3 maart 2010

Het recente electorale ‘geweld’ doet ons bijna weer vergeten dat Nederland in 2003 steun verleende aan de Amerikaans-Britse invasie in Irak. En dat premier Jan-Peter Balkenende er een motie van wantrouwen van bijna de hele oppositie voor aan zijn broek kreeg. Een land binnenvallen is geen peanuts. Oorlog heet dat. Of liever: aanvalsoorlog. In het volkenrecht geldt krachtens VN-artikel 2, lid 4 een geweldsverbod dat inhoudt dat staten jegens elkaar, tenzij als verdediging, geen geweld mogen hanteren. Zowel de NAVO-bombardementen op Kosovo in 1999 als de inval in Irak in 2003 waren dus illegaal. De inval in Afghanistan wordt in verband met 11 september gezien als ‘verdediging’ tegen Al Qaida, die daar trainingskampen had. Vandaag geldt dat niet meer. Wel is er een nieuwe vijand ontdekt, de Taliban. Reden om, als je er toch eenmaal bent, te blijven. Het doel heiligt de middelen, heet dat. Nederland doet er aan mee in Uruzgan. Volgens plan tot medio 2010. Minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen (CDA) wilde nog twee jaar bijtekenen, maar dit gaat door de val van het kabinet gelukkig niet door.

Voor grootmachten is er zo nu en dan de verleiding geweld te gebruiken jegens andere landen om iets door te drukken vanuit een hoger politiek doel, soms ook verkocht als ‘vrede’. Rechtvaardiging is dan troef. Nieuw Brits bewijsmateriaal toont aan dat Blair in 2003 besloot tot de dreiging vanuit Irak welbewust aan te dikken. En we weten nog hoe de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell een ‘bewijs’ van een Irakees wapen liet zien dat geen bewijs was. In Nederland werd van de inlichtingen over Irak ‘alleen dat gemeld wat in het beleid paste’, aldus het rapport van de commissie-Davids.

Je fout erkennen inzake steun aan een oorlog is moeilijk voor politici. Zo kregen we jarenlang de vertoning van een zich rechtvaardigende premier Balkenende op basis van VN-resoluties, die over iets anders gingen dan over een mandaat voor oorlog.

Wat kunnen we hiervan leren? Ten eerste: ondanks onze internationale rechtsorde zijn ook vanuit democratische staten onrechtmatige agressie en militaire interventie in naam van het ‘goede doel’ mogelijk. Ten tweede: Steeds is bij dat alles de retoriek van rechtvaardiging troef. Als antropoloog was ik eens op bezoek in het hoofdkwartier van guerrilla’s. “We konden niet anders dan de wapens opnemen,” was het eerste wat ik te horen kreeg. Might is right is zeker ook in het Westen nog steeds een verleiding. Kritisch blijven jegens de machtigen lijkt dan ook een hoofdles.

Deze column verscheen in VredesMagazine van maart 2010.