28 september 2009

Ik ben antropoloog en geen theoloog, ook al publiceerde ik een artikel over rainmaking-rituals onder de Transvaal–baTswana, een stam onder wie ik ooit als jong broekie onderzoek deed. Het lijkt alsof ik die lijn weer wat aan het oppakken ben. De laatste tijd deed ik religieus-antropologisch onderzoek inzake 1) (een zeer effectieve) vervloeking op het eilandje Seenigama in naam van Boeddha en een god en 2) demonuitdrijving in naam van Boeddha, beiden op Sri Lanka. Over beide publiceerde ik, en over de laatste maakte ik een film van 25 minuten.

In het artikel in Civis Mundi sprak ik terloops over pretha, dolende zielen die na hun dood niet kunnen loslaten en blijven hangen in de lagere regionen van de astrale sfeer, mede omdat zij in hun leven vaak verzuurd, erg beheersend of vol negativiteit waren. De demonspecialisten die het uitdrijvingritueel leidden en mij toestonden te filmen, richtten zich niet alleen op (via de bezetene) sprekende demonen, maar bezwoeren tevens de dolende ziel met muziek, dans en vurige bewoordingen om in het vervolg de geplaagde familie met rust te laten. Ik heb dit  in een Amerikaans tijdschrift en in een film vastgelegd. Terzijde: wij kunnen als levenden zo’n dolende ziel helpen door liefdesenergie te zenden, wat we ook kunnen naar gestorven dierbaren. Graag zelfs.

Die ervaring – ik heb meerdere demonuitdrijvingen onderzocht – heeft me geraakt. Ik merkte als wetenschapper, het paradigma ten spijt, dat er meer is tussen hemel en aarde of dat er naast de onze ook een onzienlijke geestelijke wereld bestaat. In Civis Mundi stelde ik me kwetsbaar op. Ik stak niet onder stoelen of banken, dat er daarin sprake was van kairos, het ‘eeuwige nu’ of tijdloosheid en daarnaast in zichtbare wereld sprake van chronos, tijd met begin en einde. Althans zoals wij deze zien. (Immanuel Kant: we hebben slechts kennis van de werkelijkheid zoals we waarnemen en niet van de realiteit zoals die werkelijk is. Uit Kritiek van de zuivere rede.)

Hoe dan ook, ik sprak ook over synchroniciteit, een term afkomstig van de voor ons nu belangrijke filosoof en psychiater Carl Gustav Jung. Belangrijke items van deze grote man zijn: 1 (Collectief) onderbewuste, 2 Archetypen, 3 Individuatie (contact krijgen met je Hoger Zelf), 4 Zie het kwaad onder ogen, maar bestrijd het niet, 5 Het kwaad komt ook uit God en 6 Erken je schaduwen. Synchroniciteit geeft aan dat kairos en chronos, dus beide twee werelden, elkaar even heel na kunnen komen, bijvoorbeeld via een vreemde ontmoeting, ‘toeval’, telepathisch voorval, innerlijke waarschuwing of zelfs plotselinge helderziendheid.

Synchroniciteit is een voorval zonder dat daarvoor een oorzaak is. Het is dus een non-causaal verbindend principe. We zien coïncidenties. Je bent bijvoorbeeld aan het opruimen in een kast en dan valt er een cadeautje uit, van iemand die je jaren niet zag. En een uur later wordt je door deze opgebeld zomaar. Of je las in een krantenartikel een nieuwe behandelingsmethode voor huidkanker en zonder reden besluit je die krant te bewaren. Een maand later hoor je van een familielid dat bij hem recent huidkanker is geconstateerd. Je geeft hem dat artikel, dat hem zo aanspreekt dat hij kiest voor die nieuwe behandeling, wat hem zijn leven redt. Je kunt het ook affirmeren. Ik ken een vrouw die in april in de lucht gooide dat ze voor 1 september weer een partner wilde. Er gebeurde niets tot zij op 31 augustus een vriendin opzocht in een ziekenhuis en ineens wauw oog in oog met hem kwam te staan. ‘Hemel’ en aarde raken elkaar dan.

Maar los van affirmatie merken we goed kijkend dat het leven veel synchronischer verloopt dan we denken. J ziet het, als je intuïtief je richt op dat onderliggende veld van oneindige mogelijkheden, via een plek diep in jezelf en al je je bewust wordt van de verwarrende dans van coïncidenties. Ook Deepak Chopra, die ‘een intelligente altijd stromende creatieve kracht achter ons universum’ ziet, wijdde er een boek aan met de titel Synchronisch leven, de onbegrensde kracht van zinvol toeval (2003, 14). Op die kracht achter het universum kom ik terug, ook of helderziendheid nu toeneemt.

Synchroniciteit strijdt met het heersende paradigma in de wetenschap, namelijk dat materie de moeder zou zijn van alle verschijningsvormen en alle verschijnselen, ook van bewustzijn en dat alleen zintuiglijke kennis en uitsluitend de zichtbare wereld reëel zou zijn. Ik onderschrijf dat paradigma niet en als ik er niet mee in lijn ben, dan zit ik daar niet mee. Er zijn ‘waarheden van de ziel, bijvoorbeeld voorstellingen die op archetypen berusten, die fysisch verklaard noch bewezen of bestreden kunnen worden’ aldus Jung, ‘maar die je ook niet weg kunt redeneren’ (Antwoord op Job, 1971, 9/10). Bovendien heeft kwantumfysisch onderzoek recent aangetoond dat bewustzijn of de geest het primaat heeft en niet de materie. Dus precies andersom dan steeds gedacht werd in het reductionisme. Ik verwees al naar studies als Ervin Laszlo’s Bezielde kosmos en Lynn McTaggerts Het Veld en Rupert Sheldrake’s Morphogenitische Velden. Van Frans Erwich kwam deze zomer uit Het paradigma voorbij, een andere kijk op wetenschap, mens en natuur. In ruim 250 pagina toont hij het tekortschieten van het materialistische verklaringsmodel aan.

De statistische methode lukt trouwens bij antropologen vaak niet, we moeten veelal overgaan tot de intuïtieve ook wel verstehende methode en tot diepte-interviews en doublecheque, zo niet triplecheque. Je moet soms de ziel van een gebruik, ritueel, mens of dorp blootleggen. Ja, blootleggen is een goede beschrijving, omdat er achter de dingen een innerlijke dimensie verscholen gaat. Ook achter de tekst van oude wijsheidsgeschriften. Vergeet je die spirituele of metaforische dimensie en neem je de tekst letterlijk, dan is dat misbruik en word je een ‘fundamentalist’. Je mist zo de betekenis en loopt vast, doordat de tekst gestolde lava wordt. Mythen geen waarde toekennen, is een groot misverstand. Ze komen spontaan tot stand vanuit het collectief onderbewuste. Mythen vertellen op hun eigen wijze met behulp van symbolen en metaforen de zin van het leven, de zin van de wereld en de zin van de cultuur. Ook sprookjes. Ze vanuit een materialistisch vooroordeel veronachtzamen, is onverstandig

Tot zover mijn inleiding.

Onze perceptie van het postmortale is tegelijk een perceptie van het leven. Dood en leven horen bij elkaar. Als de mens zowel qua bewustzijn als qua lichaam continuïteit ervaart, gaat het mij om ervaren in het leven nu. Voor dit onderwerp kunnen we kortom niet om ons wereldbeeld heen. In de Middeleeuwen was de vraag naar het postmortale geen issue. Eenieder ging er bijna zonder uitzondering van uit dat men voortleefde. Men wist het van binnenuit en ook het geestelijke klimaat was er naar, nog afgezien van het feit dat men korter leefde dan nu. En dat terwijl de middeleeuwers niet wisten dat miljoenen cellen van het lichaam elke dag sterven en zo de geboorte van nieuw leven mogelijk maken. Terwijl wij nu door de wetenschap meer bewust kunnen zijn van het cyclische in de kosmos, dat leven uit de dood ontstaat en dood uit het leven, drukt de huidige mens niettemin de dood wat weg en ziet hij nauwelijks meer dat leven en dood twee kanten van dezelfde werkelijkheid zijn. Misschien chargeer ik, want ik sprak in Civis Mundi ook over een spirituele revolutie die thans van onderop overal gaande is. Maar voordat ik verder ga, eerst even stilstaan bij ons wereldbeeld.

Wat is ons wereldbeeld?
1)    Het antieke wereldbeeld
2)    Het manicheïsche wereldbeeld.
3)    Het materialistische wereldbeeld.
4)    Het theologische wereldbeeld.
5)    Het geïntegreerde wereldbeeld.  (ik deelde een uitvoerige versie uit)

De wereldbeelden lopen bij ons soms door elkaar. Het antieke met een hemelse en een aardse sfeer en van ‘zo boven zo beneden’, is wat vaag over het postmortale en werkt nog door via de invloed van de Bijbel en de verhalen van de Griekse mythologie op ons. Wordt wel minder. Dat geldt zeker voor het autoritaire jaloerse Godsbeeld van een Jahweh en ook voor de perceptie van dodenrijk, hel en hemel. Het tweede leefde alleen in de eerste drie eeuwen, maar een effect kwam later weer terug via het celibaat, het kloosterwezen en de Katharen. Dood is bij nr. 2 minder erg, het draait om geest

Het derde is het wereldbeeld van de wetenschap en de moderne mens. Sinds kort komt er enige openheid richting psychosomatische ziek zijn of een niet uitsluiten dat er ‘iets’ is, maar ‘dood is dood’ overheerst niettemin in dit wereldbeeld. Mens is zijn lichaam.

Het vierde, waarbij een God op afstand straft en beloont, distantieert zich van het materialistische (nr. 3), is wat gespleten of schizoïde constructie, zo van op zondag geloof ik dit en op de maandag tot zaterdag dat. Mens is vooral lichaam en ook geest. De kerk heeft in deze vooral Aristoteles’ visie van ‘een God die boven alles uit troont, die wel het doel van alles is, maar toch buiten de wereld staat’ overgenomen. Zo’n objectieve God leidde niet alleen tot een dualistische kloof tussen God en de wereld, maar ook tot de wetenschappelijke eis van objectieve rationele kennis en een ontkenning van mystiek. (Zie ook Willigis Jager, Elke golf is de zee, Mystieke spiritualiteit, 2005.) Vandaag doen door monotheïsme beïnvloede autoritaire godsbeelden nog opgeld. Hetzelfde geldt voor de nogal vage beelden van vagevuur, hemel en hel, maar dat wordt wel minder.

Het vijfde wereldbeeld:  Geest voor stof
Het vijfde is opkomende. Het heilige zit hier ook in de wereld. Het is God within, kosmos en mens zijn bezield. Materie vergaat, de geest niet. Lancaster hoogleraar Paul Heelas, samen met Linda Woodhead de schrijver van The Spiritual Revolution: Why religion is giving away to spirituality, 2005, zegt: “De toekomst is aan creatieve en open vormen van spiritualiteit en niet meer aan de traditionele religie met een transcendente God hoog in de hemel. Hij is nu meer het heilige of goddelijke dat in het leven zit en dit als energie doortrekt” (Volzin, 20 april 2007). Hij deed er onderzoek naar en noemt het een ‘brede beweging’. Recent WRR-onderzoek bevestigt dat er in ons land nu ongeveer vier miljoen ‘ongebonden spirituelen zijn’. De gezaghebbende Canadese filosoof Charles Taylor zegt in zijn boek Een seculiere tijd (2009): “Wij staan pas aan het begin van een nieuw tijdperk van religieus zoeken, waarvan niemand het resultaat kan voorspellen.” Dat religie door moderniteit teloor zou gaan, noemt hij een fabel. Dit wereldbeeld sluit aan bij Plato, bij wie God zowel in als boven de wereld is. De wereld is bij nr. 5 in wezen niets anders dan de verschijning van het goddelijke, waarbij ook wij het goddelijke oerprincipe kunnen ontdekken.

Mijn positie? Zelf zie ik de mens als een in principe spiritueel wezen, dat hier is om menselijke ervaringen op te doen, maar dat het contact met zijn innerlijke bron is kwijtgeraakt, zich daarom afgescheiden voelt en zich daardoor in arren moede maar vereenzelvigt met zijn voertuig, het lichaam. Gevolg is dat hij eenzaamheid, tekort, angst en pijn voelt in zichzelf. Reden dat psychiaters en artsen het druk hebben

Het draait, wil de mens zich terugvinden, om 1)zelfkennis en 2) transformatie. Bij ‘ken jezelf’ denken we aan Socrates en Boeddha, maar ook Jezus zegt in het Thomasevangelie: “Als jullie jezelf niet kennen, zijn jullie in grote armoede; zelfkennis ontsluit de kennis van het Al”. Dat ‘Al ben ik’, zegt Jezus en opmerkelijk is dat Hij toevoegt: “Kloof een stuk hout en ik ben daar, til een steen op en jullie zullen me daar vinden.” Dat lijkt dus nogal op het 5de wereldbeeld. De aanhef van dat evangelie is overigens: “Dit zijn de geheime woorden die de Levende Jezus sprak en die Didimus Judas Thomas opschreef. En Jezus zei: Ieder die de betekenis van deze woorden vindt, zal de dood niet smaken.” Met andere woorden, heeft onsterfelijkheid of beter: is zich bewust van de onsterfelijkheid van zijn/haar diepste wezen.

‘Zo binnen, zo buiten’ is nr. 5. Jezus praat ook in zijn betogen in de Bijbel steeds over de buiten- en binnenkant naast elkaar – zo van ‘overspel mag niet, ja oké, maar wie als getrouwde iemand aanziet om te begeren, deed die niet reeds overspel in zijn hart? Of: gij zult niet doden, ja oké, maar wie in ruzie leeft met zijn broer, is die niet ook aan het ‘doden’?  Hij richt zich voortdurend op het zielsniveau van de mensen. (Jakob Slavenburg, Inleiding tot Esoterisch Christendom, 2005, 35.) Welnu, als je een spiritueel wezen bent, zoals ik betoog, dan heeft zowel het leven op aarde als de dood een doel: Ervaringen opdoen en leren van je schaduwen, innerlijk groeien dus. De incarnatie is daarvoor wezenlijk. En dus ook je schaduwen en opgepoetste ego-ideaal onder ogen zien en je lichaam noch je sensualiteit ontkennen. Lichaam, seks en Moeder Aarde, daar is niks mis mee. Het hoort bij het ervaren van de incarnatie en hoe meer intieme relaties des te beter bij wijze van spreken, omdat ze fungeren als een spiegel voor je, als een onderdeel van de leerschool in je levensreis. We moeten als het ware door het aardse leven heen om het te kunnen relativeren, met ander woorden te ontdekken dat het, hoe spannend ook vaak, niettemin een illusie is. Transformatie gaat via ervaringen.

En de dood dan?
De  filosoof Naropa: “De dood is een groot leermeester voor ons, omdat deze onderscheid maakt tussen wat essentieel is en wat illusie is.” Maar zo voeg ik toe, we hoeven daar niet op te wachten, het is mogelijk nu al te doorzien dat we rollen spelen, maskers dragen en dat verslavingen illusies zijn, ons onvrij maken. ‘God within’ in wereldbeeld 5, die zowel een Metgezel als een mysterieuze kracht is, betekent een goddelijke vonk in de mens, latent dan wel manifest. We zijn hier om die vonk al worstelende met onze schaduwen a) te ontdekken en b) tot groei te brengen om zo tot echt mens-zijn te ontwaken en in harmonie te komen met het Al. We hebben in wezen twee ‘zielen’ in één borst, namelijk ons ego en die goddelijke kern of essentie. Een mooi verhaal in de klassieke Bhagavad Gita is over een koets met paarden (emoties) en een koetsier (’t kleine ik of ego) en de goddelijke leiding (je goddelijke kern of vonk) in de koets, naar wie je als koetsier hebt te luisteren, als het goed is. Die goddelijke vonk in ons is grote vooruitgang, maakt ons minder klein en schuldbewust dan de kerkelijke perceptie van ‘zondig te zijn en niet in staat tot enig goed’. Vandaag spreken we over 1) authenticiteit, 2) individualiteit en 3) innerlijke kracht en niet over klein en zondig

We zijn zowel vergankelijk – miljarden cellen van ons lichaam sterven elke dag, ik zei het al – als een voortzetting. Als je een tweede keer in dezelfde rivier baadt, heet die rivier nog wel rivier met een bepaalde naam, maar is ze niet dezelfde rivier. Niets is vaststaand, ook niet onze identiteit. Gevoelens en denkbeelden worden evenals onze cellen geboren en gaan dood. Belangwekkend, hoe Thich Nhat Hanh dat verwoordt in zijn boek Geen dood geen vrees: Bemoediging en wijsheid voor de levenden (2008). Kijk naar een doosje lucifers – zegt deze icoon uit Vietnam, het land dat hij moest ontvluchten tijdens de Vietnamoorlog als geweldloos-actieve verzetsmonnik en die nu een bloeiend en zeer gastvrije gemeenschap heeft ver t.z.v. Parijs, Plumvilage –, kijk naar een doosje lucifers, zegt hij, en als je goed kijkt, kun je de zich nog niet gemanifesteerde vlam al zien. De voorwaarde is een beweging met je vingers. Vraag je dan: ‘vlam waar kom je vandaan’, of na het doven: ‘vlam waar ben je gebleven’? Nee. Of als je een tweede kaars aansteekt vraag je dan of die vlam hetzelfde is als de eerste dan wel verschilt? Nee je voelt de verbondenheid. En op pagina 84 zegt hij ‘Geen  komen en geen gaan is de ware aard van de werkelijkheid, je bent nergens vandaan gekomen, je gaat nergens heen. De roos, de wolk de bergen – alles is zoals het is. Hun aard is de aard van geen komen en geen gaan. Sterven wil niet zeggen dat je van iets tot niets wordt. Geboren worden wil niet zeggen dat je van niemand plotseling iemand wordt. Er is alleen manifestatie, die berust op voldoende voorwaarden en het ophouden van de manifestatie, bijv wat we sterven noemen berust op onvoldoende voorwaarden’.

Je bent kortom zowel vergankelijk als een voortzetting. In de Zen-film Waarom Bodhi Dharma naar het Oosten vertrok, hoorde ik een stervende meester zeggen: ‘Weggaan is aankomen en aankomen is weggaan’. Alleen in onze westerse percepties zien we dat wat anders. We spreken bijvoorbeeld van happy birthday, als we onze verjaardag vieren. In een groep studenten, herinner ik me van vroeger, zeiden we eens: wat een onzin eigenlijk, kunnen we niet onze conceptiedag vieren? Die conceptie was er immers toch eerder. Maar als je goed nadenkt was het voedsel dat je vader en moeder tot zich namen er ook eerder en een voorwaarde dat hun zaad of eitje konden fungeren. En wat voor oorsprong heeft dat voedsel niet van planten, dieren etcetera, het duizelt je, zeker als je de genen van je over- en overgrootouders en hun voedsel er nog bij haalt. Ik ben als Hans Feddema geen op zichzelf staande identiteit, maar verbonden met de aarde en de kosmos. Zowel in de oorsprong als in de continuïteit. Waarom Happy Birthday niet als ‘Happy Continuation Day’ vieren? ‘Als de geboortedag een voortzetting is – je bent in wezen ‘nooit geboren, je bent er al lang, heel lang’, zegt Thich Nhat Hanh, dan is volgens hem ‘dat wat je sterfdag noemt ook een voortzettingsdag’. Je zou jezelf op die dag een ‘gelukkige voortzetting kunnen toewensen’(p.86). Een voortzetting, omdat we niet losstaan van God van het goddelijke, het uiteindelijke. Dat is het fundament van ons bestaan. En of we dat beseffen of niet, ‘we bevinden ons aldoor in dat uiteindelijke’, volgens Hanh. Ik citeer: ‘En in welke dimensie we vertoeven wordt bepaald door wat we met ons meedragen. Als je veel verdriet, vrees en begeerte met je meedraagt, sta je waar je ook heengaat in contact met de bewustzijnswereld van lijden en hel. Als je mededogen, begrip en vrijheid met je meedraagt, sta je waar je ook heengaat in contact met de uiteindelijke dimensie, wat de Christusfiguur het koninkrijk Gods noemt’(110). Samenvattend zegt hij dat 1) het lichaam niet los in ruimte en tijd staat, 2) dat we veel meer zijn dan ons lichaam en 3) dat geboorte en dood slechts percepties, slechts ideeën zijn.

Mystieke eenheid
Iets concretere aanwijzingen over waarin we dan meer zijn dan ons lichaam, kom ik in de esoterische en mystieke tradities tegen, ook bij de soefi’s en de antroposofie. Ja mystiek of spiritualiteit, dat is vandaag de dag de vorm of ervaring waarin religie weer terugkomt bij de moderne mens. Mystiek als het naar binnen gaan en luisteren naar je innerlijke leiding en spiritualiteit als stille kracht van goddelijkheid en vertrouwen, waardoor je blijmoedig en liefdevol kunt leven. Beiden zijn echter eeuwenlang onderdrukt geweest. Ook de mystiek, het sterkst bij het christendom, de soefi’s en de joodse kabbala hadden het ook niet altijd gemakkelijk, maar de christelijke mystiek had het het moeilijkst.

En dat terwijl de stichter van het christendom, Paulus, ook een mysticus was. Zijn er behalve bijna-doodervaringen de laatste tijd ook nogal wat uittredingen, Paulus had ze ook. Hij beschreef dat als ‘geweest te zijn tot in de derde hemel’, wat esoterici noemen ‘de hoogste Lichtwerelden’, waar je meestal een inwijding krijgt in de geheimen van de geestelijke wereld. Ook bij Damascus, waar Paulus drie dagen niet kon zien en niet at en dronk – wat normaal niet kan in zo’n klimaat –, had hij zo’n uittreding uit het lichaam. De kerk heeft dat begrepen noch willen begrijpen.

De mens bestaat uit vier delen, namelijk 1) het fysieke lichaam, 2) het etherische lichaam of prana of qui, 3) het astrale lichaam of de ziel en 4) de geest of de goddelijke kern, ook wel ter onderscheiding van het ego het hogere Zelf genoemd. Paulus wist van die prana, dat onzichtbaar in ons fysieke lichaam zit en er ook in een dun laagje om heen. In de Bijbel wordt dat de adem Gods genoemd. De ziener Rudolf Steiner zegt dat in de prana je vitaliteit zit en ook je geheugen. Het is een soort kosmische energie die mensen soms voorbij horen suizen als iemand sterft. Het is onderdeel van een vierdelige mens. Paulus kent ze ook, onderscheidt naast ziel en lichaam (1Thess.5:23) ook geest. Maar in 869 was er in Constantinopel een concilie, waar dat werd geschrapt. De mens zou slecht uit lichaam en ziel bestaan. Een begin om de mens klein te houden tegenover een God of ‘Heer op afstand’ en tegelijk tegenover de geestelijke machthebbers, die meenden voor het volk te moeten denken? Geest geeft kracht en dat kan onrust geven. Beheersing of niet, onze kern is dus eeuwen ontkend.

Een triest besluit om meerdere redenen, ook als het gaat om de perceptie van dood en daarna. Als je niet weet hoe de mens is samengesteld, dan is het postmortale moeilijk te begrijpen. Hoe dan ook, de ziel werd wel gehandhaafd, met als gevolg dat mensen wel eens per ongeluk ziel en lichaam met elkaar verwarden. Gandhi niet: ‘Bij de meeste mensen slaapt de geest’, reden dat ‘ze geen zielskracht hebben’,’maar als bij één mens de geest ontwaakt, wordt daarmee de aarde een beetje opgetild’. Welnu, het astrale lichaam is een vrij dikke laag om ons heen. Als wij liever niet willen dat anderen te dicht bij hen komen zitten, dan is dat omdat we er bewust of onbewust wat moeite mee hebben dat zij in contact komen met ons astrale lichaam. Het geestelijke lichaam, door Pim van Lommel ‘non-lokaal bewustzijn’ genoemd, door Paulus geest en dat vandaag ook het hogere Zelf of de goddelijke vonk heet, is dus omhuld door drie lichamen, het astrale, het etherisch en het fysieke, waarvan de eerste twee ook wel bekend staan als aura.

In de ziel of het astrale lichaam zitten de astrologische componenten vanuit de invloed der planeten en onze driften en emoties of ik-krachten. De laatste eeuwen is ook de ziel meer en meer weg uit ons denken. Nietzsche zei zelfs impliciet: ‘Laat ons de ziel er buiten laten’. Eerst de geest en nu ook de ziel weg richting reductie tot louter lichaam. Logisch dat je dan een kale wetenschap en armetierige samenleving krijgt.

Begrijpelijk dat mensen als Carl Jung en Pauli, denk aan de film The Passion of the Soul, tijdens de rampzalige Tweede Wereldoorlog zich niet alleen zorgen maakten over het bloedvergieten, maar ook over het teloorgaan van de ‘verborgen dimensie’ bij de mens en naast de grote ‘noodzaak tot bewustwording’ spraken over een noodlottige ‘gespletenheid van de mens’, waarmee ze bedoelden de afgescheidenheid van de mens en daardoor zijn eenzaamheid als gevolg van het dualistische bewustzijn. Ik schreef in het julinummer van Spiegelbeeld daarover een artikel onder de titel ‘De Kracht van Moed Mildheid en Mededogen, waarin ik betoog dat dit bewustzijn, dus het te veel in tegenstellingen denken in plaats van in eenheid leidt tot wij-zijpolarisatie, vijanddenken en oorlogen. Op mijn website kunt u ook zien hoe ik dat onderbouwde. Het door ons onderscheid tussen goed en kwaad noemt Hans Achterhuis in zijn boek Met alle geweld de derde oorzaak van oorlogen. Carl Jung zei tijdens de Tweede Wereldoorlog niet voor niets: “De wereld hangt aan een zijden draadje, namelijk de psyche van de mens, de wereld wijzigt niet, als het individu niet verandert.” Sindsdien is er het proces van individualisering, een grote invloed van de psychologie en veel meer eenheidsbewustzijn. (Pas als ik doorzie, dat mijn denken in tegenstellingen niet de echte werkelijkheid is, omdat ik zowel het ene als het andere ben, ben ik bij dat eenheidsbewustzijn aangekomen, dat meer tijdloos is en minder conflicten kent.)

Maar we zijn er nog niet. Door het materialistische paradigma is de moderne mens gaan geloven dat zijn hersenen hem sturen. Er waren echter tegengeluiden: te denken valt aan Einstein, die veel spiritueler was dan we denken en die al wees op het belang van de intuïtie als ‘belangrijk godsgeschenk’ en dat we dat helaas zijn vergeten en in plaats daarvan de ratio vereren. (Einstein: ‘Je kunt op twee manieren je leven leven: Een is alsof er geen wonderen bestaan en de ander is alsof alles een wonder is). Cardioloog Van Lommel onderbouwt dat hersenen een uitstekend opvangstation en doorgeefluik zijn, maar niet meer dan dat, maar dat het bewustzijn sturend is (Eindeloos bewustzijn. Een gemeenschappelijke visie op de bijna-doodervaring, 2007, 294). Ook zouden volgens hem neurofysiologische studies ‘onomstotelijk aantonen’ dat hersenen gevoelens en gedachten niet verklaren, maar dat andersom bewustzijn dat doet en zelfs hersenen kan veranderen. Zie ook de neurofysioloog John Eccles, The evolution of the brain, Creation of the self (1989).

Maar wat gebeurt er met de prana, het astrale lichaam en het hogere Zelf of goddelijke vonk als het lichaam een lijk wordt? Dus als het lichaam in volksmondtaal de geest geeft? Ik schreef er al over in Civis Mundi. Ook hoe de Soefi’s vanuit hun mystiek, openbaringen en innerlijk weten daar over denken. De Christusgestalte heeft hierover trouwens ook een inzichtgevend verhaal verteld, namelijk dat van de arme Lazarus en de rijke man, die na hun dood elkaar op afstand herontmoeten. Zeer authentiek en niet louter een gelijkenis, mogelijk een inzicht, meegenomen vanuit een  uittreding, die Jezus in zijn mysterieschool op jongere leeftijd moest meemaken. Trouwens de vele bijna-doodervaringen en boeken erover maken ook veel duidelijk. Het etherische lichaam gaat het eerst en dan komt er in de etherische sfeer de eerste terugblik of filmisch overzicht op je leven. Daarbij wordt het geheugen uit de prana tevens opgeslagen in het astrale lichaam. Als dat ook uittreedt, gaat de stervende de astrale sfeer binnen met het opgeslagen geheugen en alle emoties en herinneringen.

Als de stervende dan nog leeft, kan hij of zij doordat de sluier van beide omhullingen  wegvalt of veel dunner wordt, ineens helderziende worden, lichtgestalten zien en soms gelukzalige ervaringen hebben. Wetenschappelijk onderzoek van Emily Wiliams Kelly toonde aan dat 41 procent der stervenden zo’n sterfbedvisioen heeft. De sterfbedvisioenen zijn er, zolang het ‘zilveren koord’ nog niet is doorgesneden. Dat verbindt het etherisch, astrale en geestelijke lichaam met het fysieke lichaam. Ook de bijbel vermeldt dat zilveren koord terloops in Prediker. Bij bijna-dood is het nog niet doorgesneden, bij een definitieve dood wel.

Bij de terugblik kunnen donkere pagina’s daarvan pijn geven, reden dat in veel culturen enkele dagen wordt gewaakt bij het dode lichaam, wat troost en liefde geeft. Ik heb het meegemaakt in zowel Botswana als Sri Lanka. Velen komen ook nog aan in wat Dante (Divinia Comedia) noemt de ‘louteringsberg’, waar mensen vooral zouden terugblikken op hun hoogmoed, toorn, afgunst, liefdeloosheid, gierigheid en gulzigheid. Je moet dat niet zien als een ruimtelijke plek. In de geestelijke wereld is immers geen ruimte en tijd. Het is een staat van bewustzijn, waarin je alle kans krijgt je voltooide leven goed te doorvoelen, ook weer via een soort filmische terugblik, net als later een derde keer nog in de astrale sfeer. Daar is een doorvoelen en proberen goed te maken wat je anderen aandeed en er lijkt ook sprake te zijn van afkicken van verslavingen. Het is een staat van zuivering, maar niet van moralisering, je oordeelt zelf, een heel ander beeld dus dan ons wel van het vagevuur is gegeven. We zien onze blinde vlekken, maar ook de vooruitgang die we maakten. Het leidt tevens tot het maken van een levensplan voor een volgend leven. Ik sprak over de astrale sfeer. In soefiterminologie is dat de djin-sfeer, samen met de Kamaloka.

Vooral in de astrale sfeer is de terugblik vrij intensief naar het lijkt. Het gaat om de vraag in hoeverre we op aarde gegroeid zijn in liefde en in hoeverre we kennis en inzicht hebben verworven in onszelf, de ander, het leven en de kosmos. De geestelijke winst van het op aarde zijn en de toegenomen verinnerlijking worden meegenomen in het nieuwe levensplan. Dan wordt het astrale lichaam teruggegeven, waarna pas echt de ‘geest-in-ons’ met harmonie, kracht en schoonheid vrijkomt en een reis mag maken de Lichtwereld in, waar deze soms ook wat doet, bijvoorbeeld jonggestorven kinderen opvangen of mensen uit de astrale sfeer begeleiden in hun groei naar het licht. In de lichtwereld zijn ook nog weer zeven gradaties, waarnaar je mag opstijgen lang of kort, alvorens weer je weg terug naar de aarde te maken.

Bij de bijna-doodervaringen maakt men iets analoogs mee, ook de terugblik en de reis naar het licht. George Ritchie zag, zo schreef hij in zijn boek Terugkeer uit de dood, 1990 zowel onder de levenden als de gestorvenen in steden op aarde stralende witte wezens bezig met het bemoedigen en troosten. Hij zag ook gestorvenen die gevangen zaten in eigen emoties en denkgewoonten of in eigen haat en destructie. Het lijkt op wat de ziener Swedenborg vertelt en ook lijkt het wel wat op het verhaal van de rijke man en arme Lazarus, waarbij de rijke man lijdt onder het feit dat hij niet meer kon eten en drinken, wat nog steeds zijn verslaving was, terwijl de ‘arme Lazarus’ meteen met behulp van de engelen naar een van de hogere lichtsferen opsteeg vlak bij Abraham, beter kon het niet. De ‘rijke man’ had ernstige afkickverschijnselen. De les die het ons voorhoudt is duidelijk, namelijk dat het gaat om hoe wij ons leven gestalte geven, richting liefde en inzicht dan wel macht en het dikke-ik. In de filmische terugblik gaat het daar ook steeds om. Onsterfelijkheid wil immers zeggen dat het bewustzijn blijft bestaan en bij de terugblik wordt getoetst.

Gezien de parallel met de echte dood, geef ik nog in telegramstijl een samenvatting, gemaakt uit wetenschappelijke onderzoekers over de fasen van bijna-doodervaringen.

1) De persoon stijgt op uit zijn lichaam
2) Hij bevindt zich in een donkere leegte
3) Hij zweeft met een grote snelheid door een tunnel
4) Hij communiceert met gestorven verwanten of bekenden, ook in latere fasen
5) Hij beweegt zich richting een helder licht, dat steeds groter wordt tot hij er in wordt opgenomen
6) Hij ontmoet een lichtwezen met overweldigende, totale liefde en absolute kennis
7) Het licht vraagt hem wat hij met zijn leven gedaan heeft
8) De persoon ondergaat ’n terugblik, voelt de uitwerking van zijn daden op anderen
9 ) hij voelt volkomen liefde en kennis en wordt er in opgenomen
10) Hij gaat door het licht heen en ziet kristallen en schitterende steden met mensen
11) Dan krijgt hij de keus om al of niet terug te gaan, waarbij het licht benadrukt dat hij zijn taak in het leven nog niet heeft volbracht of dat zijn dierbaren hem nog missen
12) Hij keert terug en ondergaat versneld en in omgekeerde volgorde dezelfde stadia of bevindt zich plotseling weer in het lichaam. (Margaretha van de Brink en Hans Stolp, Omgaan met gestorvenen. Leven voorbij de dood, 2000, 116.)

Velen beseffen na deze BDE ineens waar het om gaat en zijn herkenbaar veranderd. De meesten zijn niet meer geïnteresseerd in ‘mentaal geloven’ noch in ‘moeten’ maar in ‘leven vanuit Zijn’ en ervaren, terwijl ook liefde en vergeven hoge ogen bij hen gooien. Wetenschappelijk hebben de BDE’s ook gevolgen. De belangrijkste puzzel voor de wetenschap is immers, dat de betrokkenen zich met hun verruimde bewustzijn in een dimensie bevinden, waar tijd en afstand geen rol meer spelen en men behalve op meerdere plaatsen tegelijk zich in een flits kan verplaatsen naar een andere tijd of plaats. Dat is de betekenis van non-lokaliteit, dat er verbondenheid is altijd en overal op elke moment, los van afstand. Dat kan de klassieke fysica met hun inzichten en methoden niet verklaren. Maar de kwantumfysica wel, via een vijftal nieuwe begrippen (zoals superpositie, complementariteit, het onzekerheidsprincipe, het meetprobleem en de verstrengeling) en de visie dat 1) alles met elkaar samenhangt, 2) dat wij niet-lokaal verbonden zijn met het bewustzijn van anderen en als er een gebeurtenis plaats vindt, dat dan op hetzelfde moment het hele universum verandert. En 3) dat alles onvernietigbare energie is en 4) de informatieoverdracht uit velden via resonantie plaats vindt, het meetrillen in kleine deeltjes, beide de twee grootste ontdekkingen van de kwantumfysica. Voorts 5) dat de zichtbare fysieke wereld het complement is van en wordt beïnvloed door de onzichtbare non-lokale ruimte. Die laatste is leeg, een vacuüm dus, maar met een oneindige hoeveelheid nulpuntenergie.

Welnu, dat sluit precies aan bij de ontdekking van wat Pim van Lommel het eindeloos non-lokaal bewustzijn noemt en Carl Jung het collectief onbewuste en Naropa het ‘goddelijk principe als drager van het universum’. Die leegte is van waar uit het bewustzijn of de geest invloed kan uitoefenen. De kwantumfysica ziet ons als individu met energie, verantwoordelijk is voor het eigen leven en voor een positieve dan wel negatieve instelling, omdat dat wat jij in de lucht gooit groot effect heeft. Maar zij ziet ook een informatieveld, waarin herinneringen zijn opgeslagen, een toegankelijk geheugen. Ook het onze. Trouwens ons DNA heeft in elke cel een resonantiefunctie, waardoor er een wisselwerking is met de erfelijke informatie in de ruimte via het non-lokale bewustzijn. De grote ontdekking over het bewustzijn is dat behalve dat het non-lokaal is, ook dat het functioneert als oorsprong of basis van alles. Dus ook van de materiële wereld. Terwijl het niet te meten is. Je kunt het vergelijken met de ook onzichtbare zwaartekracht, welke alleen uit zijn effecten kan worden aangetoond. Een deel van dat non-lokale bewustzijn zit ook in of naast ons. Het is wat ik al zei het hogere Zelf, wat anders is dan zowel het ego als het lichaam. Vandaar de uitspraak: we hebben een lichaam, maar zijn het niet.

Het non-lokale bewustzijn bevat ook nog elke ervaring uit het verleden/herinneringen en speelt zo ons DNA langetermijngeheugen informatie toe. Elke cel blijkt zo op grote afstand in staat via het individuele DNA te reageren op de gemoedstoestand van de persoon aan wie de cel toebehoort. Dat negativiteit, boosheid in onze cellen kunnen gaan zitten, wordt dus plausibeler door dit alles. Het bewustzijn is overigens nergens te lokaliseren, ook niet in de hersenen, het is non-lokaal, eindeloos en verstrengeld met de door kwantumfysica ontdekte non-lokale ruimte, zonder er identiek mee te zijn. Elk deel van oneindig is oneindig, dus elk deel van bewustzijn is ook oneindig, aldus Van Lommel, terwijl het lichaam laat zien onderdeel van de vergankelijkheid te zijn. De druïden wisten al dat de ziel ‘niet uitgeblust wordt’ (Van Lommel, p. 304) en in de Upanishad, een der oudste geschriften, staat al bijna letterlijk wat Van Lommel ziet als non-lokaal bewustzijn: ‘Bewegende is het en onbeweeglijk. Ver is het en toch nabij. Het is overal, lichtend, zonder lichaam, heel, smetteloos, zuiver,boven alles verheven, verstandig, wijs, alomvattend en eeuwig’ (307).  Weggaan is aankomen en aankomen is weggaan, zei ik reeds.

Ten slotte: ik heb niet zo veel gezegd over het indirecte belang van het proces van individualisering voor de spirituele revolutie die thans gaande is. Ook niet over het belang van zelfkennis. Ik heb wel vrij veel over de kwantumfysica gezegd met het risico dat het wat technisch overkwam. Maar hun ontdekkingen zijn zo fenomenaal, ook paradigmatisch gezien, dat ik er voor koos. Gezien het heersende materialistische wereldbeeld van de moderne mens, is dit een doorbraak, maar frappant is dat het tegelijk komt met de spirituele revolutie van nu, die een samengaan lijkt van een 1) ineens sterk verhoogde activiteit vanuit de geestelijke wereld en 2) sterke toename van individueel zelfonderzoek van ‘wie ben ik als mens’, twee lijnen waarin ook de BDE’s – of de openheid ervoor – te plaatsen zijn, zowel het fenomeen zelf als ook het effect, namelijk dat men erna  anders in het leven staat. En ook nu duidelijker ziet, dat er sprake is van continuatie van het leven, ook na de ‘dood’, zij het in andere vormen.

Een andere revolutie tot slot is, dat de geestelijk wereld vandaag de godsdiensten, hoe belangrijk hun rol ook was, minder nodig blijkt te hebben als brug, omdat wij vandaag zelf mystiek de weg naar binnen lijken te kunnen vinden om zo via zelfrealisatie op het spoor te komen van de kracht van ons hogere Zelf. Want alleen door onze schaduwen eerlijk onder ogen te zien en zo aan onszelf te werken, dus in de woorden van Hans Stolp ‘eerlijker, liefdevoller, oprechter, ontvankelijker en zachtmoediger te worden, bereiden we ons voor op het doen ontwaken van ons hogere Zelf, in de richting van de nieuwe mens, een mens van wie vrede uitgaat, een mens die verzoening brengt in plaats van verdeeldheid’ (Aan synagoge, kerk en moskee voorbij, 2006, 187). Die levensreis kan moeilijk zonder de confrontatie aan te gaan met onze schaduwen. Zie het verhaal van Roodkapje. Zij kwam uiteindelijk bij zichzelf uit, nadat ze een hele weg had afgelegd in het donkere bos en door de wolf heen, een individuatieproces in termen van Jung, waardoor ze in de gaten kreeg dat ze de verkeerde bloemetjes had geplukt, iets wat we allemaal wel doen. Welnu als dit leren het doel is van onze incarnatie en mogelijke reïncarnatie, als dat het doel is van onze levensreis, is angst voor zowel het leven als de dood een hersenschim

Dit gastcollege werd uitgesproken op 29 september 2009 aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en op 12 oktober 2009 aan de Universiteit van Tilburg in het kader en op verzoek van Prof. dr. S. W. Couwenberg in zijn collegeserie Postmortaal Levensperspectief onder de titel ‘Is elk zijn tot niet-zijn geschapen?’ Het verscheen voorts in magazine Reflectie, jaargang 7, nr. 2, zomer 2010.
Deze tekst sluit aan op mijn artikel ‘Een eeuwig wezen, zij het in een eindig voertuig’ in Civis Mundi, 48ste jaargang, febr. 2009, p. 41-46.