20 juni 2008

Geweld is de diepste kern van onze samenleving, schreef filosoof Ger Groot eens. Maar geweld is in zoveel dimensies en gradaties aanwezig in het leven, ook in onszelf, dat we het vaak verdringen. En wat mensen ook graag doen, is het kwaad bij de ander situeren. Dit fungeert als een soort verlossing. Je hoeft je eigen geweld dan niet in de ogen zien, maar projecteert het op een zondebok. En voor je het weet, ben je in de greep van geweld. Erkenning van de eigen schaduw – dat geldt ook voor groepen of naties –, is al een vorm van heling en tevens een enorme geweldspreventie. Dat mensen tot deze erkenning vaak niet bereid zijn, hangt mede samen met hun denken. Wat we denken zijn we. Het is van belang onze overtuigingen (beliefs) continu kritisch te bezien. Ze kunnen vals zijn. We kunnen slachtoffer zijn van een fataal geloof, zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Is bijvoorbeeld ons denken over kwaad wel correct?

Licht en donker, goed en kwaad, god en demon zitten beide in ons, zijn daar als het ware een huwelijk aangegaan. Natuurlijk proberen we het kwaad, dat er vooral is om innerlijk aan te groeien, geen energie te geven en ons te concentreren op het goede. In het besef dat we beide kanten in ons hebben, een besef dat ons mild maakt en niet scherpslijpend. Dat is de ene houding. Het kwaad neutraliseren ‘door het goede te doen’, om met Paulus te spreken. Een heel ander denken is dat we het goede bij onszelf/‘onze’ groep plaatsen en het kwade bij een andere groep. Het gaat vaak samen met moreel absolutisme en een ‘heilig’ moeten bestrijden van het kwaad. Het is de houding van Sint-Joris de drakendoder. De draak zit dan niet bij jezelf, maar bij de ander. Zo ontstaan vijanddenken en oorlogen. De hypocrisie jezelf te zien als ‘goed’, doorzien we zelfs niet. Reden dat Carl Gustav Jung zegt: “Ik heb liever een heel dan een goed mens.”

Illustratief voor dit ‘drakendodende’ denken is de uitspraak van president Bush na 11 september 2001: “We moeten terugvechten en de wereld verlossen van het kwade.” Bush sluit daarmee aan bij het (alleen of vooral) in het Westen voorkomend brede geloof dat het kwaad uit de samenleving verwijderd kan worden. Een vals geloof, dat in de vorm van agressief utopisme ongekend veel leed heeft veroorzaakt. Zelf heb ik dat ook nogal eens zo betoogd, daarin geïnspireerd door nog steeds actuele Mahatma Gandhi. Maar nooit kwam ik het zo onderbouwd tegen als bij de Brit John Gray, een knappe linkse wetenschapper die met zijn kritiek op de Verlichting en het Amerikaanse neoliberale neoconservatisme grote aandacht trekt. Hij krijgt het ene interview na de ander, ook in de Nederlandse pers. Het tv-programma Tegenlicht wijdde onlangs een uitzending aan zijn visies. Men kan niet om hem heen. Toch zit dat mensen als Paul Cliteur, die ooit in een Buitenhof-column sprak van ‘de superioriteit van de westerse cultuur’, niet lekker. Op een symposium dit voorjaar klaagde hij publiekelijk over de grote aandacht die Gray in de media kreeg.

Eind vorig jaar kwam Grays boek Zwarte mis. Apocalyptische religie en de moderne utopieën uit. Een aanrader voor Cliteur en allen die worstelen met het massale geweld in de recente geschiedenis. Je kunt wel zeggen tegen geweld te zijn, wat zeker vredesmensen meestal doen, maar wat is zoiets waard als je vanuit een misverstaan van christelijke (of seculiere) mythen in de ban raakt van een beweging voor een apocalyptisch utopie. Een utopie wil onmogelijke doelen realiseren en dan ligt terreur om dat met onmenselijke methoden te doen al snel in de lijn. Terreur is dan ook de essentie van revolutionair utopisme. Wat neoconservatieven in het Midden-Oosten doen, martelen incluis, is normaal in een utopische beweging. Het mag ons niet verrassen. Lenins bereidheid om in de Sovjet Unie terreur te gebruiken voor zijn ideaal van een nieuwe wereld, was niets nieuws. Het hoort bij de traditie, die volgens Gray begon met het Jakobijnse schrikbewind van 1792-’94 kort na de Franse revolutie. Een traditie waarin terreur het legitieme middel is. Repressie is bij utopisme dus geen deformatie, maar uitvloeisel van het ideaal.

Gray noemt het bolsjewisme, nazisme en het neoconservatisme politieke religies. Ze zouden niet hebben kunnen bestaan zonder de mythe van menselijke verlossing door middel van de geschiedenis als het strijdperk van de worsteling tussen goed en kwaad. Volgens Jezus zouden Zijn tijdgenoten de ineenstorting van de toenmalige orde ten gunste van het Koninkrijk van God nog meemaken. En zoals Marx meende dat de klassenstrijd een eindpunt had, zo werd ook in het Bijbelse boek Openbaring beloofd dat de geschiedenis een eindpunt heeft en wel het moment waarop het kwaad is verslagen. Maar kerkvader Augustinus en zeker de mystici zagen die visie als een misvatting. Het Koninkrijk zou niet ‘van deze’, maar van de (onzichtbare) geestelijke wereld zijn. Het Koninkrijk van God is in u, zo heette een boek van de Russische schrijver en vredesactivist Tolstoj, die het politiek-religieuze utopisme van zijn tegenpool Lenin doorzag. Spiritualiteit dus niet als een politieke, maar als een innerlijke zaak, zoals men vandaag meer en meer begint te zien. Maar de gedachte van verlossing in de geschiedenis bleef in de westerse cultuur leven en leidde onder meer tot agressieve chiliastische bewegingen in de Middeleeuwen.

Het tegenstrijdige in de eindtijdidee is dat de wereld snel eindigt, maar zich ook beweegt naar een betere toestand. Zoals Jezus leek te geloven dat de wereld zou worden vernietigd om plaats te maken voor een volmaakt alternatief. We stuiten hier op een syndroom in onze cultuur. In het Westen dan, omdat de eindtijdidee alleen voorkomt in monotheïstisch religies, vooral christendom en islam (de radicale islam is ook utopistisch) en nauwelijks in de door hindoeïsme en taoïsme gevormde culturen. Eindtijd en het denken in termen van het kosmische rad van wederkeer verdragen elkaar niet. Hoe dan ook, de wereld is volgens Gray bezaaid met de puinhopen van utopische projecten, die hoewel in seculiere termen vervat en formeel tegen de religie, feitelijk dragers van religieuze mythen waren/zijn. Inclusief de sterke gerichtheid op verwijdering van het kwaad (een bepaalde groep fungeert als demon), zoals bij het bolsjewisme en nazisme en nu ook weer bij neoconservatisme en de radicale islam. En het doen van mooi klinkende beloften aan de aanhangers. Bolsjewistische en nazistische machtsgrepen zijn ook daarmee, aldus Gray, net zozeer op geloof gebaseerde omwentelingen als de theocratische opstand in 1534 van de wederdoper Thomas Muntzer of de revolutie in Iran in 1979 onder aanvoering van ayatollah Khomeini.

Revolutionaire bewegingen na 1789 zijn dus een voortzetting van religie met andere middelen. En dat in een tijd dat we het christendom zien neergaan. Bij het utopisme ging het in de Middeleeuwen meestal om zoiets als een (duizendjarig) vredesrijk, maar alleen te realiseren door God. Er werd steeds ook geweld toegepast, maar pas na 1789, dus met en vanaf de Jakobijnen, zien we het geloof dat het aan de mens is de wereld te herscheppen via de ‘reddende’ macht van het geweld. Het is het begin van grootschalig ‘religieus’ geweld voor een utopie en vaak onder het mom van (semi)wetenschap. Herscheppingen, die uiteraard mislukten en destructie teweeg brachten met miljoenen slachtoffers.

Wat is hiervan te leren? Het is niet aan mij dat nu te veel voor anderen in te vullen. Het is voor ons allen een uitdaging aan introspectie te gaan doen. Over de vraag of ook wij niet (ooit) te veel in de ban van het utopisme waren (zijn). Dat geldt ook voor mezelf. Christenen zouden het zich kunnen aantrekken dat hun mythen dubbel interpretabel zijn en bij de mensheid tot zulke fatale syndromen hebben geleid. Maar zeker ook linkse mensen zouden zich door Grays studie kunnen afvragen of zij, hoezeer ook vanuit een goed hart en voor een nobel doel, zich niet te gauw laten meeslepen door utopisme. Er is niets tegen het hebben van een ideaal, integendeel, maar als dat een utopische dimensie heeft, is er al gauw de verleiding dit met geweld te (doen) realiseren. Al is het maar via het steunen van onrealistische en escalatie in de hand werkende militaire interventies in een land ver weg. Tenzij men principieel geweldloos is, is in onze cultuur elk mens, ook een rechtse liberaal, ontvankelijk voor utopisme. Dat is de belangrijke les van Gray.

Bij rechts zien we vandaag zelfs een militant vooruitgangsgeloof, bijvoorbeeld als het gaat om het Midden Oosten of de islam. De opkomst van het neoconservatisme in de VS – een alliantie van rechts, christelijk fundamentalistisch en trotskistisch links –, bevorderde dat. Naast geopolitieke en oliebelangen blijken utopische waanbeelden van het neoconservatisme de ‘oorlog tegen de terreur’ en het via bommen brengen van universele democratie. Een utopisch waanbeeld in ons land is ook de gedachte dat allochtonen in een paar jaren omstreden elementen van een eeuwenoude cultuur vaarwel zouden zeggen. Zaken waar wij eeuwen over mochten doen. Over westerse superioriteit gesproken.

Dit artikel verscheen eerder in Friesch Dagblad op 24 juni 2008 onder de kop ‘Utopisme leidt tot valstrik van geweld’.