3 juni 2012

De mariniers die in 1977 en einde maakten aan de gijzelingsactie van Zuid-Molukse strijders bij De Punt, krijgen nu, 35 jaar later, toch een onderscheiding. Oud-commandant Kees Kommer van de mariniers weigert het lintje. Hij vindt dat hij geen medaille verdient voor ‘het doden van mensen’. Het is een terechte weigering. Ook de vorige commandant der strijdkrachten, Dick Berlijn, voelde dit goed aan en nam zaterdag afstand van de besluit van minister Hans Hillen (Defensie) om de mariniers de decoratie te geven.

Eind mei 1977 zat ik met vijftig vredesactivisten in een school in De Punt, bekend als de groep Plaatsvervanging Gegijzelden. We waren het uiteraard niet eens met de kaping, maar zagen de diepere wortel ervan en wilden een authentieke alternatieve, dus geweldloze reactie. We wisten dat er druk was vanuit de samenleving om militair in te grijpen, maar dat enkele kabinetsleden net als wij naar uitwegen zochten om de kaping zonder geweld en bloedvergieten te beëindigen. Er was een zekere communicatie tussen de overheid en de kapers. Er waren in elk geval via derden gesprekken gaande met de kapers, ook tussen hen en de gegijzelden in de trein met wie de verhouding goed was. Als Plaatsvervanging Gegijzelden boden wij ons aan om de plaats in te nemen van de mensen die toevallig (en onvoorbereid) in de trein zaten bij de gijzeling. Zo zou er tijd vrijkomen om te onderhandelen, en in elk geval zou het humanitaire argument van de moeilijke positie van de ‘toevallig gegijzelden’ niet langer een doorslaggevende rol spelen. Maar de toenmalige minister Dries van Agt bleef – anders dan minister Harry van Doorn en premier Joop den Uyl – voor een snel militair ingrijpen en won daarin uiteindelijk het pleit in het kabinet. Den Uyl legde zich er bij neer toen minister De Gaay Fortman sr. de zijde koos van Van Agt.

Bij het militair ingrijpen kwamen acht mensen om, van wie zes kapers. De huidige president van de RMS-regering in ballingschap noemde het gebruik van grof geweld om de kaping te beëindigen “onnodig en zelfs misdadig”. Hij neemt het Hillen kwalijk dat de mariniers nu toch een decoratie krijgen en dat de minister slechts een paar dagen voor de herdenking door de Molukse gemeenschap van dit drama met dit nieuws naar buiten kwam.

Nadat de operatie destijds was geslecht, sprak Den Uyl het volk toe met de gedenkwaardige woorden: “Het is een nederlaag.” Het is opmerkelijk dat VVD-senator Fred Kappen, die in de senaat een meerderheid kreeg voor zijn voorstel om de militairen te eren, zich deze woorden niet meer herinnert. De mariniers waren bij wijze van spreken de ‘executeurs’ van het zogenoemde tegengeweld, en natuurlijk kunnen die hun werk, zoals van Koppen zegt, “professioneel” best goed hebben gedaan, maar de politiek gaf de opdracht en daarin werd gesproken van een nederlaag. Het lijkt niet gepast een onderscheiding te geven voor een nederlaag, dus ook niet aan de ‘uitvoerders’ daarvan.

Vreemd dat ook demissionair minister Hillen zich dat niet realiseerde toen hij zijn omstreden besluit nam – los van het feit dat dit alles onkies is in de richting van de Molukse gemeenschap. De betrokken mariniers kregen destijds geen lintje, waardoor zij nu ook geen recht hebben op de Bijzondere Bijstandseenheid (BBE). In plaats van af te stappen van deze absurde regeling, geeft Hillen de mariniers nu toch maar een lintje. Kappen zegt sympathie te hebben voor de Molukse zaak, maar dat het lintje buiten die zaak omgaat. Pijnlijk blijft echter wel dat hun verdriet nooit is erkend, dan kun je nu niet zomaar achteraf lintjes gaan uitdelen. Kan het besluit niet alsnog worden teruggedraaid, waarbij de betrokkenen een lintje voor iets anders in hun beroepsactiviteiten krijgen?

Dit artikel verscheen onder meer in dagblad Trouw (12 juni 2012) en op de discussiesite Joop.nl.