13 augustus 2012

De alevieten en christenen onderschatten het geweld van het Ba’athregime. De onderdrukte soennieten zien niet in dat je dit regime niet met geweld moet uitdagen, omdat dan een bloedbad onvermijdelijk lijkt. Geweld dat alleen maar zal toenemen als het Westen militair ingrijpt.

Febroniya Atto van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap in Nederland voorziet een machtsstrijd als president Assad vertrekt en meent dat “christenen in Syrië een onzekere toekomst tegemoet gaan”. Ze noemt onlangs in dagblad Trouw terecht de recente “aanslagen op een kerk en een eeuwenoud klooster” als voortekenen daarvan. Ik begrijp hun dilemma. Atto wijst er terloops op dat de lange arm van de staat individuen en ook de kerken weinig vrijheid gunt. Dat bijvoorbeeld een huwelijk en het inwijden van een priester ondenkbaar zijn zonder goedkeuring van de overheid.

Ba’ath
Wat in veel analyses wordt onderbelicht, is dat Syrië sinds 1943 een Ba’ath-regime kent dat vele overeenkomsten vertoont met vroegere Oost-Europese regimes – de ideologie van het communisme daargelaten. Zijn kenmerken: beheersing of onderdrukking van de meerderheid van het volk – niet in de laatste plaats van de (traditioneel-religieuze) plattelanders, op wie wordt neergekeken – door een vaak stedelijke en seculiere elite; nationalisme; een machtig leger; aparte milities; en een enorme geheime dienst. Veel Arabische landen hebben of hadden zo’n regime. Tot voor kort was dat ook in Turkije het geval via met name – maar niet alleen – de in 1923 door Atatürk opgerichte Republikeinse Volkspartij (CHP), nu de grootste oppositiepartij in het Turkse parlement. Arabische landen namen na de Eerste Wereldoorlog dit regime over van Turkije. En daarmee tevens de machtige, in het geheim opererende Turkse ‘diepe staat’. De CHP heet niet voor niets ‘de moeder aller Ba’athpartijen’. De journalist-schrijver Yavuz Baydar zei dat nog eens expliciet op een symposium in Istanbul, dat ik onlangs met enkele Nederlandse journalisten bijwoonde. Later participeerde de extreem-nationalistische MHP ook in dat regime.

Christenen en moslims
In de jaren tachtig was ik in het kader van een studie vrij frequent in het Midden-Oosten. Uit gesprekken met christenen in Damascus werd me toen duidelijk dat zij zich over het algemeen ervan bewust waren dat het Syrische Ba’athregime verre van mals is en op den duur een opstand zou kunnen uitlokken. Dit omdat een centralistische elite de soennitische meerderheid niet voor altijd kan onderdrukken. Ik ried hun aan zo veel mogelijk een kracht van vriendelijkheid te zijn in het land, intensief de dialoog aan te gaan met de islamieten, niet in de laatste plaats met de soennieten, hun band met het regime zo los mogelijk te maken en zich in te zetten voor democratisering. Ze zeiden te weten van de vredesweg die Mahatma Gandhi en in wezen ook Jezus gingen, maar verwezen naar hun kwetsbare positie als minderheid die hen angstig maakte. Dat Israël onrechtmatig de Golanhoogte bezet houdt, noemden ze eveneens als argument om het regime niet al te hard te vallen en het voorlopig het voordeel van de twijfel te gunnen. Ik zei daar te kunnen inkomen, maar herhaalde bij het afscheid, wijzend ook op mijn ervaringen zowel in de DDR van toen als op die in Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid, dat angst niet de beste raadgever is en dat elk Ba’athregime te erg is om zich ermee te verbinden, ook met het oog op een mogelijke burgeroorlog.

Burgeroorlog
Nu die burgeroorlog is uitgebroken in Syrië, gaat het mij in dit artikel minder om de vraag hoe die tot een oplossing te brengen. Uitvechten lijkt momenteel de enige optie. Dit omdat de rebellen op een gegeven moment de vreedzame oppositie wegduwden en bewust voor de wapens kozen en omdat een Ba’athregime door zijn militaristische karakter zich niet gauw gewonnen geeft bij een gewelddadige opstand in het eigen land. De fout van de alevieten lijkt dat ze de gewelddadige kant van het Ba’athbewind te weinig hebben onderkend en er de steunpilaar van werden, net als overigens – in mindere mate – de christenen. Anderzijds doorzien de onderdrukte soennieten nu te weinig dat je een dergelijk bewind niet met geweld moet uitdagen, ook omdat dan een bloedbad onvermijdelijk lijkt. Geweld dat alleen maar zal toenemen als het Westen militair ingrijpt, wat om meerdere redenen onwenselijk is. Hoeveel soldaten heb je daar niet voor nodig? En luchtacties zullen veel te veel burgerslachtoffers eisen omdat de Syrische tanks in de steden staan, nog los van het feit dat de opstand radicaliseert en mogelijk jihadisten in de kaart speelt. Syriërs hadden lering kunnen trekken uit het Ba’athbewind in Irak: Saddam Hoessein heeft duidelijk laten zien hoe een autocratisch heerser, die zijn buren bedreigde met zijn (gedeeltelijk niet-bestaande) wapenarsenaal, uiteindelijk in zijn eigen zwaard valt.

Turkije
Maar de Syriërs hadden zich vooral kunnen spiegelen aan Turkije, waarin de CHP en andere kleinere rechts-nationalistische partijen decennialang de dienst uitmaakten via een in het geheim opererende (semi)militaire en bureaucratische kliek in naam van secularisme en nationalisme. Een bureaucratisch centralisme, dat zelfs de islam van bovenaf beheerste, ook via controle op de imams. Dit terwijl er door dat regime en de stedelijke elite van Istanbul en Ankara op de islam en andere godsdiensten werd neergekeken, net als vaak op de bewoners van het platteland. Vanaf de verloren oorlog in 1919 tot de jaren negentig was in Turkije de onderdrukking van het Ba’athbewind minstens zo erg als nu in Syrië.

Het verschil is echter dat in de jaren zeventig de progressieve islamgeleerde en soefimysticus Fethullah Gülen de door de staat beheerste moskeeën liet voor wat ze waren, en rondtrekkend door het platteland van Anatolië overal lezingen hield, religieus geïnspireerde zomerkampen organiseerde en vooral scholen oprichtte. Hij zag dat de op onderwijs, tolerantie en democratie gerichte emancipatie die zo ontstond, in wezen een opstand betekende. En hij hield de mensen voor dat die vooral geweldloos moest verlopen, omdat anders een burgeroorlog onvermijdelijk zou worden in het land. Samen met andere activisten uit Koerdische en christelijke kring heeft de succesrijke beweging voor emancipatie, democratie en dialoog van Gülen er indirect voor gezorgd dat aan de oppermacht van de CHP in Turkije in de jaren negentig een eind kwam en daarmee naar het lijkt ook aan de enorme macht van de militairen.

Er is door deze ‘Turkse lente’ van onderop in Anatolië een nieuwe klasse ontstaan, die nu ook een deel van de koek verlangt. De oude klasse en elite zien dat ongaarne, maar moeten het toestaan. Er is nog wel polarisatie over en weer – met soms zwartmakerij tot in het buitenland toe, als zou het islamisme in opmars zijn –, maar het is aan de geweldloze opstelling van de Gülenbeweging te danken dat deze polarisatie binnen de perken blijft. Ik voorzag dit nog niet in genoemde gesprekken in Damascus, maar zonder geweld en burgeroorlog de oppermacht ontnemen aan een Ba’athbewind kan dus wel. In Syrië lijkt dat nu helaas te laat, zeker zolang zelfs een wapenstilstand onmogelijk blijkt en de conflictpartijen extern worden bewapend. Tenzij er nog een wonder gebeurt via een extern vredesinitiatief. Een  bijltjesdag bij de val van het regime lijkt anders onvermijdelijk, net als in Libië.

Dit artikel verscheen of verschijnt tevens op de sites joop.nl, bureaudehelling.nl, en civismundi.nl. Voorts is het te lezen in Franciscaans Maandblad en VredesMagazine.