24 januari 2010

Een land binnenvallen, zoals in 2003 gebeurde met Irak, is geen peanuts. Oorlog heet dat. Of liever: een aanvalsoorlog. In het volkenrecht geldt via VN-artikel 2, lid 4 een geweldsverbod, inhoudende dat staten jegens elkaar, tenzij in geval van verdediging, als politiek instrument geen geweld mogen hanteren. Alleen de Veiligheidsraad kan in een uiterste situatie in theorie instemmen met schending van het VN-geweldsverbod.

Maar zowel de NAVO-bombardementen op Servië (en Kosovo) in 1999 als de invasie in Irak in 2003 ontbeerden die instemming en waren dus onrechtmatig. Voor grote militaire mogendheden als de VS is er zo nu en dan de verleiding geweld te gebruiken jegens andere landen om iets door te drukken vanuit een ‘hoger politiek doel’, soms ook verkocht als ‘vrede’. Dat ze door hun superieure wapens ertoe in staat zijn, is een reden te meer om alert te zijn. Nieuw Brits bewijsmateriaal toont aan dat premier Tony Blair op instigatie van zijn communicatiechef in 2003 besloot tot een bewuste sexing up (aandikking) van de dreiging die van Irak uitging. En we herinneren ons nog hoe de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell in een openbare zitting van de Veiligheidsraad een ‘bewijs’ van een Irakees wapen liet zien dat geen bewijs was. In Nederland gebeurde dat wat subtieler. Van de inlichtingen over Irak werd ‘alleen dat gemeld wat in het beleid paste’, aldus het rapport-Davids. Een beleid dat was vastgesteld op een bijeenkomst van ‘drie kwartier’ op het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Toen later de Tweede Kamerbrief waarin het kabinet zijn politieke steun aan de oorlog bekend zou maken, op 18 maart 2003 in het kabinet aan de orde was, gaven alleen de LPF-ministers Roelf De Boer en Herman Heinsbroek wat tegengas. Hun terechte vraag of de invasie wel rechtmatig was, werd door de ministers Donner en De Hoop Scheffer van tafel geveegd als een ‘weinig zinvolle’ inhoudelijke discussie, waarover juristen het niet eens zouden zijn. Bijna niet te geloven. Alleen realpolitik leek toen te tellen, oftewel: loyaliteit aan de Verenigde Staten. En dat terwijl elke dag duidelijker werd dat George Bush jr. met zijn neoconservatieve bewind een gevaarlijke koers volgde. Dat Frankrijk en Duitsland zich sterk distantieerden van de eigenmachtige Amerikaans-Britse Irakoorlog hielp het toenmalige kabinet niet de ogen te doen openen.

Rechtvaardiging
Dat laatste moet pas later het geval geweest zijn, toen de oorlog een tragedie werd en  een miskleun in de zin dat nu ook Al Qaida de kans kreeg in Irak te gaan opereren. En nog meer toen bleek dat er zich in Irak geen massavernietigingswapens bevonden. Je fout erkennen inzake steun aan een oorlog die je er medeverantwoordelijk voor maakt, is voor politici erg moeilijk. Dus kregen we de jarenlange vertoning van een zich rechtvaardigen op basis van VN-resoluties, die wel gericht waren op Irak, maar dit land slechts sterk maanden om de VN-inspecteurs de vrije hand te geven in hun zoektocht naar mogelijke massavernietigingswapens. Het is bevrijdend dat het rapport-Davids deze vreemde rechtvaardiging doorprikt en duidelijk stelt dat elke volkenrechtelijke grondslag voor de oorlog ontbrak.

Een persconferentie hierover op 13 januari werd, zoals bekend, premier Balkenende en daarmee ook het kabinet bijna fataal. Gelukkig hervond eerstgenoemde zich en kwam er een compromis, waardoor een kabinetscrisis ons gelukkig bespaard bleef. De kwestie komt binnenkort weer aan de orde, maar wat kunnen we nu al hiervan leren? Ten eerste: ook in westerse landen is democratie verre van een garantie voor een behoedzame politiek inzake oorlog en vrede. Ondanks onze internationale rechtsorde zijn vanuit democratische staten onrechtmatige agressie en militaire interventie in naam van het ‘goede doel’ (lees: politiek belang) nog steeds mogelijk. Ten tweede: vooral politici van (neo)conservatieve dan wel christelijke inslag komen in de verleiding om hieraan mee te werken. In ons land zijn dat politici van het CDA, de ChristenUnie en de SGP, bewust of onbewust nog mede beïnvloed door de vaak misbruikte en ineffectieve klassieke theorie van de ‘rechtvaardige oorlog’. Maar blaam treft vooral de VVD, die in 2003 zelfs militair aan de oorlog wilde meedoen. Als het ‘goede doel’ minder een politiek belang en meer humanitair van aard is (op zijn minst: lijkt), bezwijken, zoals bleek bij de onwettige Kosovo-oorlog, ook PvdA en GroenLinks (althans die onder leiding van Rosenmöller) wel voor de verleiding.

De rechtvaardigingsretoriek rondom geweld heeft als oogmerk het eigen geweten te sussen – ook als men meent te goeder trouw te handelen – en tegenover de kiezers ‘goed te praten’ dat men oorlog voert dan wel deze steunt. En het vinden van een aanleiding is dan van groot belang. In Kosovo (1999) was dat een ‘genocide’ die achteraf geen genocide bleek, en in Irak waren dat ‘massavernietingswapens’. Voor premier Balkenende was het ‘te weinig meewerken van Saddam Hussein aan VN-resoluties’ eveneens zo’n aanleiding. Dat meewerken liet inderdaad te wensen over, maar dat gebeurt wel vaker – denken we maar aan Israël. Op zich is dit nooit een reden tot oorlog. Het past dus feilloos in het rechtvaardigingsritueel rondom oorlog.

Ik ben benieuwd hoe het verder zal gaan met het waardevolle rapport-Davids. Het is noodzakelijk dat betrokkenen zich bewust zijn van het grote belang van waarheidsvinding. In dit licht gezien hoeft deze op zich niet te leiden tot een kabinetsbreuk.

Dit artikel verscheen eerder onder meer in Het Parool van 25 januari 2010.