10 juli 2008

Medio juni bood Canada in een grootscheepse ceremonie in het Lagerhuis zo’n 150.000 Canadese indianen excuses aan voor de ‘beroving van cultuur en identiteit en het lichamelijke, psychische en seksuele misbruik’ die ze ondergingen in hun jonge jaren op de van regeringswege ingestelde indiaanse kostscholen. Deze historische excuses volgen op verontschuldigingen in februari door de regering van Australië aan Aboriginals voor identieke op assimilatie gerichte kostscholen, waarheen zo’n honderdduizend kinderen werden gestuurd. Hoe belangrijk zijn deze excuses, en volstaan ze? De indiaanse Margaret Sutherland haalde terecht de koppen van de media met de uitspraak in het Canadese Lagerhuis dat dit natuurlijk fraai is, maar dat ‘verzoening iets is waar we elke dag aan moeten werken’. Het liefst niet louter als het leed al is geschied, zou ik willen toevoegen.

Toch zijn excuses achteraf door de daders van misdaden van belang. Zo zou bijvoorbeeld Bangladesh erg blij zijn met de erkenning van en excuses voor de verkrachting van circa driehonderdduizend vrouwen door Pakistan in de oorlog van 1971, die leidde tot de afscheiding en onafhankelijkheid van Oost-Pakistan, nu Bangladesh. En in zulke vaak nog onverwerkte trauma’s staat Bangladesh overigens niet alleen. Het is tekenend dat de VN-Veiligheidsraad op 19 juni jl. unaniem het besluit nam om verkrachting voortaan te zien als wapen in oorlogen en niet louter als dramatisch gevolg van strijd, chaos en wetteloosheid. Wat al jaren, zo niet decennia of eeuwen de praktijk was, lijkt met dit besluit door de raad onder ogen te zijn gezien.

Verkrachting werd meer en meer een oorlogsstrategie om de tegenspeler te demoraliseren. Iets wat niet alleen veel pijn veroorzaakt, maar ook de haat voedt en zo de strijd vaak doet oplaaien. Zo’n besluit is een begin en geeft de Veiligheidsraad op zijn minst het recht om adequate maatregelen te nemen ter bescherming van burgers in oorlogssituaties. We wachten af. Het zal overigens niet gemakkelijk zijn. De eerste impuls van mensen is vaak hopen op militaire interventie. Hier wreekt zich het geloof in de ‘reddende’ kracht van geweld. Een misvatting, omdat in een oorlogssituatie militair ingrijpen van buitenaf meestal fungeert als olie op het vuur, waardoor er veel meer burgerslachtoffers gaan vallen. Dat geldt zeker voor militair ingrijpen in een guerrillaoorlog, omdat guerrillastrijders onderdeel uitmaken van de bevolking en er daardoor moeilijk van zijn te onderscheiden.

Afgezien van ‘verzoening achteraf’, waarvan vooral Desmond Tutu de belichaming is geworden – evenals Mandela, maar helaas niet diens ‘zaken toedekkende’ opvolger Mbeki –, is het beste beleid in deze de ‘verzoening vooraf’. Tegenwoordig is deze meer bekend onder de naam conflictpreventie. Was deze, dus een actief verzoeningsbeleid vooraf, maar een algemene buitenlandstrategie in de wereld. Voor verzoening in het klein en in het groot is onontbeerlijk dat we een diplomatieke gezindheid hebben. Dit betekent zelfcontrole, een intrinsieke openheid naar anderen, voorts een mild, billijk en tactvol opereren. En tevens gericht zijn op dialoog en oplossingen, daarbij als het moet de confrontatie niet uit de weg gaand, maar zo dat je de ander niet van je vervreemdt.

Barack Obama een grote verzoener?
Zal Barack Obama, als hij in november wordt verkozen tot de opvolger van president Bush, het voortouw nemen tot een actief verzoeningsbeleid in eigen land en in de wereld? Het zal hard nodig zijn na de puinhopen die zijn achtergelaten door de beweging van het neoconservatisme, waarin rechts utopisme en keiharde kortzichtige machts- en belangenpolitiek hand in hand gingen. Obama is een grote verzoener en de man van de hoop, die daardoor het fatalisme en bitterheid een zware slag toebrengt. Zowel tussen blank en zwart als in de loopgravenoorlog tussen links en rechts in Amerika. Hij zegt gewoon: ‘Er is niet een links Amerika en een conservatief Amerika, er is een Verenigde Staten van Amerika’. Hij ziet zichzelf, zoon van een zwarte man en een blanke moeder, als een symbool van deze eenheid. Hij blijkt in veel opzichten een aanhanger van Mahatma Gandhi, ook qua spiritualiteit, maar probeert niettemin oude tegenstellingen te overstijgen door zich los te maken van de traditie van strijd uit de dagen van de burgerrechtenbeweging.

Het is bij hem niet strijd om de strijd of het willen afschrijven van de tegenspeler. Zelfs in de dialoog met een fundamentalist is hij bereid te kijken naar wat deze ten diepste beweegt, wat er achter diens woorden en argumenten steekt. En ook is hij niet gericht op oorlogvoeren met staten als Iran, Syrië, Venezuela, Cuba en Noord-Korea. Hij is bereid met de leiders van deze staten persoonlijk in gesprek te gaan ‘zonder voorbehoud vooraf’ en voorts ook te stoppen met de Irakoorlog.

Daarmee is niet gezegd dat Obama straks zijn politiek van verzoening in de praktijk zal kunnen brengen. Het hangt ook af met wie hij zich weet te omringen. Hij moet bovendien nog worden verkozen, hoewel de kans daarop niet gering is. Maar een feit is dat hij al enorm veel heeft losgemaakt bij Amerikanen, ook door hen te herinneren aan de idealen van hun land. Vooral onder de jongeren is hij zeer populair. Er is ineens sprake van een enorm bewustzijn onder de mensen, zo hoor ik van degenen die even op bezoek waren in Amerika. De manier waarop of de middelen zijn bij hem minstens zo belangrijk als het doel. Zijn ‘Yes we can’ werkt begeesterend. Obama heeft zo met zijn beweging al enigermate getoond dat verzoening zin heeft. Het is een hoopgevend begin. Maar bovengenoemde stelling van Sutherland, dat verzoening iets is waar je elke dag, verkiezingen of niet, aan moet werken, blijft niettemin intrigeren. Gaat Obama ook daarin een uitzondering vormen?

Dit artikel verscheen in Het Parool van 19 juli onder de kop ‘Is Barack Obama de nieuwe Grote Verzoener?’