nikodemusOktober 2012

Het leven is een weg die we met vallen en opstaan lopen als een soort pelgrim. Men hoeft niet direct Parzival of een andere mythische held voor ogen te hebben om te weten wat we moeten verstaan onder die pelgrimsweg. Eenieder heeft er zijn eigen beeld bij. Een tocht naar Santiago di Compostella is daarvoor niet nodig, ook al kan die bewustwordend werken, zeker als je het onderweg-zijn en daarbij het ‘naar-binnen-gaan’ wezenlijker acht dan het bereiken van het einddoel. De Zweedse diplomaat Dag Hammarskjöld, oud-secretaris generaal van de VN, noemde in zijn dagboek het naar-binnen-gaan “de langste weg”, waarmee hij aangaf dat de innerlijke dimensie bij ons wezen hoort, ook al doen we lange tijd vaak alsof het uiterlijke respectievelijk materiële het enige is in ons leven. Dat geldt vooral in de fase van het overleven, waarin ieder van ons via het ego of de persona (masker) een eigen strategie ontwikkelt. Reflectie over die strategie kan geen kwaad, zeker als we die later eens willen bijstellen of liever loslaten omdat die te schadelijk blijkt te zijn, zowel voor onszelf als voor onze relaties.

De overlevingsstrategie wordt gekenmerkt door 1) ‘valse’ (bekrompen) overtuigingen, 2) vaste of vastgeroeste patronen en 3) specifieke antwoorden op trauma’s/syndromen uit de vroege jeugd, waaronder soms ook meedogenloosheid. Het duurt enige tijd – voor de een langer dan de ander – dat we erachter komen dat deze strategie niet werkt of vooral dat alles meer draait om leven dan om overleven. Er is dan sprake van een soort bewustzijnsomslag, waarvoor we meestal tevoren intuïtieve vingerwijzigingen krijgen vanuit het mysterie of universum, dat ons subtiel draagt. Een universum dat ons via innerlijke leiding probeert te bevrijden uit de vastlopende overlevingsstrategie en egohandhaving, de nodige verslavingen incluis. Logisch dat zoiets een constante positieve impuls is vanuit het godsmysterie, omdat we bij de incarnatie zielskracht meekregen in de richting van liefde, blijheid, vriendelijkheid, wijsheid, gezondheid, vervulling, mildheid, moed en positieve energie. De (goddelijke) parel zit dus in wezen in onszelf, ook al zijn we geneigd die parel – en tevens wat wel de ‘verlossing’ heet – steeds buiten onszelf te zoeken. Carl Gustav Jung zei niet voor niets: “De mens is tot alles bereid om het diepe contact met zichzelf te ontwijken.” Zolang dit het geval is, onderkennen we niet de angst, de wraakzucht, de afgunst, de woede, de slachtofferhouding noch de controlefuncties die zich om onze ziel hebben genesteld.

Het zijn waarden en rollen die passen bij de fase in ons leven waarin we denken dat we ons leven met onze wil en ons verstand moeten beheersen, dat we controlefreaks horen te zijn en ook dat we daarin meer of ‘rijker’ moeten presteren dan anderen.

Je zou dit met Roger Rundqvist het oude levensverhaal kunnen noemen, dat individueel en collectief leidt tot zinloze oorlogen, fysiek en verbaal geweld, ecologische rampen en niet te vergeten tot depressie en andere psychische disharmonie met hieraan gelieerde lichamelijke ziekten. Niet dat dit ons al meteen doet ontwaken. Als we blijven hangen in het denken dat geest en lichaam niets met elkaar te maken hebben, zal zelfs de meest gevreesde ziekte ons er niet toe brengen onze overlevingspatronen te wijzigen. Maar ons denken kan met of zonder ziekte niettemin toch ineens gaan veranderen.

Zo’n ommezwaai – die in de derde wereld, zo weet ik uit ervaring, wel gepaard gaat met, of het gevolg is van, loslaten (en daarmee op voorkoming van destructie) gerichte grote offervuren – is dan wezenlijk. Met Boeddha – die ooit zei: “Wat je vandaag denkt, is morgen je persoonlijke werkelijkheid” – geloof ik in de kracht van de gedachte, de kracht van de geest. Waar je op focust, word je. Je wordt zoals je denkt. Dat geldt ook als we veel klagen en/of negatief zijn. Ons denken en voelen geeft een zichzelf versterkende energie. Dat is altijd zo geweest, maar in deze tijd van de kwantumfysica worden we ons daarvan meer bewust. Ik begrijp zo waarom een 108-jarige vrouw die nog drie uur per dag piano speelt, in reactie op de journalistieke vraag naar haar formule voor haar vitaliteit antwoordde: “Drie dingen: ik klaag nooit, ik ben blij en lach veel, en ik weet dat het kwaad er is, maar ik richt me op het goede.” Drie dingen waarmee een lang leven en blijvende vitaliteit haar oogst was. Positief denken en voelen lijkt dus een sleutel. Er is een energetisch veld om ons heen. Wat we daar aan gedachten ‘ingooien’, komt via de kosmische Wet van Aantrekking weer terug bij onze cellen. Dat geldt ook voor onze woorden. Woorden zijn net als gedachten een kracht. Daarom zijn mantra’s en affirmatie zo van belang. Woorden kunnen verwensen (vervloeken), rechtstreeks of via roddel, maar ook zegenen. Beide hebben een groot effect, zowel op de ander als ook op onszelf via de terugkaatsing. Voor wie zegenen een moeilijk begrip vindt: het is zoiets als liefdevolle energie uitzenden. (Het ritueel van vervloeken, waarnaar ik eens onderzoek deed op Sri Lanka, is het uitzenden van negatieve vaak dodelijke energie, ook al gebeurt dat via het goddelijke.)

Hoe dit ook zij, vooral verstarring van patronen in het oude levensverhaal kunnen net als tijdelijke geestelijke inzinkingen en ziekten bijdragen tot een bewustzijnsomslag naar het nieuwe levensverhaal, die ontstaat in het ritme van 1) loslaten en 2) ons openstellen voor onze levensopdracht, onze missie die we lange tijd niet (in)zagen. Martin Buber spreekt van het komen ‘van gebondenheid tot verbondenheid’ bij de mens. Ik zou zeggen: van dualiteits- naar eenheidsbewustzijn. Dat kan met recht renaissance of innerlijke hergeboorte als oogst heten. We kennen dat uit bijna alle wijsheidgeschriften, mythen en sprookjes. Loslaten heet in de mythologie vaak ‘doodgaan’, en dan steeds met ‘herboren worden’ als tegenpool.

Hergeboorte? Moeten we dan terug in de moederschoot? De intellectueel Nikodemus vroeg dat tweeduizend jaar terug aan Jezus van Nazareth. Het antwoord van Jezus dat het ‘koninkrijk van de geest’ in ons zit, maakt duidelijk dat hij net als Socrates de mensen altijd naar zichzelf terugverwijst, naar zelfkennis en het innerlijk weten dat we ziel zijn en niet ons voertuig, het lichaam. Dat er diep in ons een bron zit die zich kan openen en ons zo bezielt. En dat het zaak lijkt die niet te versluierd te houden of het contact daarmee te verliezen, omdat het dan niet ‘stroomt’ in ons leven. Kortom, dat het in het leven gaat om een persoonlijke weg van verandering van het oude naar het nieuwe levensverhaal. Naar een bewustzijnsomslag en een meer vanuit het hart leven. Als we dat in een vroege of latere fase van het leven via innerlijk weten gaan inzien, is dat met recht een renaissance, geoogst op ons levenspad.

Dit artikel verscheen in De Hooglandse Nieuwe en magazine Spiegelbeeld, beide van oktober 2012, en in magazine Reflectie van december 2012.