24 januari 2011

Als er in 1915-’16 een Armeense genocide plaatsvond, is het onzinnig deze te ontkennen of om dat woord in dit verband niet te mogen uitspreken in Turkije. Ik zeg ‘als’, omdat dan wel historisch en feitelijk duidelijk moet zijn dat het een genocide is. Het bloedbad vond plaats in de Eerste Wereldoorlog, toen het milde Ottomaanse bewind zich dom genoeg verbond met Duitsland en Oostenrijk, en op zeker moment een groep Armeniërs de zijde koos van Rusland.

Het was niet zozeer de sultan, maar een militaire kliek die de macht greep. Dat gebeurt vaak in tijden van oorlog, maar hier had het blijvende gevolgen, mede door het Turkse trauma van de nederlaag tegen de geallieerden en door het veel kleiner worden van de staat. Die extreem seculier-nationalistische, vaak geheim opererende militaire kliek Ergenekon – die op islam en andere religies neerkeek en die veel misdaden op haar geweten heeft, vooral jegens de Koerden – ging zich gedragen als een staat in de staat; vandaar het veelgebruikte begrip ‘diepe staat’. In haar optiek zou deze groep alleen de dienst uitmaken in het land, en niet het volk of de burgerlijke politici – reden waarom er in de tweede helft van de vorige eeuw bijna om de tien jaar een militaire staatsgreep in Turkije plaatsvond, de laatste in 1997. Sindsdien probeert Turkije zich te ontworstelen aan deze giftige slang.

Symptomen van deze ontwikkeling zijn dat de rechtspraak onafhankelijker wordt en er nu voor het eerst hoge militairen worden aangeklaagd voor hun aandeel in de staatsgrepen. Verder mogen Koerden hun eigen taal spreken en hun eigen tv-zender hebben. Een ander symptoom is dat er een soort geweldloze Turkse lente aan de gang is, mede geïnspireerd door de liberale soefibeweging van de islamgeleerde Fethullah Gülen. Er wordt een middenveld of civil society opgebouwd, via onderwijs, kadertraining en het bevorderen van ondernemerszin. Dit proces heeft ook ingang gevonden in de Koerdische gemeenschap, waardoor de PKK-guerrilla in de bergen nu minder kinderen weet te werven. Uit de opbouw van dat middenveld lijkt de gematigde islamitische AKP van premier Recep Erdogan te zijn voortgekomen. De AKP wordt soms ‘het CDA van Turkije’ genoemd. Het Westen moet blij zijn met dit proces van democratisering van onderop in dit voor ons belangrijke land, zeker nu we zien hoezeer juist het ontbreken van democratisering via zo’n middenveld de grote handicap is van een land als Syrië in zijn bevrijdingsstrijd.

Politici maken fouten, zo ook Erdogan en zijn AKP. Maar om Turkije juist nu aan te vallen op het bloedbad van 1916 is onverstandig. Ik was onlangs in Istanbul en sprak er met diverse politici en journalisten. Emanuel Abaci, Syrisch-orthodox kerkbestuurder en tevens AKP-gemeenteraadslid van Istanbul, zei me: “Als minderheidsgroepen hebben we, de Ottomaanse tijd niet meegerekend, het nooit zo goed gehad als nu. We beleven gouden tijden.” Hij en anderen vragen van het Westen steun voor het lopende proces van democratisering en niet te luisteren naar de verdachtmakingen uit de hoek van de nog steeds niet volledig verslagen militaire kliek Ergenekon, als zou de AKP onder Erdogan een soort islamitische sharia willen vestigen, wat onzin is. De AKP wil de oude genocidewet herroepen, maar zolang daarvoor geen tweederdemeerderheid in het parlement is, blokkeert ze nagenoeg elke aanklacht. Ieder kan nu in de praktijk het woord genocide in mond nemen – mijn gesprekspartners in Turkije doen dat ook rustig

Zij kunnen het spierballenvertoon vanuit Frankrijk dan ook alleen verklaren uit electorale motieven van Nicolas Sarkozy. Ook de gezaghebbende Armenische journalist Markar Esayan van de krant Taraf ziet dat zo. Natuurlijk vinden al mijn gesprekspartners, ook Emrah Ülker van Zaman, de grootste krant in Turkije, het Armeense bloedbad van 1916 verschrikkelijk, net als ikzelf. Er was zeker sprake van etnische zuivering – een minderheidsgroep die had geheuld met de vijand werd naar het buitenland verdreven, in een barre winter waarin het hard en wreed  toeging. (Er was hierover wel een rechtsgeding in 1919, waarbij 55 hoge militaire verantwoordelijken werden veroordeeld tot ophanging.)

Etnische zuivering is een grote misdaad, maar om deze genocide te noemen, moet er een plan zijn geweest om niet alleen een regio etnisch te ontruimen, maar ook om alle of een aanzienlijk deel van een bevolkingsgroep – in casu de Armeniërs – uit te roeien. Zolang historici zo’n uitgesproken politiek document niet hebben gevonden, kun je beter volstaan met het te typeren als etnische zuivering, ook al omdat de Armeniërs in Istanbul toen ongemoeid bleven.

Ik begrijp dat Armeniërs graag erkenning willen voor wat hun is aangedaan in 1916, maar vind niet dat een Franse wet, laat staan deze, daarvoor het middel is. Zo’n wet zorgt voor polarisatie met een land dat juist onze steun nodig heeft in zijn strijd voor democratisering en het geleidelijk afrekenen met zijn bezoedelde verleden sinds de periode-Atatürk. Nu er een gelijkluidende initiatiefwet van de ChristenUnie ligt, zal de Tweede Kamer zo wijs zijn het Franse voorbeeld niet na te volgen. Hoop ik.

Dit artikel heb ik geschreven naar aanleiding van een bezoek aan Istanbul medio januari. Het verscheen eerder in Friesch Dagblad van 25 januari, Het Goed Leven van 27 januari, Het Parool van 3 februari en op discussiesite Joop: http://www.joop.nl/opinies/detail/artikel/val_de_turkse_democratie_nu_niet_aan