4 augustus 2011

De Universel Murad Hassil, de vierkante soefitempel met ronde koepel in de duinen van Katwijk aan Zee, intrigeerde me al lang. Zeker sinds ik in Leiden ben gaan wonen en later een zomerhuisje kreeg aan de kust bij Noordwijkerhout. Universel is een opvallende verschijning in het christelijke Katwijk. Niet dat het een moskee is, verre van dat, maar de soefitempel is er geen alledaags verschijnsel. En zeker niet in de maand juli, wanneer er veel buitenlandse gasten komen voor de internationale zomerschool.

Het soefisme mag dan zijn voortgekomen uit de islam, ik heb het lang met de in het christendom eeuwenlang onderdrukte mystiek geassocieerd. Het is de hoofreden waarom ik er acht jaar geleden het sluitstuk van de zomerschool heb bijgewoond. Eind juli was ik er opnieuw, om de ‘universele eredienst’ bij te wonen. Deze vindt elke zondagmorgen om 11 uur plaats, evenals in twintig andere steden in het land. De dienst is om meerdere redenen bijzonder. Na een korte rituele verering van de alwetende God worden eerst zes kaarsen ontstoken die elk een religie vertegenwoordigen: het hindoeïsme, het boeddhisme, de leer van Zarathoestra, het jodendom, het christendom en de islam. Bij het aansteken van een nieuwe kaars herhaalt een voorganger steeds de volgende woorden: “Ter verheerlijking van de alomtegenwoordige God ontsteken we het licht, dat symbolisch de (…) religie vertegenwoordigt.” Bij een zevende kaars wordt gezegd: “Tenslotte ontsteken we ter verheerlijking van de alomtegenwoordige God het licht dat symbolisch hen allen vertegenwoordigt die bekend of onbekend aan de wereld, het licht van de waarheid in de duisternis van menselijke onwetendheid hebben hooggehouden.”

Daarna worden de alomtegenwoordige God (ook wel ‘de Ene’ genoemd) korte teksten over een voor die dag gekozen thema aangeboden, in de vorm van voordrachten uit geschriften van de bovengenoemde zes religieuze tradities. Op 24 juli was dat thema ‘De verborgen zegen van verlies’. De geschriften laten via de gekozen tekst elk hun licht op dat thema vallen, waarna een voorganger dieper erop ingaat. Heel universeel en spiritueel. Je voelt dat alles – ook het eenvoudige maar indrukmakende ritueel – de mensen raakt. Het soefisme is, hoewel zeer religieus, geen nieuwe religie. Het is eerder een appèl om naar de eigen religie te leven in het besef dat de ware religie of religiositeit ín de mens aanwezig is. Het woord ‘soefi’ duidt op een zoeken naar wijsheid (Sophia) en zuiverheid (Safa). En op een mystiek verlangen naar iets wat boven het materiële en rationele uitstijgt.

Dit laatste komen we de laatste tijd meer en meer tegen – niet alleen in religies, maar breed in de samenleving, onder meer in het bedrijfsleven, het onderwijs, het maatschappelijk werk en het traditionele humanisme. De soefi’s noemen zich dan ook een beweging, die in Nederland in zo’n twintig steden centra heeft. Vanuit die centra ontplooit de soefibeweging een vijftal activiteiten. Behalve de internationale zomerschool en de universele eredienst zijn dat ‘geestelijke vrijheid’, ‘innerlijke school’ en ‘broeder- en zusterschap’. Geestelijke vrijheid? Dat klinkt wat vreemd als activiteit. De soefi’s willen ermee duidelijk maken dat dogma’s hun vreemd zijn, maar dat ze zich in hun levenshouding wel willen laten leiden door drie centrale idealen: liefde, harmonie en schoonheid.

Om die levenshouding, de innerlijke harmonie en indirect een harmonische wereld gestalte te kunnen geven, is zelfinzicht van belang. Reden waarom de soefibeweging de innerlijke school als vierde activiteit kent, met als doel elkaar te helpen de innerlijke spirituele vermogens te ontwikkelen. Dat gebeurt via contemplatie, meditatie en allerlei adem- en concentratieoefeningen, en niet te vergeten door een inwijder-leerlingrelatie van hen die dat willen. Die relatie is niet hiërarchisch: je wordt aan iemand toegewezen, en hij of zij aan jou. Met die iemand bespreek je jouw innerlijke pad. Het leven slorpt ons vaak op, waardoor gedachten en gevoelens maar doorgaan en ons vaak blijven beheersen, zeker als ervaringen uit de jeugd meespelen. Er kan dan al snel een slachtofferhouding ontstaan. Zo’n relatie met de inwijder of de leerling lijkt zinvol om elkaar te helpen om een slachtofferhouding te voorkomen en om een einde te maken aan de sterk overheersende gedachten en emoties, kortom, om zich in evenwicht en liefde over te kunnen geven aan het leven.

Een van de wonderen daarbij is de ontdekking dat de ‘geest van leiding’, zoals de soefi’s het uitdrukken, je daarbij de weg wijst en je bovendien doet ontdekken dat ons eigen of ‘ware’ wezen, de schaduwen ten spijt, goddelijk – en dus eeuwig – van aard is. Daarmee zijn de soefi’s geen uitzondering: velen zeiden eerder hetzelfde, met de bekende psychiater Carl Jung als voorloper. De soefi’s gaan mogelijk iets verder door te betogen dat iemands schaduwen en gedachten plus emoties ‘onwerkelijk’ zijn – want ‘niets bestaat, alleen God bestaat’ –, maar dat men ze anderzijds in dit leven toch beter niet te veel aandacht kan geven, omdat ze dan groeien. Alles wat aandacht krijgt, wordt immers sterker. Dat geldt niet slechts het negatieve, maar ook het positieve. Als je ziet dat je wezenlijke aard ‘bewustzijn’ is, ontdek je volgens de soefi’s tegelijk dat daarin ook een soort goddelijke scheppingskracht zit. Wij mensen kunnen door op iets te focussen, veel meer tot stand brengen dan we meestal voor mogelijk houden. Hoe dan ook, hoe meer we groeien op het innerlijke pad, des te meer ontwikkelen we ons ook op het uiterlijke pad, in de visie van de soefi’s. Ook volgens de musicus en grote mysticus Hazrat Inayat Khan, die er steeds voor pleitte beide kanten van het leven te ontwikkelen. Dit omdat liefde, harmonie en schoonheid zich volgens hem niet kunnen beperken tot het innerlijke, maar ook gestalte moeten krijgen in de uiterlijke wereld van en tussen mensen, via onder meer compassie en vriendelijkheid. Kortom, dat anderen voelen dat het goed toeven is bij jou.

Nauw daarbij aansluitend is de vijfde activiteit van de soefibeweging, de broeder- en zusterschap. Het ‘jullie zijn broeders en dus niet als de autoritaire machthebbers’ (een uitspraak van Jezus) komt in alle religies voor. Het is het gelijkwaardigheidsideaal dat ook ten grondslag ligt aan de gulden regel en tevens raakvlakken heeft met de gedachte van mildheid en het elkaar verdragen, zo niet liefhebben. De soefi’s proberen dat gestalte te geven in en na de eredienst, via gesprekskringen en vooral met publieke ontmoetingsdagen, waar eenieder welkom is en waarop ook een steeds bredere kring van ‘vrienden van de soefibeweging’ ontstaat. Die kring van vrienden is een goede formule in het huidige proces van individualisering, nu velen zich wel spiritueel verwant voelen met de soefi’s en hen ook wel willen steunen, maar mede uit angst voor de vooroordelen van kennissen nog wat huiverig zijn voor een lidmaatschap.