweging dan de andere. Evenwichtige politieke leiders die niet primair op eigen macht uit zijn, zorgen er normaal voor dat die verschillen glad worden gestreken en niet worden versterkt. Dat er dus een soort nationaal eenheidsgevoel ontstaat. Maar juist op dat punt lijkt het te wringen in de meeste Afrikaanse landen.

Ook in Zuid-Afrika. Spreekt Desmond Tutu van een ‘regenboognatie’, Mbeki zal dat nooit doen. Hij heeft het meer over zijn machtsmiddel, het ANC. Mbeki heeft bij lange na niet het charisma van Mandela. Maar erger is dat hij zijn macht meer gebruikt voor intriges om aan de macht te blijven dan om een sociaal en op eenheid gericht beleid te voeren. Dat er nu en dan lokale spontane onlusten van armen in het land zijn, is een teken aan de wand. Weinig Afrikaanse landen kennen een verzorgingsstaat, maar het ernstige is dat er niet of nauwelijks initiatieven zijn in die richting. Dat dit niet het geval is in Zimbabwe, dat te zwaar ontwricht is door de machtspositie van Mugabe’s ZANU-PF en de gewelddadige uitschakeling in de jaren tachtig van de Matabele-partij van zijn vroegere strijdmakker Nkomo, is nog wel te begrijpen. Maar waarom niet in Kenia of het rijke Zuid-Afrika?

De Keniaanse Mwai Kibaki en Zuid-Afrikaanse Mbeki zijn kennelijk met andere dingen bezig geweest. De eerste dankt het aan zijn tegenspeler Raila Odinga dat hij in 2002 president kon worden. Een Memorandum of Understanding, waarin Kibaki aan Odinga een meer democratische grondwet en het premierschap toezegde, bleek echter al gauw een vodje papier. Eenmaal aan het bewind wilde Kibaki niets meer van een machtige premier naast zich weten en liet hij de toezeggingen aan Odinga voor wat ze waren. Kenia werd snel een ‘éénleiderstaat’ met alles wat erbij hoort, zoals vriendjespolitiek en het inspelen op het patronagesysteem van de elkaar beschermende cynische politieke elite. Alsof de dagen van het eenpartijsysteem weer waren teruggekeerd. Een universiteitsdocent te Harare zei me eens: “In het algemeen hebben jullie sociale wetenschappers, zogenaamd als ‘waarborg voor ontwikkeling en socialisme’, ons het Oost-Europese eenpartijsysteem door de strot geduwd, waardoor we nu van onze leiders, eenmaal verkozen, nooit meer afkomen.”

Westerse bemoeienis
Er is in de jaren negentig na de val van de Muur verzet gekomen tegen dit systeem. In veel Afrikaanse landen is nu formeel sprake van meerdere partijen, maar de praktijk verschilt vaak weinig van vroeger. De oppositie wordt, indien niet sterk tegengewerkt, hooguit gedoogd. Ook in Zuid-Afrika, waar het ANC de dienst uitmaakt, is de regering weinig vriendelijk jegens de oppositie. Opmerkelijk is, dat Mbeki bij zijn aantreden het idee van een premier naast zich meteen van tafel veegde. De macht niet willen delen lijkt kenmerkend voor veel Afrikaanse leiders. Ze gedragen zich nogal eens als ‘absolute vorsten’ met allerlei getrouwen vanuit de partij en het patronagesysteem om zich heen, ook al is er in naam sprake van democratie. Allerlei machinaties lijken dan nodig om ‘absoluut vorst’ te kunnen blijven, bijvoorbeeld door oppositiepartijen knock-out te slaan, op grote schaal stemmen te kopen, anderszins te frauderen of gewoon de verkiezingen voor gewonnen te verklaren. En soms ook door omstreden collega’s in buurlanden die het wel heel bont maken de hand boven het hoofd te houden, zoals een Musoveni van Uganda doet jegens Kibaki van Kenia en Mbeki jegens Mugabe. Zuid-Afrikaanse critici noemen dit laatste Mbeki’s grootste wandaad, juist omdat dit grote buurland van Zimbabwe over economische en andere drukmiddelen beschikt om Mugabe tot de orde te roepen. Tekenend in deze is ook dat Moammar Khaddafi van Libië half maart verklaarde dat Mugabe ‘niet gestoord moet worden met verkiezingen, maar aan de macht moet blijven tot hij de problemen in zijn land de baas is, en anders tot hij overlijdt’. Verkiezingen die overigens al lang een wassen neus zijn, zeker nu politie en leger van Zimbabwe onlangs lieten weten “geen overwinning van oppositiegroeperingen te dulden”.

Wat tegen dit alles te doen? In de eerste plaats moet het Westen niet aanpappen met de machthebbers van éénleiderstaten, zoals de Amerikanen te veel deden met Kibaki en de EU met Mugabe. Al was het maar alleen om duidelijk te maken, dat éénleiderstaten weinig met democratie hebben te maken en grote sociale onvrede geven. Daar hoort natuurlijk het beëindigen van militaire verdragen bij, zoals vooral Frankrijk die met veel Afrikaanse landen heeft. Sarkozy beloofde eind februari deze verdragen te herzien, eraan toevoegend dat Frankrijk niet de roeping heeft ‘om oneindig zijn gewapende troepen in Afrika te houden’. Goed nieuws als we bedenken, dat Frankrijk er negenduizend soldaten heeft en al twintig keer militair heeft geïntervenieerd in Afrikaanse landen, meestal ten gunste van zeer autoritaire regimes.

Meerpartijendemocratie
Maar er is daarnaast vooral ook een herijking van de democratie in Afrikaanse landen nodig. Ik bepleit dat we via dialoog en druk bij de elite van die landen over hun politieke structuren een proces van bewustwording op gang proberen te brengen. En dan niet achteraf, als er al veel bloed heeft gevloeid. (Zoals in Kenia, waar Kofi Annan onlangs moeizaam een machtsdeling tot stand bracht tussen Kibaki en Odinga via de invoering van het premierschap). En ook niet in een enkel land. Ik bepleit een dialoog met de Afrikaanse elite in het algemeen. Hoe deze met macht omgaat, lijkt immers een breed patroon. Steeds zien we moeilijkheden op dit terrein, zoals onlangs weer in Nigeria, Tsjaad en Ethiopië. Het gaat mij niet om individuele machtsspelletjes maar om de verandering van politieke structuren teneinde de huidige misstanden te doen verminderen.

Als het districtenstelsel aan fraude extra kansen geeft, zoals in Kenia, waarom dan niet zoeken naar alternatieven zoals het evenredigheidsstelsel? Als machthebbers het moeilijk vinden na een tijd uit de schijnwerpers terug te moeten treden, waarom dan niet de oppositieleider veel meer status en invloed geven, waardoor het minder erg is een keer de verkiezingen te verliezen? Of, als Afrikaanse presidenten zich te veel als ‘absolute vorsten’ gedragen, waarom het dan niet proberen met een ceremoniële president en dan een premier voor vier jaar het werk te laten doen?

Via economische druk en handelsovereenkomsten door de financiële instellingen, de VN, de EU en de VS zou in deze zeker een en ander bereikt kunnen worden. Doen we niets op dit terrein, dan kunnen we er gif op innemen dat onnodig bloed zal blijven vloeien. Wat dat betreft vormt een dergelijke dialoog een essentiële vorm van geweldspreventie.

Dit artikel verscheen tevens in Het Parool van 1 maart 2008.