16 februari 2010

Het burgerinitiatief Uit Vrije Wil van een groep zeventigers, onder wie Hedy d’Ancona, Frits Bolkestein en Paul van Vliet, om op hogere leeftijd vrij een eind aan het leven te kunnen maken, plaatst de politiek voor een dilemma. Het komt sympathiek over. Immers, wie wil niet graag zelf beschikken over zijn leven en dus ook over zijn fysieke dood? Deze discussie werd ook gevoerd naar aanleiding van de nieuwe wet op euthanasie en bij de ‘zelfmoordpil’ van Drion. Nieuw is echter dat nu niet ondraaglijk uitzichtloos lijden, maar levensmoeheid het criterium moet  kunnen zijn. Dat geeft de kwestie ook een zingevingsdimensie.

Dit criterium raakt meer het debat over zelfdoding dan dat over euthanasie. Zelfdoding is niet strafbaar. Indien iemand daarin slaagt, kan straffen niet meer. Als het blijft bij een poging, is het zaak om iemand te helpen bij het verkrijgen van nieuwe levenskracht, dus niet om deze persoon te straffen. Maar Uit Vrije Wil wil meer. Van hen moet bij wet worden bepaald dat derden is toegestaan iemand fatale middelen te verschaffen of feitelijk te helpen bij zelfdoding.

Dat is nu strafbaar. Begrijpelijk. Niet alleen omdat het kan leiden tot misbruik, maar ook omdat het een grote last legt op de schouders van derden. Onze cultuur is er immers meer een van bescherming van leven – zie ook de eed van Hypocrates – dan van het recht op dood. Er zijn culturen waarin die bescherming van leven te wensen overlaat – vrij recent nog op Europese bodem, onder meer ten aanzien van geestelijk gehandicapten. Maar Uit Vrije Wil vraagt van ons als samenleving een andere solidariteit.

De groep vraagt in wezen een ontheffing van het verbod op geweld jegens iemand, ook al is het op diens verzoek. In de praktijk is die ontheffing er al vaak in noodgevallen. Daarvoor geldt de uitdrukking ‘nood breekt wet’. Veel mensen vertrouwen mede daarom erop dat het in een noodsituatie wel goed zal komen. Maar de groep zeventigers heeft dat vertrouwen niet en wil zulke nood-breekt-wetsituaties een vaste structuur geven, waarbij levensmoeheid bovendien als extra criterium geldt. Daarmee gaat zij mijns inziens een brug te ver. Ik  bespeur een tendens van maakbaarheid. En waren we van de maakbaarheid niet juist aan het genezen na het echec van het ‘reëel bestaande socialisme’ in Oost-Europa?

Steeds blijkt weer dat het leven zijn eigen (kosmische) wetten volgt en minder maakbaar is dan we denken. En kunnen we echt vaststellen of bij mensen het leven is voltooid? Het leven is een doorgaande stroom. Wie het geluk (nog) niet in zichzelf kan vinden, zoekt het vaak in uiterlijke zaken. Bezit en uiterlijkheden kunnen de ene keer geluk geven, maar de andere keer onvrede en ellende. In materieel opzicht zijn we in meerderheid rijk, maar in maatschappelijk en psychisch opzicht is er vaak sprake van armoede. Anderen hebben innerlijke rijkdom, al of niet door vormen van onthechting. Daar hoef je geen Boeddha of Franciscus van Assisi voor te zijn.

Innerlijke rijkdom heeft te maken met iemands geestesgesteldheid, die voor een derde vaak ongrijpbaar is. Ook omdat die geestesgesteldheid kan variëren. Iemand kan wel zeggen levensmoe te zijn en op jou een beroep doen te helpen bij zijn of haar zelfdoding, maar hoe weet je of die stemming niet tijdelijk is? Er zijn genoeg gevallen van mensen die achteraf blij waren dat hun poging tot zelfdoding was mislukt. Zo’n beroep zadelt de samenleving dus met een groot ethisch dilemma op, het vervult de samenleving zelfs van negatieve energie. Het individu heeft recht op levensmoeheid, eenieder mag denken en voelen wat hij of zij wil. Maar dat honoreren met het ‘recht op dood’ heeft geen positief effect op de ziel en de levenskracht van de samenleving, ook al lijkt het humanitair. Beschavingen zijn ten onder gegaan door een op moeheid gerichte geest.

Ik vraag me af of de groep zeventigers met haar voorstel wel goed de gevolgen voor de samenleving heeft doordacht. Er bestaat nu eenmaal veel levensangst en gebrek aan zelfliefde. Ook is er vaak sprake van een wankel evenwicht tussen negativisme en positivisme, wat gemakkelijk kan omslaan naar het eerste. Dit voorstel speelt daarop in. Wijsheidstradities leren ons vertrouwen te hebben in de wetten van het universum, om in het nu te leven en zich niet onnodig zorgen te maken voor de dag van morgen. Wat de toekomst betreft, kan men ‘hooguit vragen of het universum ons welgezind is’, aldus Albert Einstein. Ieder mens heeft de bron van leven in zich, de atma of dat wat ons tot mens maakt, wat ons de energie geeft, ook al weten we nauwelijks waar het vandaan komt en waar het heen gaat. We kunnen die bron, die liefde is, wegduwen, maar niet doden. Ook al overheerst (even) de angst.

Angst heeft een zichzelf versterkend effect. De mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest. Wie zich steeds fixeert op de ellende van aftakeling later, kan die ellende ook naar zich toe trekken. Angst en liefde zijn de tegenpolen in het leven. Zich richten op liefde en op vertrouwen is bevrijdend. Dat geldt ook voor het omringen van ouderen met liefde. Als dat voor hen die levensmoe zijn, de situatie niet verandert, moeten we dat uiteraard respecteren. Maar hun doodswens van het moment helpen honoreren en dit bij wet vastleggen, is het tegendeel van proberen hun de levenskracht terug te geven. Het vervult de samenleving van schadelijke energie.

Postscriptum: In een interview in de Volkrant van 27 februari 2010 liet Frits Bolkestein weten afstand te nemen van het feit dat de initiatiefgroep Uit Vrije Wil een commissie wil laten bepalen of iemands leven is voltooid. Dat moet de persoon zelf doen samen met een arts, zegt hij. Ook vindt hij de leeftijdgrens van 70 ‘arbitrair’, dat mag zijns inziens net zo goed 40 zijn. We zien wel hoe het uiteindelijke wetsontwerp eruit zal zien.

Dit artikel verscheen onder meer in Leidsch Dagblad en Gooi en Eemlander van 20 februari onder de titel ‘Recht op dood een fout signaal’ en in Stentor van 23 februari onder de kop ‘Hulp bij zelfdoding niet zo positief’.