23 augustus 2011

Terwijl in Egypte en Tunesië een begin van de ‘Arabische lente’ vorm kreeg, is het in Syrië en Libië oorlog. In Syrië is het geweld afkomstig van het staatsapparaat, in Libië van de regeringstroepen en van de rebellen, die met hulp van de NAVO aan de winnende hand zijn.

Wat de conflicten in beide landen betreft, zijn er overeenkomsten en verschillen. Eén overeenkomst is de ‘geest van opstand’ tegen het centralistische beheerssysteem en het koloniale verleden: in Syrië zaten de Fransen, in Libië de Italianen.

En daarmee stuiten we op een tweede overeenkomst: de grote tribale en etnisch-religieuze diversiteit in beide landen. Een verschil is dat in Libië lang een koning en – althans tot voor kort – een omstreden ‘revolutionair’ de scepter zwaaide, terwijl in Syrië de nabijheid van Israël (en het conflict om de Golanhoogte) indirect een rol speelt: het land heeft daarom een vrij omvangrijk militair apparaat.

De regimes brachten weliswaar in beide landen eenheid, maar de vooroordelen over en weer bleven bestaan. Zo riep het ‘revolutionaire gedoe’ van Moeammar Kadhafi in Benghazi meer weerstand op dan elders in het land. In Syrië speelt tot op de dag van vandaag ook angst voor vermeend ‘islamisme’ onder de soennieten mee.

Speelt in Libië tribalisme nog een rol, in Syrië is er een vorm van samenleven tussen soennieten, alawieten, christenen en ook Koerden. De alawieten, een liberale en welvarende stroming binnen de islam, vormen in Syrië een minderheid van 12 procent, maar ze zijn wel de heersende elite. Deze nu sleets geworden machtspositie, waarin ook de christenen zich lang veilig voelden, danken ze aan de Franse koloniale verdeel-en-heerspolitiek.

Ook in Libië speelt dit mee, een van redenen waarom Italië – zich bewust van de rol van het tribalisme in de burgeroorlog – lang een gematigde rol speelde in de door Sarkozy geïnitieerde NAVO-interventie op basis van VN-resolutie 1973. Door te onderhandelen met de trotse, bluffende bedoeïen Kadhafi en hem zo een uitweg te bieden, probeerde Italië lang het bloedvergieten stoppen. Frankrijk en Engeland wezen onderhandelen met Kadhafi steeds van de hand, waardoor het dodental enorm opliep. De Fransen hebben naar verluidt in Tunis nog wel onderhandeld met generaal Abdel Fattah Younis, maar nadat deze door eigen mensen was vermoord, drukten de Amerikanen hun wens door om de zaak met geweld tot een einde te brengen.

Kadhafi noemde de NAVO-interventie ‘imperialisme’. Dat is retoriek. Tegelijk kan het een reden zijn geweest voor de Syrische opstandelingen om elke westerse militaire interventie af te wijzen. Dit is vanuit een polemologische optiek te rechtvaardigen, omdat door de aanwezigheid van buitenlandse militairen een conflict gemakkelijk escaleert. Ook zal de VN-Veiligheidsraad zo’n interventie vetoën, gezien het door China en Rusland genoteerde misbruik van VN-resolutie 1973 door westerse mogendheden. Bovendien verloopt de strijd in Syrië nu van de kant van de opstandelingen grotendeels geweldloos, terwijl het regime van Bashar al-Assad juist wil aantonen  dat het de tegenpartij is die geweld gebruikt – het geijkte argument van machthebbers om echt te kunnen toeslaan. Westerse interventie is dus niet gewenst.

In Libië, een land waar bijna iedereen over een wapen beschikt en de strategie van geweldloosheid niet of nauwelijks leeft, heeft nu de macht van het geweer van de opstandelingen en de NAVO voor een doorbraak  gezorgd. Maar de vraag is hoe het drama met de nu voortvluchtige Kadhafi eindigt; of na diens arrestatie of dood de opstandelingen hun eenheid zullen kunnen bewaren en hoe gevoelens van haat en wraak kunnen worden gekanaliseerd; en of ze een vorm van democratie weten te realiseren waarin alle Libiërs zich kunnen herkennen. Na onderlinge afrekeningen en de moord op hun militaire commandant Younis is er reden tot twijfel. Dat democratie snel en met geweld kan worden geforceerd, is een illusie. Bovendien is in het Libië-na-Kadhafi het ontbreken van een civil society het grote probleem. We zagen hetzelfde in Irak na de val van Saddam Hoessein.

‘Bevrijding’ langs de weg van geweld, zo is mijn ervaring als antropoloog in Afrikaanse landen, leidt meestal tot een nieuwe vorm van onderdrukking en – in elk geval op de korte termijn – niet tot echte bevrijding. Zeker wanneer een dictator zich liever doodvecht dan opgeeft, en de haat jegens zijn bewind daardoor alleen maar wordt vergroot. Een probleem is steeds welke strategie moet worden toegepast om hem tot rede te brengen in het  belang van vrede. In West-Afrika is het enkele malen gelukt het bloedvergieten een halt toe te roepen door de niet versagende, brute dictator een lectoraat aan te bieden in de VS. Of zoiets bij een fanatieke bedoeïen als Kadhafi had kunnen werken, is uiteraard zeer de vraag – ik bedoel dit als een algemene overweging.

Wraak en bijltjesdag zijn dragen hoe dan ook niet bij tot het ontstaan van een nieuwe samenleving die uitgaat van gelijkwaardigheid. Nelson Mandela en Desmond Tutu begrepen dat na het einde van de apartheid. In dit licht is het de vraag of de westerse strategie om dictators elke legitimiteit te ontzeggen, wel de juiste (vredes)strategie is. Het  blokkeert immers dialoog en onderhandelen. Voor Kadhafi is de tijd daarvoor nu voorbij.

Ook voor Assad lijkt het kort dag hiervoor, Syrië-kenners menen dat naast economische drukmiddelen, een dialoog met het Assad-bewind – de recente wreedheden jegens geweldloze jongeren ten spijt – nog steeds een vredesoptie blijft. Als het Westen zichzelf daartoe al de pas heeft afgesneden, laat men het dan proberen via ‘gematigde’ Midden-Oostenlanden. Verzoening, zoals in Zuid-Afrika, ligt misschien niet direct voor de hand, maar dreigen met wraak werkt hoe dan ook averechts. En Assad zal zeker niet terugtreden als hij en zijn kornuiten niet ten minste garanties krijgen voor de minderheden in het land, waaronder de omstreden geraakte alawieten, en voor religieuze tolerantie in het algemeen. Dit is immers een van de argumenten die hij gebruikt als rechtvaardiging om aan de macht te blijven.

Bewerkte versies van dit artikel verschenen in Friesch Dagblad van 24 augustus onder de titel ‘Situatie in Syrië en Libië: een vergelijking’, in Trouw van 24 augustus onder de titel ‘Libië kent alleen de macht van het geweer’ en in VredesMagazine van augustus 2011.